De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De volmacht van de prediking 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De volmacht van de prediking 3

10 minuten leestijd

De kerkelijkheid van de volmacht
De volmacht der prediking is een kerkelijke zaak. Met name in de kerk worden de sleutelen van het hemelrijk gehanteerd. Daar wordt geopend en gesloten. U hoort er de deuren knerpen op hun scharnieren en daar vallen eeuwige beslissingen. (Ds. G. Boer)7) Niet omdat de kerk soeverein zou beschikken over de genade, maar omdat haar het soevereine Woord is toebetrouwd. En dat velt beslissingen van leven en dood. Calvijn verklaart: 'Dus worden ons in de gemeenschap der heiligen door de dienst van de kerk zelf de zonden gedurig vergeven, wanneer de herders of bisschoppen, aan wie dit ambt toevertrouwd is, de vrome consciënties door de beloften des Evangelies in de hoop op vergeving en kwijtschelding versterken. En dat zowel in het openbaar als in het bijzonder, alnaar de noodzakelijkheid eist. (Calvijn denkt hier waarschijnlijk aan kerkdienst en pastoraat — A. de R.). Deze weldaad van de vergeving der zonden wordt ons door de dienaars en herders der kerk uitgedeeld, of door de prediking van het Evangelie of door de bediening der sacramenten . . .' Dit is de sleutelmacht van het Evangelie. 'Laat daarom een ieder onzer bedenken, dat dit zijn plicht is, de vergeving der zonden niet ergens anders te zoeken, dan waar de Heere haar geplaatst heeft'.8) Wat een dag is derhalve de zondag. Op de dag van Christus' opstanding is het graf open gesprongen. De steen is afgewenteld. Daarom gaan de kerkdeuren open op de Dag des Heeren.
               * * * 
Ze herinneren ons aan de opening van ons zondegraf in de Hof der Opstanding. En ze verwijzen ons naar de toeëigening daarvan door de Geest in de prediking. Daar gaan de deuren open van onze hermetisch toegesloten dodencel. Daar worden bressen geslagen in de muren van ons huis van bewaring. Door de prediking in de volmacht van de opgestane Kruiseling wordt de bastion van de boze uit haar voegen gelicht. Zijn greep verslapt. Zijn prooi ontkomt. De helse cipier en zijn handlangers worden ontwapend. Daar zwaaien de poorten van het Paradijs wagenwijd open. 'Door de prediking van het Evangelie opent Hij de poort opdat wij, nadat wij de afgrond waarin wij ons van nature bevinden verlaten hebben, ingaan in Zijn heerlijkheid.' (Calvijn)9) Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden (Jes. 49)? De zaakgelastigde des Heeren zegt daar ja op. Wat kwijnt en tot ontbinding overgaat als prooi van Babel, wordt juichend opgevoerd, terug naar het Beloofde Land. Vermagerd, in lompen, deerniswekkend komen ze er aan: blinden en lammen, met geween en smekingen; nochtans de mond vervuld met lachen en de tong met gejuich. Want de Heere brengt de gevangenen Sions weder. Wij zijn gelijk degenen, die dromen. De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd (vgl. Jer. 31 en Ps. 126). Armlastigen komen in de Woordverkondiging met huid en haar voor nu en immer te liggen voor rekening van het hemelse armenhuis. Hier wordt niet over gepraat in de kerkdienst, maar dit heil wordt tegenwoordig gesteld. Satans huis wordt geslecht, het Armenhuis bewoond. Zeeën worden droog, bergen vlak. Daar staat Israël voor de Rode Zee. Na een korte adempauze wordt hun de adem alweer afgesneden. 'Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de Heere de zee weggaan'! Daar valt over te praten, want het is een historisch feit. Maar in de kerk wil het verkondigd worden. En dat is iets anders. De hand van de meerdere Mozes, de Middelaar van het Nieuwe Testament, is daar, uitgestrekt tot onze hulp. En de zee is daar. In dat dodelijk tijdsgewricht wordt de gemeente verplaatst. En de wind van de Geest is daar, die aangedreven door Christus' hand, de hele zee van vloek en oordeel en dood in tweeën splijt. Open gaat de deur van het dodelijke water. Gekliefd wordt onze vijand. Zodat wij droogvoets doorgaan. Geen spatje beroert ons. Dat gebeurde toen, vóór 3500 jaren. En dat gebeurt nu, heden in de kerk. Want Christus met Zijn uitgestrekte arm is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid. Nee, zo verdampt de historie niet. Maar zo doortrekt de geur van de eeuwigheid de gemeente, het zondaarshart. Toen en nu. Wie de zondagse kerkgang versmaadt, onttrekt zich aan dat gebeuren. Wenst geen getuige te zijn van Gods nederdaling uit de hemel.10) Daar in het Woord wordt Gods eigen uitspraak vernomen, afgekondigd in de hoogste vierschaar. (Calvijn)11) 'Nooit wordt het Woord van God tot ons gebracht, of God opent met moederlijke tederheid Zijn schoot voor ons. Ja, of dat nog niet voldoende was, buigt God zich in de prediking laag tot ons neer om ons te koesteren even zorgvuldig als een klokhen dat haar kuikens doet'. (Calvijn)12) Hoe aangrijpend heeft de Geneefse reformator over dat wonder der prediking geschreven. Christus is erin aanwezig, mét het offer aan het kruis volbracht. Het is alsof Hij aan het kruis hangt, alsof Zijn bloed neervloeit. En er vindt daadwerkelijk besprenging plaats met dat verzoenende bloed.13) Op gevaar af in herhaling te vallen — maar het kan niet genoeg gezegd — alleen de prediking is Gods geeigende weg om ons te wederbaren tot Zijn kinderen. Alle andere wegen lopen dood. In die ene weg wordt ons Christus geschonken en aangereikt. Calvijn durft deze vergelijking aan: 'Geheel op dezelfde wijze als God de volheid van leven in Jezus heeft gesteld, opdat wij door middel van Hem daaraan deel zouden krijgen, heeft God Zijn Woord verordend als instrument door middel waarvan Jezus Christus met al Zijn gaven ons wordt toeedeeld'.14) Wie de kerkgang veracht, gaat de poort van het paradijs voorbij. En daar staat de doodstraf op. Op gratieverlening valt niet te rekenen, tenzij men op zijn schreden terugkeert en alsnog de toevlucht neemt tot de poort van het Woord. 

De uiteindelijkheid van de volmacht
In haar kern is prediking in diepe zin tijdloos, bovenhistorisch. Niet dat zij niet reageert op het tijdelijke. In die zin is zij juist door en door bijdetijds, want wat is er tijdser dan de zonde, die zij blootlegt, omwoelt en uittrekt? Maar dit alles zou toch niet zo bijzonder, zo uniek zijn, als niet in de prediking de eeuwigheid doorbrak en insloeg. Waar 'das liebe Evangelium scheinet' (het lieve Evangelie schijnt; Luther) wordt dan ook het jongste, dat is het uiteindelijke gericht, 'naar voren gehaald'. Hoe? Door Christus' dood en opstanding present te stellen. Goede Vrijdag, Pasen, wederkomst, ze vallen in de kerk op één dag. 'De predikers zijn de doodgravers; ze hebben houweel en schop. Ik geloof hun woord en laat mij onderstoppen en dat gebeurt als ik het woord van de doodgravers geloof. Weg is alle zonde. Ook ik, grote zondaar, leg mij met het geloof in de dood van Christus en ben zo ook zelf gestorven'. (Luther)15) Zo komt er dus in het geloof een eind aan mijn aardse tijdelijkheid, dat is mijn gestadige dood. En waar de dood gedood wordt, daar vangt het nieuwe leven aan. 'Alzo ook gijlieden', roept Paulus de Romeinen toe, 'houdt het daarvoor . . .' (Rom. 6: 11). Dit alles is weliswaar nog geen grijpbare en begrijpelijke werkelijkheid, maar dan toch reeds geloofsrealiteit. In deze spanning en dubbelheid leidt ons die prediking, die ons plaatst in Gods uiteindelijke beslissing.

Twee polen
Nu heeft dit beslissende, uiteindelijke karakter van de prediking ontegenzeggelijk twee polen. Zij betuigt immers vergiffenis aan wie de belofte van het Evangelie met een waar geloof aanneemt, doch verdoemenis aan de ongelovige. De prediking wijst op twee wegen: de brede en de smalle. Niet dat zij twee wegen predikt. Dat zulks vereist zou zijn, berust op een misverstand. Zij predikt slechts de hemel. Van de hel wordt integendeel afgemaand. Dit wil geen woordenspel zijn, maar het wil nadrukkelijk onderstrepen, dat de twee wegen niet op dezelfde wijze aan de orde komen in de prediking. Leven én dood worden voorgesteld, maar alleen t.a.v. het leven wordt verkondigd: kiest dan het leven (Deut. 30: 19)! De prediker die enigermate besef draagt van de eeuwigheidsernst van zijn woorden, zal in dit gerichtshandelen van God zich niet neutraal op kunnen stellen. Alsof de afloop niet terzake deed. Alsof het om het even was, of de gemeente behouden of veroordeeld wordt. Op dit punt trekke men zich niet terug op de ere Gods, maar op Gods geopenbaarde wil. Zou dat niet tot eer van God zijn: te worstelen met zielen en een gevecht te leveren met hel, duivel en ongeloof en mensenlevens als een brandhout uit het vuur te rukken en mee te slepen naar die zeer overvloedige fontein van alle goed? Krijgt daar geen gestalte de opdracht van Christus: dwingt ze om in te gaan? Calvijn leert dat het de specifieke natuur, het eigenlijke ambt is van de Evangelieprediking om zaligmakend te werken, dat het daarentegen iets bijkomstigs is, wanneer zij voor degenen die haar verwerpen de oorzaak van verdoemenis en dood wordt. Dit laatste ruist zelfs lijnrecht tegen haar eigenlijke natuur in.16)
Zonder dus enige afbreuk te willen doen aan Gods heilswil, moet men zich wel terdege bewust zijn van bedoelde tweepoligheid. Wie vanuit de gegrepenheid door de triomf der genade, de eeuwige verlorenheid betwijfelt of verzwijgt, die miskent het schiftende, oordelende en beslissende van de volmacht der prediking. Maar laat ons er als prediker en gemeente niet te vlot en vanzelfsprekend over praten, alsof het om een leerstuk ging. We kunnen het veeleer slechts aan den lijve en in de ziel ondergaan en er onderdoor gaan. In de kerk! Zittend onder de verkondigde volmacht. Zo is elke kerkgang een gang naar de gerichtsplaats. Elke kerkbank is een beklaagdenbank. En er wordt gevonnist. In Gods eeuwige 'heden' worden we geplaatst. Onontkoombaar. Voor wie er zit, is het reeds te laat. D.w.z. te laat om neutraal en buiten schot te blijven. Wie niet gelooft, is reeds veroordeeld. Het proces-verbaal wordt onvermijdelijk ontvouwd en het vonnis afgekondigd. Elk uitstel ontzegd, elke vluchtgang afgesneden. Geen hoger beroep is mogelijk. God staat op ten gerichte. En de Voorspraak is daar om te pleiten. Met zijn profetisch pleidooi, zijn priesterlijk bloed, zijn koninklijk kruis. En de Geest is daar. Als vuur. Als vuur dat oordeelt en uitbrandt. Als vuur dat verlicht en verwarmt. Als vuur dat vijandelijke harten in liefde ontvlamt. Wie zich dit vuur van lijf en ziel houdt, berge zich. Maar zal geen verberging vinden. Want hij blust de Geest uit. En wie deze misdaad begaat, diens lamp is reeds uitgeblust. De toorn Gods blijft op hem. Daarentegen, wie zich tussen twee vuren weet, het vuur van Gods rechtvaardige toom en het vuur van het helse oordeel, die hore! In de gloed van de Heilige Geest wordt Christus gebrandschilderd in uw ziel. De Borg toont het vuur van Zijn Middelaarshart. Zijn ijver brandt. Het helse vuur verduurt Hij. De oven van Gods toorn doorlijdt Hij. Zonder verteerd te worden? Als dat waar was, moesten u en ik verteren. Nee, verteerd is Hij. Geheel en al. Voldaan heeft Hij. Voorgoed. God is tevreden. Voorgoed. Zijn gramschap is geblust. Zijn toorn gedoofd in de gloed van Christus' liefdesrantsoen. Opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is (Rom. 3: 26). Dit is zo allesbeslissend en de gevolmachtigde proclamatie ervan zo overweldigend en het ligt zo definitief en 'uiteindelijk' in mijn hart gekerfd, dat niets me meer zal scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken. Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten. Kom haastig, mijn Liefste (Hooglied 8).
Tholen                                                                                                                                         A. de Reuver

7) Ds. G. Boer, De vaste grond, blz. 68.
8) Institutie, IV, 1, 22.
9) Geciteerd door prof. C. Veenhof in Zicht op Calvijn, A'dam 1965, blz. 93.
10) Vgl. Calvijn op Ex. 14: 31.
11) Institutie, IV, 11, 1.
12) Calvijn op Mattheüs 23: 4. 
13) Ontleend aan prof. C. Veenhof, in a.w., blz. 95.
14) Geciteerd door prof. C. Veenhof, in a.w., blz. 95 V.
15) Geciteerd in dr. J. T. Bakker, Eschatologische prediking bij Luther, Kampen 1964, blz. 70.
16) Zie Zicht op Calvijn, blz. 99 v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1973

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

De volmacht van de prediking 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1973

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's