Heilig, heiligen en heiligmaking 4
Pastorale overwegingen
De goede werken
De heiligmaking komt in de praktijk van het leven uit in het doen van goede werken. De Heidelberger leert ons dat die werken goed zijn welke de rechte bron als oorsprong, de rechte norm als maatstaf en de rechte eer als doelstelling hebben, en wanneer ze tegelijkertijd aan deze drie kentekenen voldoen. De rechte bron is het waarachtig geloof. De rechte norm is Gods wet. De rechte eer is Gods eer. Daarmee zijn de goede werken afgegrensd tegen de deugden der heidenen en de edele daden van hen, die het waarachtig geloof missen. Zij kunnen in ons oog voortreffelijk zijn, maar hoe oordeelt God er over?
Zij zijn ook onderscheiden van werken, die zich funderen op menselijke inzettingen. Dan is het alles slechts eigenwillige godsdienst.
Mij dunkt, dat de allerbeste werken nog wel eens die kunnen zijn, welke onbewust, spontaan uit het waarachtig beginsel zijn verricht. Ik moet hierbij denken aan de gelijkenis over het laatste oordeel, in Mattheüs 25, waarin verhaald wordt, hoe de schapen zullen belijden bij het beërven der zaligheid: 'Heere, wanneer . . .?. Zij waren, toen ze de werken deden, zich dat niet eens bewust. Maar ze konden niet anders. Het geloof was door de liefde werkende, spontaan, zonder berekening, zonder opzet. Daar is een heilige argeloosheid bij Gods volk in de weg van de heiligmaking. Daarmee bedoelen ze niet anders dan de eer van God. Daarmee stichten ze de ander. Daarmee genieten ze het profijt van de bevestiging van hun geloof als echt en levend. Maar wat dit laatste betreft, citeer ik graag nog eens een treffende opmerking van wijlen ds. Van Sliedregt in 'naar Schrift en Belijdenis', blz. 76: 'Hierbij moet gedacht worden, dat de praktijk van het leven zo is, dat de ware christen het licht zijner goede werken op de rug draagt, zodat het wel straalt voor de mensen, maar niet voor eigen oog; hij wandelt zelf in ootmoed, omdat hij zoveel gebrek bij zich vindt, hetgeen hem immer weer uitdrijft tot Christus. Wel mag hij zijn goede werken als de vruchten van Christus, op zijn naam gezet, zien, en er zich in verblijden, dat hij aan Jezus hand in de Geest wandelt in de hof van zijn hart'.
Zondag 44 en Jesaja 44
Een vreemd 'kopje', zegt u? Ja, zo op het eerste gezicht wel. Wat is daarvan de oorzaak? Wel, in zondag 44 wordt beleden, dat 'de allerheiligsten in dit leven maar een klein beginsel van de gehoozaamheid hebben.' Dat nu wordt ontkend door hen, die de 'volmaaktheid van de heiligen' leren. Hoewel zij er in alle eeuwen zijn geweest, vinden wij hen onder meer terug in de pinksterbeweging. Ik herinner me dat destijds in het blad Kracht van Omhoog, waarin de heer J. E. v. d. Brink een welversneden pen voert, deze zinsnede uit de Heidelberger scherp werd afgewezen, met een beroep op Jesaja 44, waarin andere taal zou worden gebezigd. Daar is het niet zo benepen en benauwd. Daar lezen we in het begin en het einde van dit heerlijke pinkster-hoofdstuk, dat de met de uitgieting van de Geest gezegenden zeggen: Ik ben des Heeren! Daar is de lofzang op de radicale vergeving, vs. 22 en 23. En elders is in de Schrift toch sprake van Gods volk als van 'een koninklijk priesterdom'. Zij zijn de goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1: 4. En in de eerste Johannes-brief staat toch, dat de gelovigen niet kunnen zondigen. In een interview met de bekende journalist Rik Valkenburg zegt de heer V. d. Brink, dat het woord van Paulus, 'Ik jaag naar de volmaaktheid' in één adem uitspreekt het 'in zoverre wij volmaakt zijn'. Hij verwijt het de kerk, dat zij leert: 'wij blijven zondaars tot de dood'. Zondag 44 is een taal van mensen, die niet strookt met het getuigenis der Schrift. Wij zien echter geen tegenstelling. Wij moeten verstaan dat de heiligmaking van Gods kinderen, aanvangend bij de wedergeboorte, door de Heilige Geest tot stand gebracht even goed alleen vanuit het geloof te zien en te verkrijgen is als de rechtvaardiging van de goddeloze om niet. Zij schijnen beide niet te kloppen met de werkelijkheid, die we waarnemen.
En Romeinen 7?
Ondanks de heerlijke beelden, gebezigd van de Kerk des Heeren onder het Oude en van de gemeente van Jezus Christus onder het Nieuwe Verbond, gaat de Schrift toch niet voorbij aan de zonden en de belijdenissen van zonde van de gelovigen. Abram, Genesis 12, Izaak, Genesis 26, Mozes, Numeri 20, David, Psalm 51, Daniël, hoofdstuk 9, worden ons, alhoewel zij toonbeelden van godsvrucht en genade waren, toch voorgesteld als zondige mensen. En wat weet Paulus er ook van: 'als het goede door hem gedaan wil worden, dat het kwade hem bijligt', Romeinen 7. Wat klaagt hij: 'Ik ellendig mens . . .' Wanneer dat ter sprake komt, zegt de heer Van de Brink: ja, ja, maar dat was de strijd in het leven van Paulus voor zijn bekering. De wet van de Geest des levens was later in hem werkzaam.
Wij menen echter toch te moeten blijven bij de reformatorische uitleg van dit aangrijpende hoofdstuk. Dat de apostel met nadruk de tegenwoordige tijd gebruikt is alleen van het heden en het nu te verstaan, niet van de voorgaande tijd in zijn leven. Niet onaardig beweert Clemen in zijn Die Christliche Lehre von der Sünde, deel I, blz. 112, dat men Paulus tot een soort comediant maakt, als men wil, dat hij, zoals hij in Romeinen 7 doet, zou spreken uit de herinnering aan een reeds lang geleden doorleefde toestand. Jammer overigens, dat deze schrijver deze belijdenis ziet als een uiting van een trieste stemming van de apostel.
Duidelijk stelt de Schrift in Romeinen 7 en ook elders, dat de gelovigen de zonde, beter hun zondige aard meedragen tot het einde huns levens en daarom steeds vergeving nodig hebben. Johannes schrijft zelfs dat als we zeggen geen zonde te hebben wij onszelf verleiden, 1: 8. Paulus noemt de Corinthiërs nog vleselijk, 1 Cor. 3: 1-4, de Galaten zijn nog ongehoorzaam, 5: 7 v.v. Toch blijft de eis der Wet bestaan, en heet het 'weest volmaakt', 1 Petr. 1: 16. Schriftuurlijk en teer pastoraal wijst de Heidelberger in het antwoord op vraag 115 dat de Wet Gods scherpelijk gepredikt blijft. Zo zal de gelovige steeds weer tot Christus worden uitgedreven en veel bidden om de genadige bediening des Geestes, totdat, en wat is dat een heerlijk troostwoord, totdat wij de volkomenheid deelachtig worden.
De oprechte christen is een twee-mens, hij dient met het gemoed Gods wet, met het vlees echter de wet der zonde. De strijd blijft heel het leven door.
Ede W. Chr. Hovius
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1973
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1973
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's