De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gebed

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gebed

De voorbede 1

6 minuten leestijd

Zowel in het persoonlijke als in het gemeenschappelijke gebed neemt de voorbede een belangrijke plaats in. Zij is een combinatie van geloof en liefde. Van geloof, omdat enkeling en gemeenschap alles in Gods hand leggen en van Hem alle goeds verwachten, ook voor anderen. Van liefde, omdat de voorbede wel een vraaggebed is, maar zonder dat hier plaats kan zijn voor het verwijt van zelfzucht, die men vaak aan het vragende gebed ten laste legt. In de voorbede begeert de bidder, dat wat God geeft aan anderen ten goede zal komen.
We kunnen zelfs zeggen, dat een zeer groot deel van de gebeden, die we in de Bijbel tegenkomen, uit voorbeden bestaan. Enige voorbeelden moge ik u voor de geest roepen.

Ik denk aan het bidden van Abram voor Sodom en de andere steden in de vlakte. Als er al een persoonlijk element in zit, dan geldt dit zijn neef Loth, die maar al te gretig het schijnbaar goede deel koos. Maar het zwaartepunt ligt in Abrams gebed niet op de bloedverwantschap, maar op de rechtvaardigen, die in Sodom misschien te vinden zouden zijn.

Een andere grote gebedsgestalte in het Oude Testament is Mozes. We kennen zijn bidden uit de op zijn naam staande 90ste psalm, die als opschrift heeft 'een gebed van Mozes, de man Gods'. We horen daarin de diepe tonen van ontzag voor God, besef van nietigheid en schuld tegenover God, maar ook van vertrouwen op die God, die een Toevlucht is van geslacht tot geslacht. Maar toch zien wij hem in de zg. boeken van Mozes vooral als de man, die voor het volk Israël staat te pleiten, zelfs met inzet van eigen ziel en zaligheid, voor een volk tegenover hem persoonlijk zo onhandelbaar en ondankbaar! In Deuteronomium 25: 25 v.v. vertelt Mozes van een gebedsperiode van 40 dagen en nachten, waarin hij geknield lag voor Gods aangezicht, biddende om ontferming voor het volk en pleitende op de Naam des Heeren.

In Ps. 99 wordt naast Mozes ook Samuel genoemd. En ook in Jeremia 15 worden én Mozes én Samuël genoemd als mannen, wier leven boven dat van anderen uitsteekt vanwege hun veelvoudig en volhardend pleitend bidden voor hun volk.

Salomo's gebed bij de inwijding van de tempel is eigenlijk één stuk voorbede. Zelfs de koning, Darius, begeert dat de Joden in de tempel bij hun offeranden zullen bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen (Ezra 6: 10). Nehemia's leven wordt gestempeld door gebed, maar dan toch ook speciaal voor het volk, dat hem lief is. Wie denkt niet aan Daniels bidden? (Dan. 6: 11, 9: 4, 20, 21). De profeten bidden zelfs voor hun volk, wanneer het Gods oordeel verdient. God moet het hun zelfs expres verbieden, willen zij het laten (Jeremia 7: 16, 11: 14, 14: 19—15:1).

We horen de psalmdichters vragen: O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden' (Ps. 25: 22). En in Davids boetepsalm: Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen' (Ps. 51: 20).

Voor anderen
Een groot deel van de geschiedenissen, waarin verteld wordt van mannen en vrouwen, die in het geloof tot Jezus Christus de toevlucht namen om hulp, concentreert zich rondom het bidden voor anderen. De hoofdman van Kapernaüm roept Jezus' hulp in voor zijn knecht, de koninklijke hoveling voor zijn zoon, Jaïrus voor zijn dochtertje, evenals de Kananese vrouw voor het hare, Maria en Martha voor Lazarus en de vader, die aan de voet van de berg der verheerlijking de genezing komt zoeken, doet dat voor zijn maanzieke jongen. Wij zijn gewoon bij deze geschiedenissen te wijzen op het persoonlijke geloof van deze mannen en vrouwen, hoe dit zich uit en hoe het beproefd wordt. Daarbij komt de liefde, die hun harten vervulde en de genezing, waarin Christus Zijn heerlijkheid en Zijn barmhartigheid openbaarde, menigmaal in de schaduw.
Jezus' eigen bidden is grotendeels voorbidding. Zo staat Hij biddend aan Lazarus' graf. En wat is het hogepriesterlijk gebed anders dan één pleitend bidden voor Zijn discipelen en voor Zijn Kerk van alle eeuwen?
In Zijn spoor bidt Stephanus niet alleen voor zichzelf: Heere Jezus, ontvang mijn geest; maar ook voor degenen, die hem stenigen: Heere, reken hun deze zonde niet toe.
Als Petrus op wonderbare wijze uit de diepste kerker verlost wordt, dan gaat dat niet buiten het gebed van de Jeruzalemse gemeente om. En als we de brieven van Paulus lezen, dan valt ons op dat het gebed daarin vooral voorkomt als wederkerige voorbede. De apostel gedenkt zijn gemeenten in zijn gebeden. Maar omgekeerd ziet hij, dat de gemeente met hem mede-arbeidt door het gebed (2 Cor. 1: 11). En Jacobus spreekt over het veelvermogende van het gebed des rechtvaardigen. Maar dan ook al weer in verband met anderen. Hij wijst op Elia, al blijkt ook in dat voorbidden de zaak des Heeren het voornaamste oogmerk te zijn.
God beveelt vaak rechtstreeks de voorbede. Merkwaardig is te lezen, dat Abram voor Abimélech, de koning van Gerar, moet bidden, hoewel Abram schuldig en Abimélech onschuldig was (Gen. 20: 7, 17). Opmerkelijk is ook hoe Job voor zijn hoogwijze en zeer vrome vrienden naar Gods wil moet bidden (Job 42: 8). Jezus leert ons zelfs bidden voor degenen, die ons geweld aandoen en ons vervolgen (Matth. 5: 44). De Heere des oogstes betrekt het gebed van de Zijnen bij het uitstoten van arbeiders in Zijn oogst (Matth. 9: 38).
Wondermooi is Samuels woord, als hij al oud is geworden en eigenlijk door het volk opzij gezet. Hij legt getuigenis af van zijn veel jarige leiding en vermaant het volk. En dan zegt hij dit treffende woord: Want ook wat mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den Heere zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden' (1 Sam. 12: 23). Niet voorbidden klaagt ons aan, omdat het ons of aan geloof of aan liefde, of aan beide schort. De liefde tot de zaak des Heeren vormt bij de grote voorbidders in de Schrift altijd de diepe achtergrond: Wat zult Gij dan Uw grote Naam doen?' vraagt Jozua (Jozua 7: 9). Hier is een diepe eenheid tussen de liefde voor de God van Israël en de liefde voor dat volk zelf. En niet anders is het bij Paulus' voorbede voor zijn gemeenten.
Hilversum                                                                C. van der Wal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het gebed

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's