Weer het Getuigenis
Het Getuigenis: motief en effect, zo heet het boekje dat samengesteld werd door de hoofdredacteur van ons blad, ir. J. van der Graaf, en dat onlangs uitkwam bij Kok te Kampen.
Zwarte letters op een witte achtergrond, die lichtgroen doorstreept is, ziehier het uiterlijk gewaad waarin dit boekje zich presenteert.
De zwarte letters zouden kunnen duiden op al de strijd die het Getuigenis heeft opgeroepen. Daarbij kwam heel wat aan het licht dat fel afsteekt tegen het witte, het licht van het getuigenis van de Schrift, waaraan dit menselijk Getuigenis dienstbaar heeft willen zijn. Had het ook iets te maken met hem die genoemd wordt de vorst der duisternis? Men leze dit boekje zelf om voor eigen rekening tot een antwoord te komen op die vraag.
Is het teveel gefantaseerd als wij in het lichtgroene iets zien willen van een prille lente. Wij zitten terwijl wij dit schrijven middenin de winter, en dan lijkt de lente nog zo veraf. De schrijvers van het Getuigenis zullen zich ook zo gevoeld hebben. Maar is er toch het hopen geweest op een nieuwe lente? Het zou waarlijk zo vreemd niet zijn! Wie wel eens gelezen heeft de bekende Bezwaren tegen den geest der eeuw van Da Costa kan weten dat ook dit getuigenis niet in het negatieve, niet in het wanhopige is blijven steken.
Ook hij heeft gewaagd van een nieuwe lente. Reeds voelde hij in zijn verbeelding de eerste zoele winden om zich heen.
Drie dingen willen wij in dit artikeltje aan de orde stellen. Allereerst willen wij even het Getuigenis zien in historisch licht; dan memoreren wat erop losgekomen is; en tenslotte vragen naar wat het eindresultaat is.
In de rij der Getuigenissen
Da Costa's Bezwaren zijn al genoemd. Er is meer te noemen als wij de blik wenden naar het verleden. Toen in de geest van prof. Van Niftrik begon te broeden wat tenslotte op dit Getuigenis is uitgelopen, gingen zijn gedachten uit naar Da Costa, maar ook naar Nicolaas Schotsman, een predikant die de moed gehad heeft om in een tijd toen iedereen meende Dordt van 1619 allang voorbij te zijn, een Erezuil voor deze Synode op te richten. Dat was in 1819: precies 3 jaar nadat de kerk haar Synode en Reglement had gekregen, beide — naar het scheen — waarborgen voor een 'eeuwigdurende rust'. Hij heeft er heel wat over moeten horen, ds. Schotman; zijn Erezuil werd een schandpaal. Wie goed luistert hoort in onze tijd in hetgeen tegen het Getuigenis is ingebracht ongeveer dezelfde geluiden als tegen Schotsmans Erezuil. Maar Van Niftrik heeft ook aan Groen gedacht, de man die eens samen met anderen de Synode een Adres liet toekomen. Ook bij hem de strijd om het oude en toch niet verouderde Evangelie. Helaas, er is niet naar geluisterd. De Synode tóen kronkelde zich in net zoveel bochten als de Synode van nu het gedaan heeft nu er geen Adres maar een Getuigenis verscheen. Synoden schijnen ontzettend moeilijk royaal adhesie te kunnen betuigen aan wat aan echte prediking in de kerk ergens gehoord wordt. Is er wellicht het verborgen schuldgevoel dat niet die enkelingen maar dat Zijzelf de waarheid behoorde te verkondigen ?
Van Niftrik had nog meer Getuigenissen kunnen noemen. Het onderzoek van de kerkgeschiedenis van de 19de eeuw is op dat punt nog niet uitgeput. Er waren Adressen van Moorrees, van Le Roy (hervormde predikanten) en niet minder van de mannen van de Afscheiding. Zij liggen onder veel stof bedolven maar zij zijn er geweest! Gewetens hebben zij ontlast, dure roepingen vervuld. Ook hebben zij het vuur doen branden in veler hart. In statistieken is niet uit te drukken wat zij hebben teweeggebracht, maar het staat vast dat ze niet zonder uitwerking zijn geweest; was het niet bij synoden dan toch wel bij gemeenteleden. Officiële kerkgeschiedenissen kunnen erover slechts zwijgen, maar ook God heeft Zijn kerkgeschiedenis. Als dat boek nog eens opengaat zullen verrassingen niet uitblijven.
Wat erop losgekomen is
Het boekje dat voor ons ligt liegt er beslist niet om. Het is griezelig om het allemaal te lezen. Om twee redenen. Om de inhoud — hoe is het mogelijk dat men dat allemaal heeft durven zeggen! Alsof niet de Schrift zélf ondubbelzinnig getuigt van hetgeen hier in menselijke woorden, en toegespitst naar eigen tijd, is weergegeven. Er staan namen in het boek; er is niets verzwegen; er zijn gróte namen bij; namen die in kerkelijk Nederland soms voorpagina's van kranten halen, en dan behoeven die kranten nog niet eens christelijk te heten. Maar alweer, was het een eeuw geleden anders? Da Costa sprak van 'nieuwlichters', verdervers van geloof en zeden. Schreef hij in onze tijd, ik vrees dat zelfs de helft van de Gereformeerde Gezindte zou schrikken; en wat moeten wij dan nog van anderen verwachten? Er staat wel geen politie op de wacht als bij het huis van Da Costa, maar wie het kind bij zijn naam noemt, heeft ook heden veel te wachten. Prof. Van Niftriks hart is eraan bezweken; ere aan de nagedachtenis van deze moedige man die omwille van de Waarheid zich zelfs tegen zijn eigen verleden heeft durven keren. Griezelig, ja meer dan dat, huiveringwekkend zijn dus de reacties op het Getuigenis. Zij zijn in staat alle hoop op een nieuwe lente voor goed te doven. Maar gelukkig dat niet mensen de geschiedenis bepalen.
Er is echter, zoals al opgemerkt werd, nog een tweede reden die bij het lezen van dit boek doet griezelen. Dit nu allemaal zomaar open en bloot op papier te zetten, kan dat eigenlijk wel? De samensteller heeft zelf behoord tot het zestal opstellers. Hij zal met dit boek niet anders bedoeld kunnen hebben dan ergens toch ook dezelfde zaak te dienen die het Getuigenis beoogt. Je schrijft natuurlijk niet een boek om je tegenstanders in de kaart te spelen. Wapenen leveren aan een vijand (om-nu maar eens deze wat militaire taal te gebruiken) is op zijn zachtst gezegd onverstandig. Er staat in het boekje voluit wat men allemaal tegen het Getuigenis geschreven heeft. Ietwat berekend vraag je je af: is dat niet gevaarlijk? Stel dat er eens mensen gingen overlopen, geïmponeerd door de argumenten van de tegenstanders. Je denkt aan de jongeren die dit boek in handen krijgen. Het zij toegegeven, helemaal zonder gevaar is het niet. Je weet niet in wat voor een dwarrelgeest iemand verstrikt kan raken. En toch willen wij een goed woordje voor deze methode spreken. Tegenstanders zullen moeten toegeven: Jullie mensen van het Getuigenis zijn niet bang! Hopelijk zullen zij ook aanvoelen dat wij vertrouwen hebben in de Zaak zelf. Zo klaarblijkelijk bijbels en reformatorisch is de inhoud van het Getuigenis dat wij alle argumenten die ertegen ingebracht zijn er rustig naast durven zetten. Net als onze vaderen soms deden, die de moed hadden om zélf een boek van een tegenstander, zij het dan voorzien van een inleiding van eigen hand, uit het Latijn of andere vreemde taal in de onze uit te geven. Wij kweken geen blinde navolgers. Weeg zelf maar af het één tegen het ander. Alleen, wij bidden u veel wijsheid toe.
Het resultaat
Wij leven in een tijd waarin alles zakelijk bekeken wordt. Men vraagt naar resultaten. Er kan bijna niets gebeuren of er volgt een evaluatie op. Kon het in cijfers worden uitgedrukt wat het Getuigenis heeft uitgewerkt dan waren wij kinderlijk blij. Niets heeft op de Synode toen het Getuigenis ter sprake kwam zoveel indruk gemaakt als de vele duizenden die het stuk hadden opgevraagd. Alom (ook bij onszelf) is er de verzoeking getallen te aanbidden. Maar het zij kort en goed gezegd: Het Getuigenis is wáár of niét waar, ongeacht of er tienduizend om gevraagd hebben of niemand. Hoogstens bieden de getallen wat men noemt een indicatie, een kleine aanwijzing dat kerkelijk Nederland er toch anders uitziet dan men op grond van synoden, van toonaangevende stemmen in krant, radio en voor de televisie, zou veronderstellen. Er zijn nog de velen die zwijgen, maar wél luisteren. Spottend worden zij de 'zwijgende meerderheid' genoemd. Door haar een etiket te hebben opgeplakt meent men haar uitgeschakeld te hebben. Maar zij laat zich niet uitschakelen. Zij blijft luisteren.
In 1967 kwam er een Open Brief; in 1971 kwam er het Getuigenis; wij leven snel, is alles al weer vergeten? Gods werk gaat bij wijze van golven. Telkens een golf, zo rolt het voort. In een golf zit een grote kracht, zij eindigt pas op het strand. Misschien zien wij op het ogenblik uit naar een nieuwe golf. Het is met geen mogelijkheid te zeggen waar zij vandaan moet komen. Zij wordt niet gemaakt maar geschapen. Op het moment kunnen wij niet veel anders doen dan het oude nog wat ophalen. Ook nuttig werk! Het kan de reeds voorafgegane golf versterken; of kleine nieuwe golfjes verwekken. Met die hoop moet men dit boek lezen. Maar het uitzien en wachten blijft intussen op Hem, die, hoe dan ook, Zijn werk zal voortzetten. Wij weten niet wat de Heere onze God nog in petto heeft. Misschien komt Hij nu van een heel andere kant. In Gods werk zit altijd wat verrassends. Kijk er de namen van de opstellers en de aanbevelers van het Getuigenis maar op na. Al keer op keer is de kerk in haar hoop op een nieuwe lente naar het schijnt beschaamd uitgekomen. De tekenen van een komende lente hebben Da Costa bedrogen; het bleef winter. Zijn hooggestemde verwachtingen zijn niet vervuld. Ook wij zullen moeten leren dat niet al onze verwachtingen vervuld worden. Of toch wél? Maar dan in ieder geval anders dan wij hebben gemeend. Al blijft het winter, toch mag men blijven hopen. Ook dan is het leven er, zij het onder het kleed van de dood. En dat leven kan niet sterven. Alle golven, ook die van het Getuigenis, lopen eenmaal uit op hét Strand.
J. van der Graaf: Het Getuigenis: motief en effect. Uitgave J. H. Kok, Kampen; 131 pagina's; ƒ 11, 90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's