De eer is weg
En zij zei: de eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël. 1 Samuel 4 vs. 22
Ikabod. Weg heerlijkheid, weg eer! De doodsklok wordt geluid, bij de geboorte van dit kind, dat vader noch moeder ooit zal kennen. Maar engelen grijpen naar het klokketouw, zij luiden straks een nieuwe tijd in; de klanken tuimelen door de nachtelijke stilte, wekken de herders, roepen ons kerkwaarts. Advent! Heerlijkheid. Hij komt. Dat lassen we even in, anders denkt u misschien: wat heeft dit alles met advent te maken? Het heeft ermee te maken, we komen van dit kraambed, tot de kribbe, tot het kind!
Weg heerlijkheid. De ark is weg. God is weg. Zo ziet ze het, zo zegt ze het. Wij mogen geen magisch of mechanisch verband leggen tussen de ark en de Heere, zoals de Filistijnen dat deden toen ze riepen: God is in het leger gekomen. De ark mogen wij niet vereenzelvigen met God. Israël deed dat tot op zekere hoogte ook: Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des Heeren en laat die in ons midden komen om ons te verlossen uit de hand van onze vijanden. De Heere had daarmee geen genoegen genomen. Hij laat zich niet gebruiken, dat is Zijn eer te na. Maar nu de ark is weggevoerd voelt deze vrouw het zuiver aan: De heerlijkheid is weg. God trok zich terug. Hij is van Zijn volk geweken. Zijn heerlijkheid, dat is Hij zelf. De openbaring van God was de openbaring van Zijn heerlijkheid. Hoe opvallend, hoe indrukwekkend in de schepping, bij de wetgeving. Een vuur ging voor Zijn aangezicht heen. Vuur, verborgen in een wolk, de heerlijkheid, getemperd in de openbaring, anders was het voor geen mens te verdragen. De God van Israël is heerlijkheid.
Heerlijkheid in de ontmoeting met God. De ark wordt wel de troon Gods genoemd. Hij troonde, als 'Zijne heerlijkheid' in tent en tabernakel. Het was bovenaards en toch onder ons. De heerlijkheid van God verscheen in een lichtende wolk. Hij was er in oordeel en genade. Hij was er. Hij wilde ontmoet worden door schuldige mensen, die de schuld bedekt zagen onder het bloed der verzoening. Wie zou niet voor Zijn heerlijkheid beven? En, o wonder, Israël mocht erbij leven.
En wat nu? Weg openbaring, weg ontmoeting. Het heilige der heiligen is leeg; dat is de leegte waarin deze vrouw naar adem hijgt: Ikabod. Ze krijgt het er benauwd mee, tot stikkens toe benauwd. En de troost van de vrouwen te Silo is namaaktroost. Met haar kind is de Heere niet terug. Wat staat Israël nu nog te wachten?
Achter de naam schreit haar hart: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt. Wederkomen in Uw heerlijkheid, zodat de vijanden verstrooid worden en Uw volk U blijde begroet. Ze bidt met Mozes mee: Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden en Uw heerlijkheid over hun kinderen. Breek met Uw heerlijkheid door de wolken van schuld en oordeel heen, die loodzwaar en inktzwart boven Silo, boven Israël hangen. Ikabod.
Hoe moet iemand in deze duisternis leven, zich bewegen? Weg! Misschien verstaan we iets van de smart en de angst, die opklinken uit de naam. Wij hebben het er door onze zonden naar gemaakt, dat de Heere zich terugtrekt. Is de godsvervreemding in onze tijd daarvan geen gevolg? Zonder God in de wereld, dat is ontzettend. Een ontzettende levenswerkelijkheid. Daaraan kunnen we geen andere naam geven, dan de naam Ikabod. Geen mens kan ons troosten. Er is aan het leven geen eer te behalen, als de eer weg is. De 'kabod' en de 'shalom' zijn verre. Eer en vrede namen de wijk. Onze eigen schuld. De openbaring, de gemeenschap, de ontmoeting, kortom de heerlijkheid is weg. Zucht u daaronder? In deze adventstijd, in deze twintigste eeuw. Wij zullen ons aan heel wat ontberingen moeten gewennen, maar Gods heerlijkheid ontberen . . . Dan gaat het ons om een troostrijk teken van Gods tegenwoordigheid, een teken ons ten goede. Draaien we ons geen rad voor de ogen, het geldt veelszins onze gemeente, ons gezin. Waar is de Heere gebleven? Zijn tegenwoordigheid legde vroeger een glans over kerk en volk. En nu? Wat een grauwheid, die door vrome woorden niet wordt verholpen. Ze ligt over ons verspreid. Wat maakt de gemeente weinig indruk. De dienst van het Woord en van de sacramenten: de heerlijkheid ontbreekt. Ikabod.
Vrees niet! Hoor ik daar de vrouwen in Silo. Vrees niet want gij hebt een zoon gebaard — vs. 20 —. Ik hoor de engel in de velden van Bethlehem: Want zie u is heden geboren! Is de ark dan terug? De heerlijkheid is terug, zij omscheen de herders, zij was de weerglans van het Kerstwonder. De eer is weer terug: Ere zij God in de hoogste hemelen. De vrede is weer terug, het welbehagen. En het komt alles met het kind mee. Zo voorzegde Jeremia het: Zijn heerlijke zal uit Hem voortkomen. God keert bij ons in: Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Christus wordt geboren. Hij is de waarborg van Gods tegenwoordigheid. De ark, meer dan de ark. Hij is een verzoening voor onze zonden. En boven de verzoening, boven de kribbe, boven het kruis, troont God, Hij vertoont zich als een God van vergeving en verlossing.
Dat is de grote vreugde tegenover het grote verdriet. Zalig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden. Waar is God? Hier is Hij in al Zijn heerlijkheid. De geboorte van dit kind wil ons genezen van onze eenzaamheid. Het heet: Immanuel, met ons is God. We staan er niet alleen voor, we moeten er niet alleen door! Ik kom u niet aan boord met teksten en spreuken, met opwekkende woorden: gij hebt een zoon gebaard, als zou er van ons ooit iets komen, dat God weer bij ons terugbrengt. Ik mag u de Heere Jezus voorstellen, als u niet weet waar u het zoeken moet, als u God kwijt bent en Hem niet missen kunt. Als alles wat u aan troost geboden wordt, u geen troost kan bieden: Zie, hier is uw God. Vrees niet. Zo maakt de Heilige Geest ons door het Evangelie de geboorte van Christus bekend.
Halen we nu een dikke streep door die onheilspellende naam: Ikabod. Niet te haastig. Dit kind ligt niet in een stralend schijnsel van heerlijkheid. Het ligt in het donker. De kribbe: Ikabod. Het kruis: Ikabod. Zien we Hem aan, dan is er geen gedaante, geen heerlijkheid. Niets dat imponeert. Eerder iets dat ons irriteert. Zó zou God komen? Zo van heerlijkheid ontdaan. Inderdaad, dit kind wil die heerlijkheid kwijt, opdat deze geopenbaard zou worden aan alle vlees. Vlees staat schuldig tegenover God. Jezus gaat de weg van oordeel en dood. Hij kruipt de duisternis in, en roept: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten. Is de heerlijkheid dan toch weg? Wacht slechts drie dagen. De opstanding is voluit openbaring van Gods heerlijkheid, vol van genade en waarheid.
Vieren wij Zijn geboorte — en we worden ertoe uitgenodigd — dan verwonderen we ons over deze heerlijkheid. Dan gaat de heerlijkheid des Heeren over ons op, zoals de zon opgaat. En dat terwijl duisternis de volken bedekt. Een licht, zo groot, zo schoon. In dat licht wordt het leven, de naam van leven weer waard. We kunnen over veel klagen, en veel kan ons moeilijk vallen. Maar wie in Christus de eer terugkrijgt, diens leven is daardoor verheerlijkt. Het is een leven, waaraan de Heere Zijn heerlijkheid wil verlenen. Wij worden van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd, als door des Heeren Geest. Achteruit en toch vooruit. Schaarste, schamelheid, schande, het treedt alles aan het licht. Maar heerlijkheid en eer in Christus en door Christus.
Wie beweert daar: God is weg? Wij zullen niet hoog van de toren blazen, we zullen hem wel ten sterkste tegenspreken. Wij zullen de Heere danken voor Zijn lieve Zoon, voor alles wat in Hem van kracht is. Wij loven U, o God, wij loven dat Uw Naam nabij is, men vertelt Uw wonderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's