De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Pastorale overwegingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pastorale overwegingen

Heilig, heiligen en heiligmaking 5

5 minuten leestijd

De volharding der heiligen
Als een der geschilpunten tussen Rome en de Reformatie komt naar voren, dat bij Rome de heilszekerheid ontbreekt. De priester beveelt ten laatste de stervende in de hoede Gods aan. Men kan niet zeker weten dat men behouden is. Op het laatst kan een doodzonde plaatsvinden. Men kan de genade totaal verliezen.
Daartegenover belijden de kerken der Hervorming de zekerheid des heils. Het kan niet zijn, dat iemand, die het waarachtig geloof door genade deelachtig werd weer afvalt.
Op talrijke plaatsen wijst de Schrift erop dat de gelovigen moeten volharden tot het einde toe. Christus roept ertoe op in Matth. 24: 13; Hij zegt dat de Zijnen moeten blijven in Hem en in Zijn liefde (Joh. 15: 1—10). In het laatste bijbelboek, om nog een plaats te noemen, wordt de gemeente opgewekt om getrouw te zijn tot de dood (Openbaring 2: 10). Bij de volharding der heiligen is het niet de vraag of deze volharding een daad van de (herboren) mens is, wel, of God het aangevangen genade-werk voltooit. En God staat in voor Zijn werk.
Zeker, de zonden maken scheiding tussen God en de ziel. Zeker, een onreine gedachte, een verkeerde opwelling is reeds genoeg om de vrede weg te bannen uit het gemoed. Zeker, de vrijmoedigheid in het geloof kan zich terugtrekken, de troost minder dan voorheen ervaren worden. Zeker, God verbergt soms Zijn aangezicht voor Zijn kinderen en dan is het in alle beproeving schrik van rondom. En toch werkt de Heere door Zijn kinderen heen het wondere werk der volharding. Daar is de gouden keten, waarvan in Romeinen 8 zo heerlijk wordt getuigd. Me dunkt, treffend juist zegt H. Bavinck, Geref. Dogmatiek deel IV blz. 290, dat als iemand uit de vermaningen van de Schrift tot volharding opmaakt, dat dus blijkbaar de genade totaal verloren kan worden, men evenzo uit de verzoeking van de Heere Jezus zou kunnen besluiten, dat Hij zou kunnen zondigen.
Wel voltrekt zich de volharding langs het gelovig gebruik der middelen, als daar zijn: de trouw onder de prediking van het Evangelie, het gepast gebruik der sacramenten, de omgang met de Schrift, het leven des gebeds.

Toch geen afval?
Maar zegt men, daar is toch een Demas geweest; aanvankelijk door Paulus als een broeder en mede-arbeider gezien, die later de wereld weer liefkreeg, en Paulus in de steek liet? En huiveren we niet, als er sprake is van het kwaad, dat een zekere Alexander berokkende? Spreekt Paulus er niet van dat in de laatste tijden sommigen van het geloof zullen afvallen (1 Tim. 4: 1) en waarschuwt Petrus niet heel ernstig tegen de opkomst van valse leraars (2 Pt. 2: 1)? Maar vooral de aangrijpende woorden uit Hebreeën 6: 4 v.v. waarin staat, dat die afvielen nooit meer tot bekering kunnen komen doen twijfelen aan de zekerheid des heils.
Nu moeten degenen die de mogelijkheid van algehele afval van het geloof leren zich ook met deze tekst wel in allerlei bochten wringen en van een zeer bijzondere zonde gewag maken, om hun gevoelen te staven.
Nu is niet bewijsbaar dat Demas, Alexander en de genoemde anderen werkelijk genade hebben gekend. Daar is immers ook een algemene genade, een algemene werking en overtuiging van de Heilige Geest. Daarbij kan veel genoten-ervaren worden: smaak in het woord, verlichting van het verstand, ijver voor de waarheid, zoals Hebreeën 6 leert.
Daarentegen wordt bij de zaligmakende werking gekend een ware smart over de zonde en liefde tot God, de noodzakelijkheid en algenoegzaamheid tenslotte van de Heere Jezus.
En ook is waar dat terwijl de schijn- of naamgelovige altijd zekerheid zegt te hebben, de ware gelovige zo vaak geslingerd wordt, zo bang wordt voor zelfbedrog, ontdekt aan de arglistigheid van het bedorven hart, staat naar ware ontdekking en leiding door de Heilige Geest. Wie afval van het geloof leert moet of alles leggen in de mens en het eenzijdige werk Gods loochenen of te kort doen aan de trouw en de verkiezing Gods.

De onvergefelijke zonde
Velen van Gods kinderen zijn in de loop der tijden aangevallen met de beschuldiging van de duivel, dat ze de zonde tegen de Heilige Geest zouden hebben begaan, en daarom van de genade vervallen waren. Deze zonde of lastering tegen de Geest is de bewuste, opzettelijke moedwil­lige uitspraak van Gods werk en Zijn genade-openbaring in Christus als het werk van de duivel. Moedwillig wordt gezegd dat de Heilige Geest de geest uit de afgrond is. Dat is dus geen vallen in ongeloof, geen zondigen tegen beter weten in, geen bedroeven van de Geest maar uit opzettelijke haat tegen God.
Zo erg is deze zonde, dat niet de minste schrik, niet het minste berouw gekend wordt. Verharding in het kwaad ten einde toe is de droevige uitwerking, het geweten wordt als met een brandijzer toegeschroeid.
Het kan ver gaan en hoog lopen met Gods kinderen in hun benauwdheid en aanvechtigen. Wel kunnen we dit zeggen, dat wie bang is deze gedaan te hebben, zeker er niet aan schuldig is. Het is bij deze zonde zelfs onmogelijk enige angst ervoor te hebben.

De troost der volharding
Hoe heerlijk belijdt de Schrift, dat God onveranderlijk is. Daarom zijn de kinderen Jakobs ook nooit verteerd, belijdt de laatste der profeten. Dat Gods kerk zalig wordt is het werk, is de genade, is de trouw van de drieënige God. God de Vader verkoor hen voor de grondlegging der wereld (Hd. 13: 48). Christus verliest geen van degenen, die Hem gegeven zijn (Joh. 6: 40); de Geest Gods verzegelt hen tot de dag der verlossing (Ef. 1: 13).
En de zegeningen van God in Christus door de Heilige Geest hen deelachtig gemaakt, blijven eeuwig geldend en duurzaam, van het eeuwig voornemen Gods tot de heerlijkmaking toe, zoals Rom. 8: 29—30 belijdt. Het geloof is de vaste grond, de hoop stelt niet teleur, de liefde blijft immer.
Ede                                                                                                   W. Chr. Hovius

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Pastorale overwegingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's