Uit de pers
De Christus-belijdenis opnieuw in het geding
De vraag: Wie is Jezus? Wat dunkt u van Hem? keert telkens weer terug. In de oudchristelijke kerk van de eerste eeuwen is er felle strijd geweest die geleid heeft tot de uitspraak van het concilie van Chalcedon: Waarachtig God en waarachtig mens. De belijdenis van de twee naturen in een Persoon wil het geheim het geheim laten, maar bedoelt tevens de troost van het Evangelie te prediken van Hem, die de Naam draagt: Immanuël, God is met ons. Deze belijdenis is met name sinds in de 18de eeuw het redelijk denken invloed kreeg steeds weer aangevochten. Jezus werd gezien als mens, profeet, rabbi, sociaal hervormer, moraalleraar, natuurliefhebber enz. Maar niet als de Zoon van God. De bijbelcritiek heeft juist de belijdenis van Chalcedon niet onaangetast gelaten
Er kwam een vrijzinnigheid op die tot op de huidige dag zijn spoor nalaat in het kerkelijk leven.-
Leek het er na 1945 op dat deze vrijzinnigheid veel van zijn vrijzinnige trekken verloor en onder invloed van Barth inzake de Christusbelijdenis de rechtzinnigheid naderde, men krijgt de indruk dat thans opnieuw een golf van modernisme ons overspoelt. Opnieuw staat de vraag: Wie is Jezus? in het brandpunt van de belangstelling.
Prof. dr. K. Runia schreef over deze zaak een drietal artikelen in het Centraal Weekblad van de Geref. Kerken, die tendele zijn overgenomen in Waarheid en Eenheid van 27 november. Ook Runia wijst op de hernieuwde belangstelling en aandacht voor de Christologie. Hij memoreert de vergadering van de europese afdeling van de Hervormde Wereldbond in Amsterdam gehouden, waar onder meer Berkhof over het thema: Wie zegt gij dat ik ben? gesproken heeft.
Nicea en Chalcedon
Runia gaat in op de christologische strijd in de oude kerk. Hij zegt hiervan onder meer:
Dé grote strijd over de Christologie is gevoerd in de oude kerk. We kunnen hier niet het hele verloop van deze strijd schetsen. Het zou veel te veel ruimte in beslag nemen. Trouwens het is ook een heel ingewikkelde zaak, omdat allerlei opinies tegenover elkaar stonden. We volstaan er dan ook mee te wijzen op de twee grote beslissingen, die genomen zijn door twee van de zgn. oecumenische concilies.
De eerste beslissing viel op het Concilie van Nicea in 325. Daar werd uitgesproken: Jezus is de Zoon van God in de volle zin des woords. Het kernwoord was 'homo-ousios', d.w.z. van het zelfde wezen met de Vader. Later werd het in de zgn. Geloofsbelijdenis van Nicea (we spreken van zgn., omdat deze belijdenis in de vorm waarin wij ze nu kennen niet van Nicea, maar van het er opvolgende Concilie van Constantinopel uit 381 is) zo gezegd: 'Ik geloof in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen; God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet gemaakt, van hetzelfde wezen met de Vader, door Wie alle dingen gemaakt zijn'. Tegelijk werd ook nadrukkelijk gezegd, dat Hij echt mens was: 'vlees geworden van de Heilige Geest uit de maagd Maria en een mens geworden'. Nicea beleed zo: waarachtig God én waarachtig mens.
Maar dat riep onmiddellijk weer nieuwe vragen op. Hoe verhouden deze twee uitspraken zich? Op die vraag heeft het Concilie van Chalcedon in 451 een antwoord gegeven door te spreken van één Persoon met twee naturen: een goddelijke en een menselijke natuur. En van die twee naturen werd dan verder gezegd dat ze 'onvermengd, onveranderd, ongedeeld en ongescheiden' waren . . . . . De kerk heeft altijd wel beseft dat dit ook maar een zeer gebrekkige formulering was. Ze was te diep doordrongen van het feit dat het wezen van Jezus Christus een mysterie is. Chalcedon zei het dan eigenlijk ook hoofdzakelijk in negatieve vorm. Het wees a.h.w. de grenzen aan waarbinnen het mysterie ligt. Maar tegelijk was het er ook heilig van overtuigd dat dit toch, in alle gebrekkigheid van formulering, de waarheid over Jezus is: Hij is waarachtig mens in één persoon.
Terecht wijst de Kamper Hoogleraar erop dat de kerk zich in de volgende eeuwen aan de uitspraken van Nicea en Chalcedon gehouden heeft. De breuk in de 16de eeuw b.v. was geen breuk inzake de Christologische belijdenis. Rome en de Reformatie hielden beiden aan Chalcedon vast.
In de 18de en 19de eeuw komt er critiek op van vrijzinnige zijde, maar — zo zegt Runia — de kerken zelf hielden in hun officiële belijdenissen aan de oude dogma's vast. Juist de Christusbelijdenis was het shibbolet tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen.
Veranderde situatie
In de laatste tijd zien we een verandering optreden. Van rechtzinnige zijden horen we beschouwingen waarin het christologisch dogma wordt tegengesproken. Die situatie is des te merkwaardiger als we even teruggaan naar de jaren kort na wereldoorlog II. Toen verscheen het boek van prof. dr. G. Sevenster, Christologie van het Nieuwe Testament waarin eigenlijk werd aangetoond dat de oud-kerkelijke Christusbelijdenis rust in het N.T. en in het zelfgetuigenis van Jezus. Sevensters boek heeft veel invloed gehad en wordt nog altijd door velen met dankbaarheid gebruikt.
Maar velen die men tot dusver allerminst als vrijzinnig beschouwde laten nu andere geluiden horen. Runia wijst in zijn artikelen op het volgende:
Enkele maanden geleden hebben we gewezen op het boek van mevr. E. Flesseman-van Leer 'Geloven vandaag'. In deze beknopte dogmatiek komt ook de Christologie ter sprake en daarmee ook de belijdenis van de oude kerk: Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig mens. Hoewel ze de bedoeling van deze belijdenis waardeert en ook gelooft dat deze belijdenis de kerk heeft bewaard voor afglijdingen, waarin het heil niet duidelijk zou doorklinken, heeft ze er toch grote bezwaren tegen.
Men krijgt n.l. zo de indruk, dat Jezus enerzijds een menselijke kant en anderzijds een goddelijke kant had, dat hij mens was en bovendien, daarbij opgeteld, ook nog God. Ze wil dan ook de formule 'God en mens' laten vallen en in plaats daarvan spreken van Gods tegenwoordigheid IN deze mens. De naam 'Zoon van God', die door de nieuwtestamentische gemeente aan Jezus gegeven werd, wil dan ook alleen maar wijzen op de exceptionele band van God met juist deze mens.
Even later zegt ze het zo: 'Omdat Jezus in deze volstrekte verbondenheid met God heeft geleefd, wil God ook volledig samen met hem zijn. Omdat Jezus zo volkomen ware mens is, is God ook één met hem. Wij kunnen over Jezus Christus alleen maar met twee woorden spreken. In hem worden wij geconfronteerd met een mens die zijn God-gegeven bestemming van mens-zijn gerealiseerd heeft — en in hem worden wij tegelijkertijd met God geconfronteerd' . . . . .
Volgens het verslag in Trouw is prof. Berkhof van Leiden in zijn referaat op de conferentie van de Europese afdeling van de Hervormde Wereldbond tot dezelfde conclusie gekomen. Zijn inleiding liep uit op de volgende persoonlijke belijdenis: 'Gij zijt de ware Mens, zoals God u van den beginne bedoeld had: de ware, gehoorzame Zoon, de mens van liefde, de ene, die tot in de volle consequenties bereid was, zijn leven niet te behouden maar te verliezen voor anderen, en die door dat uitzonderlijke leven van liefde en gehoorzaamheid in onze wereld de tegenbeweging van opstanding begonnen is. En als de ware Mens zijt Gij de Mens van de Toekomst. Gij zijt niet maar een vreemde uitzondering, die alleen een aanklacht jegens ons zou betekenen. God heeft u gegeven als de Baanbreker en Voorbode, als de Waarborg, dat door uw offer, uw opstanding en uw geest de toekomst geopend wordt voor ons, hardnekkig en verslaafde mensen?'
Hoewel Runia Berkhofs woorden geweldige woorden vindt, zegt hij tegelijk, dat dit toch anders is dan wat de kerk altijd heeft beleden.
Alle nadruk wordt gelegd op Jezus' mens-zijn. Sterker nog: Jezus is alleen maar mens. Men zegt dat in Hem de liefde Gods persoon geworden is en dat Hij daarom de 'Zoon van God' genoemd kan worden, maar deze uitdrukkingen moeten niet letterlijk, maar figuurlijk genomen worden. In het 'Nieuwe Geloofsboek', dat dit jaar in Duitsland gepubliceerd is, wordt het zo gezegd: 'God en zijn liefde zijn juist daardoor persoon geworden in Jezus, doordat hij zich in volkomen menselijke openheid en overgave door God liet grijpen'.
In het algemeen kan men zeggen, dat de nieuwere theologie zich niet meer kan vinden in het antwoord dat de oude kerk op het Concilie van Chalcedon in 451 gaf. Men heeft ongetwijfeld veel waardering voor de bedoeling van het concilie, maar de termen, die toen gebruikt werden, spreken de moderne mens helemaal niet meer aan. Het waren niet alleen Griekse termen, maar ze kwamen ook uit een bepaald filosofisch klimaat, dat vooral geïnteresseerd was in het 'wezen' van de dingen. Het was dus een statische vorm van denken, terwijl wij in onze moderne tijd vooral 'funktioneel' denken. Niet: wat is iets, maar hoe werkt het, wat doet het. Wij missen daarom (volgens Berkhof in Trouw) in de uitspraak van Chalcedon Christus' werk voor ons.
Chalcedon en het Nieuwe Testament
Prof. Runia wijst de beschuldiging als zou erop het concilie van Chalcedon speculatief en onbijbels over Jezus Christus gesproken zijn af. Ook acht hij het onjuist hier te spreken van wijsgerige overwoekering van het bijbels getuigenis. Men heeft juist gehoorzaam willen weergeven wat het N.T. zegt over Jezus Christus.
Hoe komt men dan toch tot die andere visie? Runia zegt in dat verband:
De reden lijkt me, dat zij a.h.w. aan het andere eind beginnen, nl. bij de historische Jezus, zoals die met name in de eerste drie evangeliën getekend wordt.
Daar wordt Jezus getekend als de van God gegeven messias. Het woord messias duidt Hem niet aan als een bovenaards figuur, maar juist als de mens Jezus van Nazareth is hij de messias.
Als we hem volgen op zijn levensweg, dan zien we hoe die uitloopt op het kruis, waar hij zich volkomen opoffert en ondanks alles aan God vasthoudt en in liefde blijft openstaan voor zijn medemensen. Juist daarom is zijn leven niet een mislukking, want God kiest partij voor hem en wekt hem op en bewijst zo zijn trouw aan Jezus en in hem aan alle mensen. (. . .)
Wat we in het bovenstaande in zeer verkorte vorm hebben weergegeven, is ongetwijfeld in overeenstemming met het Nieuwe Testament zelf. Men zou hier b.v. kunnen verwijzen naar wat Paulus schrijft aan het begin van de brief aan de Romeinen:
'Het grote nieuws van God . . . gaat over zljn Zoon, over Jezus Christus, onze Heer. Gewoon menselijk bekeken werd hij geboren als een afstammeling van David; onder belichting van de Heilige Geest bleek hij de triomferende Zoon van God te zijn, doordat hij opstond uit de dood'. (Vert. Groot Nieuws voor u alleen).
Is dat alles wat het Nieuwe Testament zegt over Jezus? Gaat het niet veel verder en veel dieper? Als we het hele Nieuwe Testament bestuderen, dan zien we dat de apostel onder de leiding van de Heilige Geest, die hun door Jezus zelf beloofd was (vgl Joh. 14—16), hebben nagedacht over de vraag wie Jezus was en ze hebben daar hoe langer hoe groter diepten ontdekt. Jezus is niet alleen de Zoon geworden door de opstanding, maar Hij was ook al de Zoon vóór de opstanding. Zijn Zoonschap is bijv. ook al verbonden met het gebeuren van zijn doop door Johannes, toen de stem uit de wolk sprak: 'Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb'. Ja, we moeten nog verder terug nl. naar zijn geboorte, als door de engel Gabriel gezegd wordt: 'Daarom zal het heilige dat verwekt wordt Gods Zoon genoemd worden'. (Luk. 1:35).
We moeten zelfs nog verder terug, naar de diepten van de eeuwigheid Gods. Vanaf alle eeuwigheid is Hij de Zoon van God. In dit verband spreken we dan vaak van 'praeëxistentie' van Jezus (zijn vóórbestaan). Dit is maar niet een geïsoleerde gedachte in het Nieuwe Testament, maar we vinden haar telkens weer terug, b.v. in Phil. 2: 5vv, Col 1: 15— 17; Joh. 1: 1—3; Hebr. 1: 1—3. Maar in feite komt ze ook in de eerste drie evangeliën voor, want ook daar lezen we telkens weer Jezus' eigen woord: Ik ben gekomen'.
Op pag. 230 wordt gezegd, dat in de gedachte van de praeëxistentie van Jezus 'mythologische voorstellingen van die tijd hebben meegeschreven'. We moeten deze woorden dan ook niet letterlijk nemen, maar zien als aanduiding van de universele betekenis van Jezus in schepping en herschepping.
Om eerlijk te zijn vind ik dit een te goedkope 'oplossing'.
Op welke grond noemt men dit alles 'mythologisch'? Is dit Griekse mythologie? Maar dan staat daartegenover het keiharde feit, dat al die bovengenoemde teksten niet door Grieken, maar door volbloed Joden geschreven zijn. Juist aan het Joodse denken is de hele gedachte van een menswording Gods volkomen vreemd. En toch hebben juist Joodse schrijvers gesproken van de praeëxistentie van Jezus als de eeuwige Zoon van God. Om die redenen alleen al zullen we hun woorden bijzonder ernstig moeten nemen.
Zeker, de formuleringen van Chalcedon zijn niet volmaakt of heilig. Het is een poging om het geheim van Jezus uit te zeggen. Maar we kunnen er niet achter terug. Runia citeert in dit verband Berkouwer die in zijn boek De Persoon van Christus op blz. 135 schrijft: Wie de belijdenis der praeëxistentie van Christus aantast, tast ook altijd het geheimenis van Christus aan en verliest de achtergrond van al die woorden van Christus die in het N. T. met dit geheimenis onlosmakelijk verbonden zijn'.
De Christus der Schriften
Ten diepste hangt de strijd om de Christusbelijdenis samen met de visie op de Schrift. Hoe zien we de Bijbel? Als het boek van Gods openbaring of als menselijk, feilbaar getuigenis. Runia schrijft over hen die een andere visie op Christus bepleiten:
Ook zij zien haar wel als een onmisbaar getuigenis, maar uiteindelijk is ze in zichzelf niet meer dan een menselijk getuigenis. Ze is een poging van de jonge kerk om te verwoorden wat ze in Jezus gezien heeft. Natuurlijk moeten we nauwkeurig luisteren naar deze getuigen, want ze zijn de orginele getuigen, maar uiteindelijk zullen we zelf in onze tijd moeten verwoorden wat wij zien.
Volgens het verslag in Trouw heeft Prof. Berkhof het zo gesteld: 'De eerste gemeente in Palestina heeft met de vraag geworsteld. In het nieuwe testament worden aan Jezus veel titels gegeven: Zoon des mensen, Messias, Zoon van God, Heer, Woord, maar stuk voor stuk zijn ze toch onvoldoende om alles te zeggen. Jezus biedt geen christologie. Hij biedt zichzelf. En Hij nodigt ons uit, de naam te zoeken, waardoor wij kunnen belijden wat Hij voor ons betekent'.
Met dat laatste kunnen we het volkomen eens zijn. Inderdaad zullen wij het opnieuw moeten uitdrukken in woorden van onze tijd. Maar wel rijst hier natuurlijk de vraag: wat is het gezag van het apostolisch getuigenis voor ons? Is het normatief in de zin dat wij er aan gebonden zijn, of is het alleen maar normatief in de zin dat het ons de richting aanwijst? Wie het laatste aanneemt, zal misschien mee kunnen gaan met de nieuwe christologie. Wie het eerste aanvaardt zal er m.i. afwijzend tegenover moeten staan, omdat hier uiteindelijk toch wel heel wat anders en heel wat minder wordt gezegd dan in het Nieuwe Testament.
De oude kerk heeft met deze vragen geworsteld omdat voor haar besef het hele evangelie hier op het spel stond. Ik geloof, dat dit in principe juist is. Wij kunnen alleen maar door God Zelf verlost worden (. . .)
Natuurlijk ontkennen we niet, dat mensen als Berkhof, Jezus zien als Verlosser en Redder. Er is in hun visie niets te bespeuren van het platte en vlakke moralisme van de oude vrijzinnige theologie voor wie Jezus alleen maar de grote Leraar en het grote Voorbeeld was. Tegelijk moeten we toch wel zeggen, dat deze nieuwe christologie zich beweegt op een lijn, die heel gemakkelijk kan uitlopen op dergelijke aberraties. Als Jezus niet meer gezien wordt als de eeuwige Zoon van God, die om ons en om onze zonde mens is geworden, maar alleen maar als de 'ware mens', dan zijn de diepste zekeringen tegen een dergelijk afglijden verwijderd.
Normatief of richtinggevend. Zo kan men inderdaad het verschil aangeven. Bovendien meen ik dat in het spreken van Berkhof e.a. zich ook verraadt dat zij de historisch-critische methode volgens welke allerlei Christologische titels op rekening van gemeente gezet worden als menselijke getuigenissen, volledig in hun dogmatisch denken integreren. En wat de vraag van het heil aangaat, zeker bij Berkhof e.a. is van het negentiende eeuwse moralisme niets te bespeuren. Toch is het de vraag of bij zijn beschouwing de visie op het heil niet in die zin veranderd is, dat zijn beschouwing over Jezus als de ware Mens van de Toekomst gemakkelijk een brug kan slaan naar een maatschappijcritische theologie, waarin het heil totaal binnenwerelds opgevat wordt.
Is Jezus Christus bij de door Berkhof voorgedragen beschouwing nog wel de Verzoener van onze schuld, Die in onze plaats de straf gedragen heeft of is Hij de Voltooier die ons meeneemt in een evolutionistisch opgevat bevrijdingsproces?
De visie op Jezus, Zijn persoon en werk hangt onlosmakelijk samen met de 'visie op de aard van het heil. Terecht schrijft Runia dat het én in Nicea en in Chalcedon ging om de Christologie die in 2 Cor. 8 : 9 aan de orde komt: Hij die rijk was is om onzentwil arm geworden opdat wij door zijn armoede rijk zouden worden.
Dat is allerminst speculatief. Trouwens wie zich verdiept in de opvattingen van Pannenberg en Moltmann b.v. ontdekt hoezeer de filosofie van Hegel model staat voor dit Christologisch denken. Juist deze beschouwingen doen in hoge mate speculatief aan. De kerk doet er goed aan ter wille van de evangelieverkondiging en de schriftuurlijke prediking de wacht te betrekken bij de klassieke Christusbelijdenis, die het geheim van de Christus der Schriften gehoorzaam heeft pogen te verwoorden. Met minder kunnen we niet toe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's