Uit de pers
Het spreken van de kerk
In het Centraal Weekblad van 24 november heeft ds. L. H. Kwast erop gewezen dat sinds de Midden-Oostencrisis de Nederlandse theologen die anders nogal gaarne hun zegje zeggen over politieke zaken (Chili, Griekenland, Afrika) stiller worden. Theologen die anders zo zeker van hun politieke zaak zijn en dit als gebod verkondigen, zwijgen, nu het gaat over Israël.
Alle ironie terzijde: het is heilzaam als theologen eens wat bescheidener worden op wereldpolitiek terrein. Want die wereldpolitiek is te belangrijk dan dat ze aan (Nederlandse) theologen zou kunnen worden toevertrouwd. Bovendien zou elke theoloog zich kunnen herinneren dat Christus' Koninkrijk niet van deze wereld is.
Christenen kunnen en mogen zich niet vereenzelvigen met het ene politieke systeem tegen het andere. Alle systemen derven de heerlijkheid Gods, de rechtse én de linkse.
Maar nu het dan wat stiller is geworden in dat wereldje van theologen, zouden we ons met z'n allen eens wat méér bezig kunnen houden met zaken dichter bij huis.
Wat doen we samen, gemeenteleden, ambtsdragers en theologen, voor de proclamatie van het Evangelie van de Heere Jezus in de Nederlandse samenleving? Daaraan zouden we de eerstkomende tijd de handen vol hebben.
En wat doen we samen, gemeenteleden, ambtsdragers en theologen, aan de groeiende verwijdering tussen grote delen van de Nederlandse jeugd en de Bijbel?
En hoe brengen we een pastoraat op de been — bij voorbeeld in de Randstad, maar niet alleen daar — dat de groeiende levensnood onder de mensen een beetje sneller en beter kan opvangen?
En als theologen nu toch vele uren terugkrijgen, omdat ze die voorshands niet aan nieuwe mondiaalpolitieke verklaringen willen besteden, kunnen ze dan meehelpen om een verkondiging op te bouwen die aanspreekt?
Ik wil maar zeggen dat er nog zoveel onverwerkt of defect materiaal op ons eigen Nederlandse erfje ligt dat we voorlopig een heel eind vooruit kunnen. Buurmans tuintje zouden we eens aan zijn eigenaar kunnen overlaten. En in eigen tuintje is meer dan genoeg te doen.
Prof. G. Th. Rothuizen is over een ander slecht te spreken. Onder het opschrift 'Dit moet een vergissing zijn' gaat hij in het Centraal Weekblad van 15 december op de door ds. Kwast gesignaleerde kwestie in. Rothuizen acht het geen wonder dat theologen zich uiten over wereldproblemen. Verontwaardiging over misstanden laat zich niet onderdrukken. Hij acht het onjuist dat Kwast van oordeel is dat theologen zich niet mogen bemoeien met problemen ver weg. In dit verband lezen we:
Ds. Kwast heeft het niet op mensen, die oordelen vellen over situaties, zo'n 15.000 km verderop. Dit moet een vergissing zijn. Want dat is nu net het bezwaar, dat het humanisme en liberalisme altijd tegen de zending gehad hebben! Dit moet een vergissing zijn, want sinds wanneer is de geenszins vrijzinnige ds. Kwast zo tegen de zending? Dat is hij natuurlijk niet. Maar waarom mag ik mij wel bemoeien met zielen van mensen aan het andere eind van de wereld en niet met hun hoofd en hart en huid? Wel met hun zaligheid maar niet met hun bloed en zweet en tranen? Wij maakten al zendingdrijvend zo tussen neus en lippen door toch ook ziekenhuizen voor hen? En dan bij hun verzetsorganisaties etc. het laten afweten? Ik herinner me nog heel goed hoe nieuwsgierig wij op de JV waren naar het wel en wee van al die mensen, zo'n 15.000 km verderop en hoe we over hen oordeelden. We wisten zelfs vrij aardig of ze naar de hemel gingen hoe en hoe niet. Wij velden zelfs laatste oordelen. Die JV's zijn er niet meer en de tegenwoordige jeugd is ook niet meer zo uitsluitend nieuwsgierig naar het eeuwig zalig lot van onze tegenvoeters. Echter wél naar hun afschuwelijk heden. En het zijn niet de professoren in de theologie, die hen daarin hebben opgevoed. Eerder was het omgekeerde het geval. Fout? En zit deze jeugd nu zoveel minder dicht bij de Bijbel? D.w.z. moeten we ons zo bezorgd maken over de afstand tussen deze jeugd en de Bijbel, zoals ds. Kwast wil? Is de afstand tussen hen en ons misschien groter dan die tussen hen en de Bijbel? Zou dat ook het geval kunnen zijn? Maar dat is heel iets anders! En dan is dit nog maar zo'n 15.000 km verderop, waarmee wij ons bemoeiden en bemoeien in ons oordeel. Maar we hebben er ook nimmer tegenop gezien ons oordeel uit te strekken tot Hem, die zelfs door de hemel der hemelen niet bevat kan worden: nergens vond men zoveel gegevens over dogmatiek! En ik heb nooit gehoord, dat ds. Kwast daar veel bezwaren tegen heeft (ik overigens ook niet).
Overigens is het waar, dat theologen vandaag 'wekelijks overwerk' hebben vanwege al die toestanden in de wereld, zoals hij ironisch opmerkt? En dat speciaal gereformeerde theologen en vooral professoren zich dit moeten aantrekken (want anderen lezen ds. Kwast en zijn bladen niet?) Ik zeg dit niet omdat ik me daardoor genomen zou voelen. Want ik heb ook wel eens in een weekblad wat geschreven over Tsjechoslowakije, Zuid-Afrika en zelfs over Vietnam, maar die keren zijn te tellen op de vingers van twee handen. En de 150 artikelen, die ik wekelijks mocht plaatsen in het Centraal Weekblad gingen over de psalmen (al gingen ze dus af en toe ook over en tégen 'de mannen van bloed en bedrog'). Zo kan hij mij niet bedoelen. Maar wie dan in hemelsnaam? Ik ken er eigenlijk maar twee, die onder zijn toorn zouden moeten bezwijken, omdat ze inderdaad bijna wekelijks met van alles en nog wat bezig zijn. Dat is Herman Ridderbos (het bezwaart mij niet: naar zijn bijdrage in het Gereformeerd Weekblad grijp ik altijd het eerst) en . . . ds. Kwast, die zich via de Friese Kerkbode inderdaad wekelijks met letterlijk de hele wereld bemoeit! Nogmaals: ik heb daar geen enkel bezwaar tegen en ook hem sla ik zelden over. Natuurlijk, bemoeizucht kan een ondeugd zijn. We moeten inderdaad — ds. Kwast heeft gelijk — niet zó letten op het onkruid in het tuintje naast ons, dat wij de misgewassen in onze eigen tuin niet meer zien. Hij en ik hebben de jammerlijke tijd nog meegemaakt, dat de periodieken, die wij lazen ons nauwkeurig bepaalden bij de ellende in altijd andere kerken of andere partijen en ik ben blij, dat ook hij blij is, dat deze tijd over is en voorgoed. Maar bemoeizucht kan ook een deugd zijn. Het kan een ander woord zijn voor farizeïsme maar ook voor naastenliefde, die van geen grenzen weet en op geen kilometertje let. Daarom heb ik er op zich geen enkel bezwaar tegen. Hij echter wel — naar hij zegt, zij het dan toch alleen bij anderen. Hoe heb ik het nu?
M.i. gaat de parallel met de zending niet op. Het gaat immers om de aard van het spreken der kerk. Is dat — ook als het gaat over mondiale vraagstukken — naar de Schrift ? En bovendien: van welk heil getuigt de zending? Loopt Rothuizen niet gevaar het heil al te zeer te maken tot een binnenwereldse zaak, die zich politiek en sociaal in concrete gegevenheden laat vertalen?
In een weerwoord gaat ds. Kwast nogmaals op de onderhavige kwestie in. Hij wil de politieke mening niet betwisten, ook niet van theologen, maar verzet zich tegen vereenzelviging van politieke mening en verkondiging.
Nog bedenkelijker wordt het, indien theologen hun positie in dienst van hun politieke inzichten stellen. Naar alle waarschijnlijkheid is prof. Rothuizen geen vreemdeling in Jeruzalem en weet hij even goed als ik dat heden ten dage de kansel nogal eens misbruikt wordt voor de ventilering van politieke verhalen. Een handjevol voorbeelden:
a. De gemeente krijgt te horen dat de Nederlandse regering de bevrijdingsbeweging van Guinee-Bissau moet erkennen als het enige wettig gezag in loco;
b. een bureau in dienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland nodigt kerkeraden en predikanten uit een zg. Unctad-zondag te arrangeren en in de dienst gemeenteleden te laten stemmen over een voorstel dat een Nederlandse lening aan Chili als gift zal worden beschouwd;
c. in een prediking wordt uiteengezet dat het christelijke roeping mag heten om aan te dringen op Nederlands uittreding uit de NAVO;
d. een predikant wekt zijn jonge mannelijke toehoorders op om dienstweigeraar te worden en prijst drie minuten later Afrikaanse bevrijdingsbewegingen aan als staande in de dienst van Jezus Christus;
e. in een kerkdienst wordt de gemeente na voorlezing van een artikel in een dagblad uitgenodigd handtekeningen te plaatsen onder protestbrieven aan het adres van de éne oorlogvoerende, terwijl de andere met evenveel boter op het hoofd door dominee zelfs niet zuur wordt aangezien.
Het is maar een bloemlezing! Er zijn voorbeelden te over. Het hindert me helemaal met dat theologen met Israël, Egypte, Syrië, Jordanië en de Palestijnen verlegen zijn. Het hindert me dat ze het met Vietnam, Zuid-Afrika en Chili — om maar niet meer te noemen — juist niet waren. Daar wisten ze het al.
Ik heb geen uitgesproken oordeel over wijlen Salvador Allende, behalve dan dat hij een erg goed mens geweest moet zijn. Ik weet ook niet secuur of de Heere God het met Vorster cum suis alleen maar oneens is.
Ik weet wél dat — bij nader toezien — allerlei verre toestanden zó ingewikkeld en meerzijdig zijn dat ik aan zwart-wittekeningen nog niet toe kan. Keetmanshoop ligt zo ver weg dat ik een verrekijker nodig heb. Verrekijkers hebben de nare eigenschappen dat ze een vertekening van het beeld geven. Dat moet op een of andere manier worden verrekend. En prof. Rothuizen zal ook wel weten dat we voor de televisie alleen te zien krijgen wat de man-met-camera ons laat zien. Geluidsbandjes en films zijn even geduldig als papier, in Washington en elders.
Ds. Kwast is terecht beducht voor een eenzijdig, ongenuanceerd spreken dat allerlei vragen laat liggen en voortijdig oordeelt. We zouden eraan toe willen voegen: Maar al te zeer wordt in allerlei politiek spreken het eerste gebod als het grote gebod van de liefde tot God losgemaakt van het tweede. De gemakkelijke manier b.v. een man als Allende tot getuige van het Rijk Gods gemaakt wordt in allerlei politiekgetinte preken laat zien dat hier toch meer aan de hand is dan Rothuizen meent. Ik meen dat ds. Kwast terecht deze soort 'verkondiging' afwijst. Het eigenlijke van het heil, dat van God komt en alleen in geloof ontvangen wordt, wordt hier verhumaniseerd en daardoor scheefgetrokken. Als de kerk spreekt en als theologen spreken, laten zij dan de rechten des Heeren verkondigen. Geen marxistische profetie of ideologie, maar een profetisch spreken vanuit de Schrift.
De Raad van Kerken
Volgens een mededeling in Trouw van 5 december zou dr. J. de Lange voorgesteld hebben dat een delegatie van Arabische christenen in Nederland in de Raad van Kerken hun standpunt inzake de kwestie-Israël uiteen zou komen zetten. De hervormde synode zou iets dergelijks aan de Raad van Kerken gevraagd hebben. Een en ander is voor prof. dr. G. P. van Itterzon aanleiding de volgende vragen te stellen:
De vragen zijn nu de volgende: Hebben wij niet gelezen, dat dr. E. Flesseman-van Leer al in Libanon met de Arabische christenen uitvoerig heeft gesproken en dat dit gesprek uiterst moeilijke kanten had?
Weten wij dan nog steeds niet, wat het standpunt van de Arabische christenen is? Zijn wij in Nederland, dat kerkelijk zo bijzonder veel aan buitenlandse betrekkingen doet en zich met zoveel buitenlandse aangelegenheden inlaat, nog steeds onvoldoende geinformeerd? Moeten in deze dagen door onze kerken werkelijk weer hoge kosten worden gemaakt om mensen te inviteren, terwijl onze kerkelijke leiders haarfijn weten, wat ze straks zullen zeggen? Of is het zo, dat we (als ik het persbericht goed lees) de Arabische christenen willen laten overkomen als tegenwicht tegen het gesprek met de joodse rabbijnen en is het dus geen gebrek aan informatie, die de overkomst van Arabische christenen zou wettigen, maar zit de bedoeling erachter om een zeker politiek evenwicht te scheppen in onze relaties met Israël en de nabuurlanden? Wat is de zin ervan, dat het voorstel kwam, niet uit de sectie voor internationale zaken, maar uit die voor sociale zaken? En welke motieven waren er bij de Protestantenbond, die geen kerk is en toch zich zo nadrukkelijk uitsprak? Voorts: Wat was de bedoeling van onze synode? Ze ging met het oorspronkelijke voorstel van dr. Van den Heuvel niet mee en nam zijn suggestie niet in behandeling.
Lag ook hier wellicht het motief in het streven naar een evenwichtige neutraliteit ten aanzien van Israël en zijn buren? Want ook Israël ging onder de tafel.
Van Itterzon gaat ook nog op de conceptbeginselverklaring in, die prof. Bronkhorst heeft opgesteld omdat van een vroegere beginselverklaring niets overbleef. Ook het nieuwe concept blijkt nogal bezwaren op te roepen.
Volgens 'Trouw' zouden vooral doopsgezinden en remonstranten het stuk afkeuren omdat het 'magistraal kerklatijn' zou zijn dat voor buitenstaanders totaal onverstaanbaar is. Door anderen werd het stuk echter zeer geprezen.
Van Itterzon tekent hierbij het volgende aan:
Hoe zou het komen, dat doopsgezinden en remonstranten de beginselverklaring van prof. Bronkhorst c.s. 'magistraal kerklatijn' noemen, en dat de hervormden haar prijzen als 'een indrukwekkend geloofsgetuigenis'? Mogen de mondige hervormde lidmaten de tekst van prof. Bronkhorst ook lezen? Hoe kunnen ze daaraan komen? Het stuk zal nu een 'bewerking' ondergaan; betekent dat een verdunning en verslapping? De uitdrukking 'magistraal kerklatijn' is schijnbaar een loftuiting, maar in de staart ervan zit een stevige kritiek: het zou praktisch onleesbaar zijn. Men heeft blijkbaar gedacht aan 'buitenstaanders', die er niets van zouden begrijpen. Zouden de buitenstaanders bijvoorbeeld de aangenomen Leuenbergse Konkordie van reformatorische kerken in Europa wél begrijpen? Ik zou het stuk van prof. Bronkhorst en de zijnen op het punt van verstaanbaarheid met die Konkordie willen vergelijken. Kan dat?
En is het echt de bedoeling, dat een raad van kerken een beginselverklaring opstelt, die voor buitenstaanders pasklaar is gemaakt? Het statuut van de Raad van Kerken is blijkbaar al goedgekeurd en kan naar de notaris. Mogen de kerkleden ook weten, wat er in dat statuut staat? Is het oorbaar een statuut naar een notaris te zenden, zonder dat de kerkleden weten, waaraan ze vastgeklonken worden? De kerken moeten via collecten en andere bijdragen zorgen, dat de Raad van Kerken financieel vooruit kan. Maar dan mogen die kerken ook een vinger in de pap hebben, als het gaat om vliegreizen van buitenlandse christenen, die bepaald naar Nederland moeten komen en een statuut, waaraan de kerken gebonden zijn en die dan ook gelden voor de lidmaten, die wel zouden willen weten, wat er precies aan voorwaarden in staat. Het statuut is of gaat naar de notaris. Maar de bezinning op dit statuut, aldus Trouw, moet nog komen. Hoe kan dat en wat voor zin heeft zoiets? Komt de bezinning dus na de notariële vastlegging? Gaan we er daarna pas over denken, wat we eigenlijk overeengekomen zijn? En welke invloed heeft het stuk van prof. Bronkhorst dan nog, als het eerst nog door de molen moet om te worden afgezwakt of om voor buitenstaanders te worden gepopulariseerd?
Beslist boeiend was de mededeling van Trouw, dat 'terzijde van deze discussie' met name van remonstrantse zijde werd betoogd, dat er in de raadsvergadering te weinig gelegenheid is om bijbelse stellingen betreffende actuele problemen dogmatisch en praktisch te bespreken. Te veel tijd wordt in beslag genomen door organisatorische en financiële vragen en aan het eigenlijke gesprek komt men niet toe. Datzelfde bezwaar hoorden we ook ten aanzien van onze synode. We maken ons bezorgd en druk over vele dingen, maar aan het goede deel komen we in feite maar zelden toe. Zou dit misschien een vlucht kunnen zijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's