Het gebed
De voorbede 2
Is er plaats voor onze voorbede?
Wanneer wij ons bij de voorbede afvragen, wat wij daarmee eigenlijk beogen, dan komt ons reformatorische gemoed een beetje in opstand tegen alles wat zweemt naar een gedachte aan bemiddeling. We verstaan het, dat Petrus aan Simon de tovenaar, die hij ontmaskert, toevoegt: bid God (Hand. 8: 22), al vraagt deze zelf: bidt gijlieden voor mij tot den Heere, en al is het mogelijk in dit verzoek nog een teken te zien van een verandering ten goede. Het wekt onze weerzin, wanneer wij gestorven heiligen horen aanroepen. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft ons diep doordrongen van het feit, dat er maar één Naam is, die toegang geeft tot het hof der hoven. Het is het bijzonder mooie artikel over de enige voorbidding van onze Heere Jezus Christus. Wij hebben maar één Middelaar. Naast Hem kennen wij geen andere bemiddelaars, die boven anderen, door deugden of heiligheid, een wit voetje zouden hebben bij de Koning der koningen. We hebben ook reeds opgemerkt, dat God soms uitnemende dienstknechten de vrijheid ontneemt om in bepaalde, gevallen de voorbede te hanteren, in tegenstelling met die enige Voorspraak, dien de Vader altijd hoort (Joh. 11: 42).
De vraag kan daarom opkomen of deze enige Voorspraak niet een afwijzing betekent van onze krachteloze stemmen. In Brakels Redelijke Godsdienst kwam ik een waarschuwing tegen met het oog op allerlei gewoonte-uitdrukkingen, waarin men zich in de voorbede van anderen aanbeveelt. Dat wordt een gedachteloze en inhoudsloze trant van spreken, die bovendien, zo zegt Brakel, de voorbidding van de Heere Jezus uit het oog doet verliezen.
Toch — ook wanneer wij ten volle laten gelden, dat wij maar één Hogepriester hebben, die de toegang tot God ontsluit, dan neemt dat niet weg, dat God Zijn volk maakt tot een koninklijk priesterdom, dat de offerande des lofs offert en Hem daarin de varren onzer lippen brengt, naar de tekenende uitdrukking bij Hozea (14: 3). Maar dat volk heeft ook een priesterlijk hart, dat niet onbewogen de stoffelijke en geestelijke ellende van anderen aan zich voorbij laat gaan. Het priesterlijk hart van de grote Hogepriester klopt in de aderen van Zijn lichaam — de gemeente. De Geest der genade en der gebeden gaat van Hem uit, ook als de Geest der voorbidding. Omgekeerd weet Zijn gemeente, dat zij alleen door Hem tot God kan gaan. En heel de Schrift laat zien, dat het Gode aangenaam is, dat de noden van allerlei mensen, die op onze weg geplaatst worden tot Hem gebracht worden. We denken aan onze kinderen, zieken, bejaarden, eenzamen, aangevochten en beproefde mensen, wier kruis ons bekend is.
Eigenlijk lag dat alles al opgesloten in het 'onze' van het Onze Vader. De eerste drie beden hadden betrekking op de zaak des Heeren. Hij wil dat Zijn gemeente niet alleen met objectieve beschouwingen Zijn werken zal begeleiden en de berichten van 'de oorlogen des Heeren' voor kennisgeving zal aannemen, maar dat de verlangens van het hart zich zullen uiten in gebeden voor de voortgang van de Ruiter op het witte paard, opdat Hij zal uitgaan overwinnende en om te overwinnen. De gemeente is daarbij geïnteresseerd, zij heeft er belang bij. Haar gaat ter harte de arbeid van de Kerk, hoe verscheurd en verward ook, het werk van de zending overal ter wereld, evangelisatie-arbeid in binnen- en buitenland, het werk onder onze jeugd, de school, die de ouders de hand reikt bij de opvoeding van het opgroeiende kind in de kennis en vreze des Heeren, de arbeid van verenigingen, voor wie het Evangelie maar niet een vage achtergrondsaanduiding is maar de kracht Gods voor een ieder, die gelooft, vervuld van de beloften Gods voor het tegenwoordige en het toekomende leven.
Betrokkenheid
Het is duidelijk, dat men voor een zaak alleen vurig pleiten kan, wanneer men er zelf nauw bij betrokken is. Anders wordt de voorbede, indien al beoefend, een formeel plaatsen van allerlei verplichte punten op onze gebedsagenda. We hoorden Brakel waarschuwen tegen het klakkeloos hanteren van allerlei verzoeken om voorbede. O.a. omdat niemand ze allemaal in ernst bij kan houden en er serieus aan kan voldoen.
Wanneer het om de voorbede gaat, moet er iets concreets, iets bijzonders zijn, dat dan ook in volle ernst opgedragen wordt. Het gaat om dingen, die ons hart hebben. Wanneer het om de vervulling van lichamelijke nooddruft te doen is, zal men daarmee wel steeds tot Hem mogen gaan bij Wien de Fontein des levens is. Maar men realisere zich, dat weldaden, die door degene, aan wie ze geschonken worden, niet met een ootmoedig en dankbaar hart ontvangen worden, eenmaal tot een aanklacht zullen worden. Men vergete in zijn voorbede daarom de grote hoofdzaak niet. Tot een werkelijke zegen worden Gods weldaden alleen als het hart er zich mede keert tot Hem, die de Bron is van alle goed en de Gever gekend en gezocht wordt boven Zijn gaven.
De zaak des Heeren zelf is altijd urgent. Zij vraagt volhardend gebed. Terecht heeft iemand gezegd, dat een stelling, waarbij zo nu en dan maar eens de wacht betrokken wordt, zonder moeite door de vijand genomen wordt.
Voor het volk
Toch is de gemeente ook betrokken bij de brede kring van het wereldleven. Het is haar niet onverschillig, hoe het in de wereld toegaat. Zij leeft in een onvermijdelijke verbondenheid met het wel en wee, de orde of de chaos van de samenleving. De naam van onze kerk, Nederlandse Hervormde Kerk, wijst zelfs al dadelijk op onze plaats onder een bepaald volk met een eigen woonplaats, een eigen karakter, een eigen geschiedenis en een eigen vorstenhuis.
Men kan die betrekking tussen kerk en volk vervalsen, door van de kerk te maken een kerk van het volk in plaats van voor het volk. Men kan die betrekking ook over het hoofd willen zien, door zich te concentreren op het louter geestelijke en de wereld alleen maar te zien als het werkterrein van de Overste van deze wereld, omdat alle volksgrenzen tóch bestemd zijn om eenmaal voor altijd uitgewist te worden. Maar zolang dat niet geschied is, hebben wij nauwlettend acht te geven op de wijze, waarop het Woord, kerk en wereld met elkaar in aanraking brengt. Die aanraking, die een confrontatie is, maakt het de kerk niet gemakkelijk. Het is aangenamer ons in een veilige schuilplaats terug te trekken, dan te staan op de vlakte, waar demonische stormen woeden. Maar profeten als Jeremia en apostelen als Paulus worden geroepen om te staan midden in het leven, predikend tot overheid en volk. Maar ook smekend, biddend, voorbiddend en dankzeggend voor alle mensen, zelfs voor de vijanden der kerk. Paulus noemt daarbij in 1 Tim. 2 heel concreet de koningen en allen, die in hoogheid zijn. Het waren in de regel heidense en harde overheden, waarmee hij te maken had, die hem ten onrechte gevangen hielden of geselden. Maar hij zag niet op hun personen, maar op hun positie. De overheden bleven voor hem overheden (Rom. 13). Die erkenning sluit, ook voor ons, de kritiek niet uit. Maar deze zij dan van hoge kwaliteit als die van Nathan tegenover David, van Elia tegenover Achab, van Jeremia tegenover Zedekia, of van Paulus tegenover Agrippa.
Heeft de Heere Jezus zelf niet Pilatus erkend in een positie, waarin God aan deze weifelaar, die tenslotte buigt voor de volkswil, macht over Hem gegeven had?
Onze vaderen hebben altijd duidelijk onderscheiden tussen de persoonlijke verhouding van de overheidspersoon tot God, dus de gesteldheid van zijn hart, en zijn gezagsoefening van Godswege.
Verantwoordelijkheid
Wij leven in een tijd, waarin overheidspersonen een niet te torsen verantwoordelijkheid moeten dragen ten opzichte van leven en welzijn van ontelbare levens in het bijzonder van jonge mensen. Maar afgezien van beslissingen over oorlog of vrede, waarbij bijna het voortbestaan van ons menselijk geslacht in het geding kan zijn, zijn permanent de besluiten van overheden van enorm belang voor jeugd en ouderdom, voor werk en werkeloosheid, voor zondagsviering en zedelijk leven, voor geestelijke en lichamelijke volksgezondheid. Die overheid is immers middel, waardoor het God belieft ons te regeren. Maakt zij zichzelf tot doel en matigt zij zichzelf totalitaire macht aan, dan krijgt die staat de satanische trekken, waarvan Openbaring 13 spreekt.
Daarom is juist die voorbede voor de overheid zo nodig eer dit proces ten einde toe voortgaat. Daarom is ook reeds de zg. neutralisering van de staat zulk een gevaarlijk ding. Dat schept op zichzelf al een leegte, een vacuüm, dat roept om het binnenstromen van anti-goddelijke machten. Dat is het bedenkelijke wanneer de naam des Heeren en het gebed tot Hem uit het openbare leven verdwijnt, zoals bij de laatste Troonrede het geval was. Nu staan we als kerk daaraan mede schuldig, wanneer we niet bidden. Gelukkig als een volk nog een gemeente van echte voorbidders in z'n midden heeft. Daarbij gaat het niet om een stil en gerust leven op zichzelf, onder onze wijnstok en onder onze vijgeboom, al is ook het in vrede mogen leven iets om dankbaar voor te zijn. Maar een rustig leventje is niet Gods einddoel met ons geslacht. En het mag ook niet het onze zijn. Het gaat in het Woord om de godzaligheid en de eerbaarheid, d.w.z. het ernstig rekening houden met de eerste en met de tweede tafel van Gods wet, het leven des harten en onze dagelijkse wandel. Ja, wat Paulus in 1 Tim. 2 op zijn vermaning tot voorbede laat volgen, laat zien, dat de apostel het geheel van dit wereldleven ziet als het kader, binnen hetwelk God de Heere Zijn zaligmakend werk uitvoert naar Zijn welbehagen.
Iemand heeft gezegd, dat God meer handelt in overeenstemming met het gebed van eenvoudige, misschien wel door ziekte of ouderdom uitgeschakelde voorbidders, dan dat de conferenties van de machthebbers der wereld voor Hem van betekenis zouden zijn. Zij mogen in Zijn dienst bezig zijn, opdat het heden der genade bestendigd worde en uit alle volkeren een schare, die niemand tellen kan worde toegebracht tot de gemeente, die zalig wordt. Daar mogen ook koningen en regeerders toe behoren. Maar de wijzers van de wereldklok gaan snel. Temeer reden om te vragen: Bewaar en vermeerder Uw kerk! Uit Israël en de volken.
Hilversum C. van der Wal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's