Het gebed
Het persoonlijke gebed
Regelmaat of spontaneïteit
Dat hierboven staat 'het persoonlijke gebed' wil niet zeggen, dat door het 'onze' van het Onze Vader het persoonlijke gebed niet aan de orde kan zijn geweest. Integendeel, veel van hetgeen in verband met de verschillende beden is opgemerkt, had ook onmiddellijk betrekking op onze persoonlijke omgang met God. De Heere Jezus heeft ons trouwens niet willen binden aan een bepaalde gebedsformule. We lezen zelfs nergens in enige samenkomst van gelovigen b.v. in de Handelingen der Apostelen, dat dit gebed gebruikt werd. Jezus geeft veeleer met dit gebed een standaard in handen, een peilschaal, waaraan wij de stand van ons eigen gebedsleven zullen meten. De Bijbel is vol van gebeden van zeer uiteenlopende aard. Van de enkele verzuchting: 'Och Heere! bevrijd mijn ziel' (Ps. 116: 4b), tot het breed-opgezette gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8).
Bij dat eerste korte gebed gevoelen we het spontane roepen van een mens in nood. En al ontbreekt bij Salomo's gebed de spontaneïteit niet geheel, er is toch een welgeordend denken aan allerlei situaties, die zich wel niet op het moment voordoen, maar die in de loop van Israels volksbestaan kunnen ontstaan.
Dat brengt ons er toe even aandacht te geven aan die verhouding van spontaneïteit en orde.
Er is bij velen telkens een neiging om alleen het louter spontane bidden als echt bidden te erkennen en daarentegen de orde en de regelmaat meer te zien als een kwestie van sleur en vormelijkheid. Een bekend schrijver-radiocommentator zei onlangs dat hij hoe langer hoe critischer kwam te staan tegenover het regelmatige bidden en danken aan tafel, terwijl de waarde van 'het schietgebed', zo maar midden tussen ons werk, hoog door hem werd aangeslagen. Dat is dan b.v. een gebed als dat van Nehemia. Tijdens een gesprek met de koning Arthahsasta, die hij aan tafel bediende, en naar aanleiding van diens vraag, waarom hij zo somber keek, bidt Nehemia tot de God des hemels om het hart van de koning gunstig te stemmen voor de voortgang van de herbouw van Jeruzalem. (Neh. 1). Zulk bidden is inderdaad uiterst waardevol. Dan is er een bepaalde zaak van ons persoonlijk leven, zoals daar in Ps. 116 of van het publieke leven, die ons persoonlijk zeer hoog ligt. Daar is hoogspanning. Het gebed wordt ons uit het hart geperst. Het gaat als een pijl omhoog tot God in de hemel. Dan is er iets, dat ons zozeer ter harte gaat, dat wij het eigenlijk gedurig bij ons omdragen.
De volksmond heeft dit spontane roepen tot God getypeerd met het veelgebruikte gezegde: er wordt meer gebeden met de pet op, dan met de pet af. Met dat laatste — de pet af — wordt dan bedoeld het geregelde bidden 's morgens en 's avonds en het tafelgebed voor of na de maaltijd, als het anders gedekte hoofd voor enige ogenblikken ontbloot wordt. Er valt dan een stilte over degenen, die rondom de tafel ieder voor zich of met de huisvader, die voorgaat, samen bidden — een bidden, waarin inderdaad vaak dezelfde bewoordingen telkens terugkeren.
Zullen we nu over dat gebed op vastgestelde tijden alleen maar negatief oordelen met woorden als sleur, overlevering, vorm? Natuurlijk is het niet moeilijk het gevaar van dode vormendienst levensgroot te signaleren. 'Hebben we eigenlijk al gebeden?' wordt immers soms gevraagd. En wie persoonlijk bidt 's morgens of 's avonds moet soms met schaamte belijden, dat de onrustige gedachten zoveel kanten heengedwarreld zijn, dat, als we opstaan en onszelf afvragen: was dat nu echt bidden?, we met schaamte moeten zeggen: neen. En wanneer ons bidden zich ook zou beperken tot die nu eenmaal door traditie en opvoeding vastliggende momenten van persoonlijk en gemeenschappelijk gebed, is het gevaar niet denkbeeldig, dat de vorm ook inderdaad een dode vorm geworden is.
Maar het feit, dat een vorm kan ontaarden tot vormelijkheid, betekent niet, dat wij alle vormen overboord zullen werpen. Men slaat toch ook niet alle lege melkflessen stuk, omdat er op een moment niets in zit. De ledige fles vraagt om vulling, om inhoud. Onze tijd heeft een kritisch oog voor alle vormelijkheid ook in kleding en manieren. Vaak betekent de verwerping van oude vormen een inwisseling van de oude voor nieuwe, lang niet altijd betere vormen. Niet het stukslaan van de vormen, maar de vulling er van met waardevolle inhoud, brengt ons op het goede spoor.
Het is er mede als met de kerkgang. De vaak gehoorde opmerking: ik ga alleen naar de kerk, als ik er behoefte aan heb, miskent de waarde van Gods geordende inzettingen. Heel ons leven wordt gestempeld door de regelmaat, waarmede de aarde wentelt om haar as en zich beweegt om de zon, door de afwisseling van dag en nacht, van zomer en winter. Wat onze lichamelijke nooddruft betreft, beperken we ons niet tot de momenten van hevige honger of dorst, maar wij gaan op regelmatige tijden aan tafel en onze lichamelijke welstand bevindt zich daar in de regel het beste bij. Bovendien komt dan vaak al etende de honger, zoals een frans spreekwoord zegt.
God geeft ons de regelmatige afwisseling van rust- en werkdagen. En, wie zich niet laat leiden door zijn onstandvastige, persoonlijke stemming of behoefte, maar door het feit, dat God Zijn dag, Zijn dienst, Zijn Woord gegeven heeft, waaromheen Hij Zijn gemeente samenroept, zal vaak de zegen van die orde ontdekken, al is het alleen maar door een lied dat samen gezongen werd, een hoofdstuk dat gelezen, een opmerking, die in de prediking gemaakt werd, en wij beseffen, dat wij de onderlinge bijeenkomsten niet zullen verwaarlozen (Hebr. 10: 25). Wij kunnen in ons leven de steun van de regelmaat niet ontberen, al zou de functie er van zich zelfs beperken tot die van het latwerk, dat de leiboom helpt de takken naar links en naar rechts uit te spreiden en op te groeien naar boven.
Zo is het ook bij de regelmaat van het gebed. De Bijbel waarschuwt tegen ledige gebedsvormen. Die vindt men bij mensen, die de geboden van Israels God met voeten treden of op de manier van het Farizeïsme die geboden van kracht beroven door ze te verlagen tot een dorre reeks van uitwendige handelingen, waaraan hart en ziel ontbreken, terwijl zij het gebed zelf ook tot een vertoning maken, waarmede zij paraderen. Maar de Bijbel weet ook van de zegen van de regelmaat, die het leven niet vervangt, maar steunt. Ieder denkt hierbij aan wat van Daniël opgetekend staat. Driemaal daags knielde hij neer voor zijn open venster, dat hij gekozen had daar, waar onzichtbaar in de verte, Jeruzalem moest liggen. Zijn gebed was niet alleen een schietgebed. Het was hem een zaak, die gedurig zijn hart bezig hield. En hoe deze man bidden kon laat ons Daniël 9 wel horen.
Ook de dichter van Psalm 55 noemt de avond, als voor de Israëliet de nieuwe dag begint, de morgen en de middag als de tijden, waarop hij klaagt en kreunt. In de Handelingen der Apostelen komen we de derde, zesde en de negende ure van de dag tegen als vaste gebedstijden. Maar het is duidelijk, dat hier geen tegenstelling is tussen het spontane en het regelmatige. De spontaneïteit is zó levend, dat zij dankbaar gebruik maakt van de leiding van de vaste orde.
Die vaste tijden zijn zelfs een zegen, omdat zij de sleur van ons dagelijks leven onderbreken. Zij roepen van het vele naar het éne, van de brede omtrekken naar het centrum, van de vele gaven naar de éne Gever, van de in vele opzichten verontreinigde atmosfeer van ons dagelijks leven, naar Hem, Die alleen in Zijn gemeenschap ons doet herademen. Daardoor wordt het contact onderhouden tussen ons concrete dagelijkse leven en Hem, bij Wien de fontein des levens is. Dat is de waarde van het persoonlijke gebed op regelmatige tijden.
Spurgeon haalt in zijn bekende Pastorale Adviezen tal van voorbeelden aan van mannen, die bijzonder tot zegen geweest zijn, en wier leven gekenmerkt werd door vaste, regelmatige gebedstijden, waarvoor menigmaal de vroege morgenuren gebruikt werden. We worden beschaamd door het levensbeeld van deze gezegende dienstknechten Gods, wier leven zo geconcentreerd was op de arbeid in Gods Koninkrijk en het heil van Zijn gemeente. Hier is beslist geen tegenstelling tussen regelmaat en spontaneïteit.
Korte of lange gebeden?
Het Onze Vader is kort, zeer kort. De Heere Jezus heeft uitdrukkelijk gewaarschuwd tegen het ijdel (= leeg) verhaal van woorden, zoals heidenen soms menen, dat de veelheid van woorden meer kans biedt op verhoring. Daartegenover plaatst Jezus de troostrijke verzekering: uw Vader weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.
In Gethsemané bidt de Heere tot driemaal toe. Maar het zijn korte woorden, waarin de nood van Zijn door angst en ontzetting aangegrepen ziel, zich uit.
Anderzijds is ons uit Zijn mond opgetekend het uitvoerig hogepriesterlijke gebed (Joh. 17), waarin de Heere, in verheven rust gemeenschap met den Vader zoekt, en Zichzelf, Zijn discipelen en Zijn gemeente van alle tijden aan Zijn Vader opdraagt. Soms, gaat Jezus 's avonds laat de berg op met de bedoeling om daar te bidden. Daartegenover zijn de gebeden aan het kruis weer zeer kort.
De omstandigheden kunnen dus zeer verschillend zijn. Fel bewogen tijden vragen om korte, dringende gebeden. In de storm op zee kan Petrus alleen vragen: Heere, help mij! Maar Ps. 119 is een brede lofzang op de heerlijkheid van Gods Woord en Wet voor Gods aangezicht in de vorm van een gebed.
Hier is geen algemene regel te geven. Omstandigheden, karakter en geestelijk niveau zijn zo verschillend. Hoofdzaak is dat bidden ook werkelijk bidden zij. Dat vraagt om concentratie, zodat ons hart er bij is. Dan is zelfs ons zuchten voor God niet verborgen (Ps. 38: 10). Daarentegen kan een langdurig bidden, hetzij met eigen woorden of met die van formuliergebeden, een werktuigelijk cultiveren worden van de gebedsvorm, waar het leven uit is, soms in grove en soms in verfijnde vormen. Dat alles is in strijd met het wezen van het gebed. Maar dat kan zelfs bij een kort gebed het geval zijn.
Eigen woorden of formuliergebeden?
Wat het persoonlijke gebed aangaat is de keuze m.i. niet moeilijk. Het kleine kind moge een 'gebedje' leren bij de maaltijden en voor het gaan slapen. Maar al gauw komt er vaak een persoonlijk element in. De moeder gaat bij het slapen gaan mee en praat met haar kleine jongen of meisje over dat wat gevraagd zal worden; al is het wenselijk, dat dit vaker ook door de vader gedaan zou worden, opdat het kleine kind het godsdienstige leven niet te zeer als een vrouwelijke aangelegenheid zal opvatten, waar stoere mannelijkheid zich aan ontworstelt. Voor bedreven kwaad zal de kleine dan om vergeving leren vragen en bij ziekte in de familiekring of onder vriendjes of vriendinnetjes om beterschap. Als de jongen of het meisje groter wordt, houdt het bidden in de vorm van een vaste formule menigmaal vanzelf op, omdat het leven met z'n taloze complicaties in de wereld daarbuiten en van binnen langzamerhand opengaat. Daarbij gaan bij het opgroeien ook allerlei aanvechtingen behoren, zelfs ten aanzien van het bidden zelf. Dan houdt het van buiten geleerde gebed het niet uit. Het gebed wordt het moment, waarop men tot God komt met die verborgen noden, zonden en twijfelingen, die men vaak aan mensen niet kwijt kan en waarvoor men ook bij mensen zelfs weinig of geen begrip durft te verwachten (soms ten onrechte). We mogen dankbaar zijn voor onze Psalmbundel, waarin wij gesprekken met God mogen afluisteren. Men mag het individuele moment uit die Psalmen niet wegdoctrineren, door te stellen, dat het persoonlijke element helemaal opgaat in het geheel van het volk Israël. Want hoe sterk de verbondenheid met het volk ook is, de Psalmist neemt vaak afstand van de grote menigte der goddelozen onder het volk en zijn 'ik' is vaak duidelijk allerpersoonlijkst (b.v. Ps. 51, Ps. 56 en zovele andere). Prof. Joh. H. de Groot, de bekende Oud-Testamenticus, noemt in zijn boekje over de Psalmen dit bijbelboek 'het boek der ziel, waarin, niettegenstaande een sterke nationale en cultische gebondenheid het innerlijke en geestelijke sterk op de voorgrond staat'. Hij wijdt daar een heel hoofdstuk aan, wijst op echt individuele Psalmen als Ps. 42, 73, 88 en 130 en noemt de collectieve verklaring (dus 'ik' als Israël of gemeente der vromen) na de studies van Rudolf Kittel verouderd. Ook in onze tijd willen velen het persoonlijke weer opofferen aan het gemeenschappelijke. Maar de Psalmdichter zegt: déze ellendige riep en de Heere hoorde (Ps. 34: 7).
Nu, die Psalmen, waarin 'wij alle heiligen in het hart zien' (Luther), zijn allerminst een pleidooi voor het bidden met andere dan de bloedeigen woorden. Daarvoor zijn ze te markant, te verschillend van toon, inhoud en omstandigheden, ook al worden ze aan de priesterkoren ter beschikking gesteld.
Juist in het persoonlijke gebed komen de details van ons leven aan de orde: zorgen, waarmee we niemand willen bezwaren; zonden en bestrijdingen, die we niet voor een ander oor zouden durven blootleggen; dankzeggingen voor dingen, waarin een vreemde niets bijzonders zou zien; stukken zielsgeschiedenis, die voor vreemde ogen onontwarbaar zouden zijn.
Bij het openbare gebed komen meer grote trekken, dingen, die velen in Gods kerk gemeenschappelijk hebben, aan de orde. Daar komt een formuliergebed eer in aanmerking. Daar zullen we het t.z.t. over hebben.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's