De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De oud-christelijke  belijdenissen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De oud-christelijke belijdenissen

5 minuten leestijd

Verantwoording
Van het begin af aan zijn er in de kerk belijdenissen geweest, hoewel niet in zulk een uitgebreide vorm. Een korte samenvatting van het geloof was onmisbaar, wilde de gemeente niet door allerlei wind van leer worden meegevoerd. De belijdenis scheidt van de anderen, die niet hetzelfde geloven. De kerk had zich te verweren tegen vijanden van buiten en, nog gevaarlijker, tegen vijanden van binnen. Van deze strijd getuigen de belijdenissen. Bovendien is de belijdenis als bindend element van groot belang. Niets bindt gelovigen zo vast aan elkaar als hetzelfde geloof en het weten, dat zij hetzelfde geloven.
Van de belijdenisgeschriften, die de reformatorische kerken bezitten, bevinden de oud-christelijke zich zeer in de vergeetboek. Natuurlijk kennen we de Twaalf Artikelen. Zij worden in de middag- of avonddienst voorgelezen. De belijdenis van Nicea bewaren we graag voor een tweede feestdag. Zulks ter afwisseling. En wat de geloofsvorm en bekentenis, van de H. Athanasius betreft, ik kan me niet heugen deze ooit in een kerkdienst aangehoord te hebben.
Daarom willen we proberen deze oudchristelijke belijdenissen uit het stof van het verleden vandaan te halen en wat actueler voor ons te maken. Bij de behandeling van deze belijdenissen of dogmata zij het goed te denken aan een citaat van Marcellus van Ancyra, een goed orthodox bisschop, die eenmaal ongeveer zei: 'De term dogma heeft iets in zich van menselijk beraad en inzicht. Dat dit zo is, kan men duidelijk zien aan de dogmatische wetenschap van de artsen, maar ook aan de dogmata der filosofen. Dat ook nu nog de besluiten van de kerkvergadering dogmata heten, is, meen ik, aan niemand onbekend'.
De term dogma, belijdenis, leerstuk, stelt ons bij herhaling voor het feit, dat de H. Geest telkens menselijke meningen, inzichten, beslissingen gebruikt, om de waarheid van de bijbelse Openbaring naar voren te brengen.

1. De geloofsbelijdenis van Nicea

Voorgeschiedenis
Onder keizer Constantijn († 337) werd het christendom, tot dan toe vervolgd en verdrukt, een door de staat erkende godsdienst. Dit feit betekende in vele opzichten een gevaar voor de verwereldlijking van de kerk. Maar nu het wonder: juist in deze periode leed het kerkelijk modernisme nederlaag op nederlaag. Daarvoor is alleen de verklaring te geven, dat de Heere Zijn kerk vasthoudt en leidt.
De schermutselingen spitsten zich toe in het oosten, waar het tot een grote strijd kwam om de christologie, de leer over Christus.
Over de relatie van Christus tot de Vader was reeds menig theoloog gestruikeld. Een eenvoudige bisschop van Rome, Zefyrinus (203—220) sprak: 'Ik ken maar één God, Christus Jezus, en buiten Hem niemand, die geboren is en zo geleden heeft'. De vraag rijst: is de almachtige Schepper van hemel en aarde dan géén God? Origenes (185—253/254) zag het vraagstuk veel dieper en kwam tot de opvatting, dat in Jezus een half-goddelijk wezen, de Logos, verschenen was. Bij deze interpretatie komt de vraag op: is Jezus dan niet echt God óf zijn er soms twee goden ?
Met dergelijke meningen voor ogen, begrijpen we, waarom de christologie in de vierde eeuw een belangrijke rol ging spelen.

Arius (256—336)
Omstreeks het jaar 313 was te Alexandrië de Libyer Arius tot presbyter (oudste of ouderling) gewijd en belast met de uitleg van de Bijbel. Hij was een imponerende man, streng van zeden, ernstig, innemend in de omgang. Arius was scherp van verstand, ook eerzuchtig. Als wijsgerig en bijbels geschoold persoon, verwierp hij alle veelgodendom. Als er maar één God is, dan zijn er, volgens hem, twee mogelijkheden: óf Jezus is die God zelf óf Hij is niet-God, dus een schepsel. Er is geen tussenweg.
De eerste gedachte verwierp hij als wijsgerig ongerijmd. Daarom kwam hij tot de opvatting, dat de Zoon slechts het voornaamste Schepsel van God is, de aangenomen Zoon van God. De naam God wordt Hem alleen in oneigenlijke zin gegeven. De H. Geest is het voornaamste Schepsel weer van de Zoon. 
U voelt, hoe deze leer de opheffing van het Evangelie betekent. Wat voor de gelovige een geheim is: hoe Vader, Zoon en Geest alle drie God zijn, terwijl er toch slechts één God is, dat is voor Arius geen mysterie meer: er is maar één God, omdat de Zoon en de H. Geest geen goddelijke personen zijn.
Hier was de soteriologie, de opvatting van de verlossing, in het spel: Christus is niet meer God, Zijn lijden en dood hebben niet meer oneindige waarde voor Zijn volk; de verlossing heeft slechts een zedelijke betekenis: Christus predikt alleen door Zijn voorbeeld.
Het Volk, dat Arius vereerde als een groot asceet, koos grotendeels zijn kant. Zijn aanhangers gebruikten alle middelen om Arius' leer te verspreiden. Arius zelf schreef een boek Thalia ('banket'), in proza en in verzen. Ook in preken en in liederen propageerde hij zijn leer.

Reacties op Arius' leer
De bisschop van Alexandrië, Alexander, verzette zich tegen de dwaling van Arius. Om zich tegenover zijn eigen bisschop te , dekken, zocht Arius toen steun bij andere bisschoppen. En hij won voor zijn standpunt de machtige bisschop van Nicomedië, Eusebius. Deze was een familielid van keizer Constantijn. Met hulp van deze bisschop werd de steun van anderen verworven. Zijn tegenstander Alexander richtte zich eveneens tot zijn ambtgenoten en riep in 321 een concilie samen te Alexandrië.
Op die vergadering werd Arius met enige anderen door de 100 aanwezige bisschoppen buiten de kerk gesloten. Hij nam dit echter niet, en zo ging de strijd verder.
Keizer Constantijn, die vóór alles bedacht was op vrede in zijn rijk, zond Hosius, bisschop van Cordova, naar Alexandrië. Deze raadsman van de keizer in kerkelijke aangelegenheden moest de boodschap overbrengen: beide partijen moeten de ruzie beëindigen. Hij slaagde echter niet in zijn missie en raadde daarom vermoedelijk de keizer aan om een algemene synode bijeen te roepen.
Schoonhoven                                                                                   dr. J. Broekhuis

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De oud-christelijke  belijdenissen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's