Oogstfeest
... en hij zei: Wat ziet gij, Amos? En ik zei: Een korf met zomervruchten. Amos 8 vs. 2a
U vraagt wat inlichtingen over de man, die hier door de Heere wordt aangesproken. Nu, die kunt u krijgen. Hij heet Amos en is een van de kleine profeten. Niet omdat hij klein van stuk was, en ook niet omdat, wat hij te zeggen had, minder belangrijk zou zijn, maar omdat het geschrift dat zijn naam draagt klein van omvang is. Dat is trouwens ook het geval met de elf anderen; samen vormen hun geschriften het 'twaalf profeten-boek'.
Amos was dus een profeet. Een man, die het woord Gods spreekt. Die het woord als een licht laat schijnen over verleden, heden en toekomst, over het volk Israël en de volken rondom. Dat was de opdracht, die Amos ontving van de Heere. Hij stamde niet uit een priestergeslacht, hij was geen leerling van een profetenschool. Geen opleiding gehad ! Geboortig uit Juda, treedt hij op onder Israël, het tienstammenrijk. Amos is een plattelander, die door de Heere geroepen werd: Ga heen profeteer tot mijn volk Israël. In hem krijgt de zorg, die de Heere nog voor Israël heeft, gestalte aan. De Heere is nog met zijn volk in gesprek, al is de toon feller, het woord heftiger. Nog is het laatste woord niet gesproken, al . . .
Amos had een scherpe blik en hij keek goed rond in steden en dorpen. Hij nam geen blad voor de mond. Hij bestond het, om zich van zijn taak te kwijten in het hol van de leeuw: het koninklijk heiligdom te Bethel. Amazia, de priester is daar niet van gediend. Die boer uit Tekoa zal hen hier de les lezen? Prompt wordt Amos door hem op zijn nummer gezet en uitgewezen uit het land. Laat hij daar zijn profetische praatjes maar aan de man brengen. Amazia had er erg in, dat de boodschap een boodschap van gerechtigheid en gericht was. Hij wilde daar niet van horen!
Inderdaad, de boodschap is niet geruststellend, zij is in hoge mate ontdekkend. Hoe gaat het er naar toe in Israël? Hoe kan dat nu ooit goed gaan met Israël? Amos voorspelt de ondergang van vorstenhuis en volk; dat wordt geen enkele profeet in dank afgenomen. Was Amos een helderziende ? Keek hij dwars door de schone schijn heen; zag hij het aankomen? Voorspelde hij het oordeel soms op grond van zijn waarnemingen en zijn overwegingen? Maar, sinds eeuwen had het er niet zo rooskleurig uitgezien in het rijk van Amazia, als in de dagen van de tweede Jerobeam. Er was welvaart en weelde. Een hoge levensstandaard! Politiek gesproken, was er weinig bewolking, de grootmachten hadden het te druk, dichter bij huis. Nee, een helderziende was Amos niet.
Een zwartkijker dan. Hij had altijd wat aan te merken; hij kon de zon niet in het water zien schijnen; hij gunde de mensen geen vrijheid en geen levensvreugde. Overal zette hij de domper op met zijn dreigend: wacht maar, straks . . .
Maar ook dat is niet waar. Hij spreekt het woord des Heeren. De Heere maakt hem op het een en ander opmerkzaam. De Heere maakt hem bekend wat Hij ervan denkt en wat Hij eraan denkt te doen. Dat is het. Amos is niet bang uitgevallen, maar hij heeft wel gebeefd toen hij de leeuw hoorde brullen (3: 8). De Heere liet het hem zien. Hij vertelt het aan zijn hoorders op het tempelplein te Bethel, waarschijnlijk op het oogstfeest, dat ongeveer op dezelfde dag viel als onze dankdag voor het gewas en daarmee ook enige overeenkomst vertoonde. Terwijl de oogstdienst gehouden wordt verheft hij zijn stem: de Heere Heere deed mij zien. Vijf visioenen. Het eerste: het is lente, sprinkhanen vreten de velden kaal. Het tweede: het is zomer, de zon wordt een verzengend vuur. Het derde: een paslood, dat bij een muur gehouden wordt. Tot drie keer toe: ee ondergang dreigt.
Het vierde knoopt aan bij de eerste twee. Nu is het herfst. Het houdt ook verband met het derde. Amos doet geen voorbede meer en de Heere verklaart nadrukkelijk dat Hij Israël voortaan niet meer voorbij zal gaan.
Wat ziet gij, Amos. Weer die stem, die hem wekt, die zijn aandacht richt op wat hij schouwt, zodat hij zich daarvan terdege rekenschap moet geven. En ik zei: Een korf met zomervruchten. Dat was niet zo vreemd. Op het herfstfeest werden er honderden manden met fruit het heiligdom binnengedragen, een dankoffer voor de Heere. Trouwens, Amos had die meer gezien, manden met fruit: hij was zelf fruitteler geweest. Het laatste wat ingezameld werd, was het fruit. Laat in de zomer, vroeg in de herfst: vijgen, olijven, druiven en granaatappels. Een lust voor de ogen, zo'n korf met rijp fruit. Een fraai stilleven. De vruchten lachen u toe. Zo te zien feestelijk.
Het is echter vreselijk. Het einde is gekomen over mijn volk Israël. De woordspeling die ons van het een op het ander brengt is in de vertaling verloren gegaan. De woorden voor ooft en einde hebben in het Hebreeuws een gelijkluidende klank. Net als in het visioen van Jeremia, de amandeltak en het wakker zijn (Jer. 1 : 12). Wij kunnen de overgang als volgt maken: ziet u dat rijpe fruit ? Zo is het volk rijp geworden voor het oordeel Gods, het volstrekte oordeel, kortweg het einde. Wat is er rijp geworden ? De ongerechtigheid. De zonde is net een gewas. Als appels en peren. Ze zetten vrucht, ze groeien uit, totdat ze plukrijp zijn. De zonde nam toe in omvang en vorm. Zonde tegen het eerste en grote gebod. Want al wil men Amos inlijven bij de wereldverbeteraars, die het schreeuwend onrecht in de samenleving aan de kaak stelt: ook bij hem gaat het eerste gebod voorop ! God liefhebben, Hem zoeken en kennen.
In Bethel stromen de feestgangers naar de tempel; de priesters hebben handenvol werk. Er wordt gezongen: 'k Wil U o God mijn dank betalen. Niet alleen op hoogtijdagen. Wekelijks. Ze hielden immers de rustdag! Vraag echter niet hoe. Eigenlijk had de dienst des Heeren geen plaats in hun leven, niet de plaats die de Heere daarvoor opeiste. Het was een oponthoud, meer niet. Even . . . Het leven ging door, morgen en overmorgen. De zaken gaan voor. Ze zaten erover te denken, terwijl ze de dienst bijwoonden. Wanneer zal de dag voorbij zijn. Dan gaan wij onze gang. Dan gaan wij weer op jacht naar geld en goed. De Heere kent het hart. Hij weet wat wij denken en hoe wij redeneren. Wij slepen Zijn dag en dienst mee in ons lopen en rennen, kopen en verkopen, in alles waar ons leven vol van is en waar we eigenlijk voor leven. En dat neemt de Heere ons kwalijk. Het gaat ons niet om Hem, het eigen ik kraait koning.
Zonde tegen het tweede gebod, aan het eerste gelijk. De naaste liefhebben als uzelf. De naaste? De volksgenoot is de bondgenoot. Mét hem zijn we in het verbond begrepen. Wie neemt dat nog ernstig? De arme weet hoe het daarmee is, hij ondervindt het aan den lijve. De groothandel is bedrog in het groot. De machtelozen — geld is macht — zijn rechtelozen. De rijken worden steeds rijker, de armen steeds armer. God had de armen in de zorg van Zijn volk aanbevolen, de rijken buiten hen uit, bedriegen hen, beroven hen stelselmatig, als waren de naasten slaven! Dat is kwaad in de ogen des Heeren. Wie dankoffert zal Hem eren, als de God van het verbond, die de ellendigen in bescherming neemt. Slechts wie zo zijn weg wél aanstelt zal God Zijn heil doen zien.
L. K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's