Op de grens
We passeren de grens tussen 1973 en 1974 in een toegespitste probleemsituatie. We zijn er plotseling aan herinnerd, dat onze menselijke mogelijkheden óók een grens hebben. Als een olievlek grijpt de oliecrisis om zich heen en we kijken tegen een toekomst aan, waarin we het zuiniger aan moeten gaan doen. Op zich is dat geen ramp want we kunnen, of we het prettig vinden of niet, echt wel heel wat stappen terug doen. Maar ieder voelt dat er op één of andere wijze meer aan de hand is dan een nijpend energietekort. Daarvoor kwam de wending in de situatie te veel van de ene dag op de andere. Daarvoor kwam het te zeer in direct verband met de Midden-Oostencrisis.
God erbuiten?
Jongeling heeft gezegd, dat, korte tijd nadat onze regering publiekelijk getoond had het zonder God te kunnen stellen, God heeft laten zien dat Hij er is en dat het wereldbestuur in Zijn handen ligt. Deze publieke uitspraak heeft hem nogal wat kritiek bezorgd. Men heeft bijvoorbeeld gezegd, dat alléén deze opmerking van Jongeling al duidelijk maakt waarom de Naam van God uit de Troonrede moest worden geschrapt. Maar Jongeling had gelijk. Als we dat niet meer zeggen mogen, wat mogen we publiekelijk dan eigenlijk nog wel zeggen, ik bedoel als het gaat over Gods bestuur en Gods leiding inzake het wereldgebeuren? Liggen de draden van het wereldbestuur, ook van de ontwikkelingen in ons land niet in Zijn hand? Wij mogen dan menen buiten Hem te kunnen, maar God toont dat wij niet buiten Hem mógen kunnen. Ook in de toegespitste wereldsituatie van nu is Zijn hand. De Bijbel is er vol van dat de ontwikkelingen in een volk zodanig kunnen zijn, dat alles rijpt voor het oordeel. Het verlaten van God geschiedt immers nimmer straffeloos! Zou dat vandaag minder gelden dan toen eeuwen geleden Israël zijn God verliet en daarvoor de vergelding ontving? Dat te denken zou betekenen, dat we Gods handelen ten gerichte opsluiten in een tijd die voorbij is, b.v. de tijd van het Oude Testament. Maar ook wat dit betreft geldt dat God gisteren en heden Dezelfde is.
Niet een zaak van één man
Ik meen intussen dat we op moeten passen, dat we in de situatie, waarin we ons nu bevinden, niet één man tot zondebok gaan maken, in dit geval dan premier Den Uyl. O zeker, hij is verantwoordelijk voor zijn daden, juist als premier. Hij is verantwoordelijk voor het feit, dat onder zijn regering Gods Naam uit de Troonrede werd geschrapt. Maar premier Den Uyl zit niet namens zichzelf op de stoel, waarop hij zit; hij zit er namens een volk, ook al is het maar een deel van het volk waarop hij terug kan vallen. Ik bedoel: de regering die we hebben is er niet zómaar gekomen. Het is de vrucht van een ontwikkeling in ons volksleven. Het weglaten van de Naam van God is toch ook geen zaak van de ene dag op de andere? Daarheen heeft immers de hele ontwikkeling in ons volksleven gestuwd? Of leeft de erkenning van de Naam van God nog onder ons volk? We weten beter. We hebben als Nederlandse vólk God uit de Troonrede geschrapt. Het kabinet Den Uyl was slechts uitvoerder van de volkswil, hoezeer er ook nog een groot deel van het volk zijn mag dat God ook publiekelijk wil erkennen en dienen.
Hebben we als volk anders gedaan dan van jaar op jaar de schuld vergroten? Wanneer mensen, die tien jaar geleden overleden zijn, nu de ogen zouden opslaan, zouden ze dan niet bemerken dat in zo'n kort tijdsbestek de Umwertung aller Werte (vrij vertaald het omverwerpen van alle waarden) onheilspellende vormen heeft aangenomen? Waarmee bezwangeren we de lucht in ons goede vaderland? Ik bedoel dan niet alleen letterlijk de milieuvervuiling — want óók hier ligt een schuld in het bederf van Gods schepping — maar ook de geestelijke vergiftiging van ons volk door al die luchtkanalen, die de zenders van radio en t.v. ter beschikking staan. Draai op een willekeurig uur de knop van de radio om en de vulgariteiten en banaliteiten, om van erger te zwijgen, zijn niet van de lucht, de goede uitzonderingen uiteraard daargelaten. De programmamakers presenteren wat voortkomt uit troebele bronnen en spelen op volkssentimenten van de laagste soort. Het taalgebruik is vaak al tekenend voor het niveau, waarop we als volk terechtgekomen zijn. Terwijl zich hier verder ook geesten brééd maken, die een verregaande degeneratie van ons volksleven teweegbrengen. Wat kan er allemaal niet mee door? Elk normbesef is zoek en we bemerken dat ons volk steeds verder afglijdt van de geboden van God. Toen ds. J. W. van der Hoeven ons wijzen kwam op deze toestand van degeneratie, waarin we ons bevinden, werd van allerlei zijden gezegd: vrede, vrede geen gevaar! Maar intussen zien we dat we van de ene op de andere dag in een crisissituatie kunnen komen. God is er óók nog!
In deze situatie zijn we er dan echter niet bij gebaat en zijn we ook niet op onze plaats als we één man of enkele personen als verantwoordelijk voor bepaalde daden gaan stellen. Gemeenschappelijke verootmoediging is nodig. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Als vólk verlieten we God. Daarom heeft God alle reden om ons te verlaten. Ik meen dat er ook dit moet zijn: als Den Uyl niet meer bidden kan, ik bedoel ook: niet meer God erkennen kan als degene in Wiens hand alle dingen zijn, laten dan zij die de kracht van het gebed kennen bidden voor hém; als ons vólk niet meer bidden kan laten wij dan bidden voor ons vólk.
De kerk
De kerk is er ook nog, ondanks alles. De kerk is nog gelaten onder ons volk als een teken van Gods trouw. Als ons volk dan niet meer bidden kan, of als onze regering dan niet meer God erkennen kan, laat de kerk dan bidden voor het volk en voor de overheid, met kracht en bewogenheid. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel. Er is vanuit de kerk ook zoiets als politieke voorbede. Het gebed voor overheid en samenleving is niet niets. Het is de kurk waarop de samenleving drijven mag. God wilde Sodom sparen terwille van tot tien rechtvaardigen toe. Vanuit de kerk mag er het gebed zijn of God in de toorn aan Zijn ontfermen wil gedenken. Wanneer de kerk zó trouw aan haar roeping is mag er nog hoop zijn, ook in ontkerstenende en verwereldlijkte situaties als de onze. De kerk mag er nog zijn. Ze is nog niet weg, al is er veel dat bezorgd maakt.
Als we de drempel van het nieuwe jaar overgaan dan kunnen we terugziende op het oude jaar niet zeggen dat het kerkelijk leven een opleving vertoonde. Maar toch, ook het jaar 1973 was een jaar onzes Heeren. Ook in dat jaar was Gods hand in de geschiedenis. Ook in de kerkgeschiedenis. Zijn hand was erin als er toch óók in het afgelopen jaar tekenen van nieuw leven lagen, als er nieuwe dienaren des Woords kwamen, als er gezaghebbend vanuit de Schrift gesproken mocht worden, als er samenwerkingen op gang kwamen tussen kerken en groeperingen die zich geestelijk verwant weten, als er ook onder jongeren sprake was van vernieuwde belangstelling voor de dienst des Heeren, als er in verdorde situaties toch opnieuw gemeentelijk leven opbloeide. Gods hand was er ook als we getroffen werden in de kerken door het verlies van mannen, die we niet missen konden, van mannen die leiding gaven en zich een grote plaats verworven hadden onder ons volk. Maar Gods hand was er ook als, ondanks verliezen die geleden werden, het werk voortgang mocht vinden en anderen op de gebaande wegen verder mochten gaan.
Als we de toekomst in zien dan weten we dat er alleen hoop is wanneer de kerk aan haar roeping getrouw is en zij spreekt naar het Woord. Zo niet dan is er geen dageraad, voor de kerk niet en voor de samenleving niet. God geeft ons nog de mogelijkheden om bezig te zijn in Zijn dienst.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's