De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De moeilijke weg  van Willem de Mérode 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De moeilijke weg van Willem de Mérode 1

8 minuten leestijd

Inleiding
Het verschijnsel homofilie of homoseksualiteit heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. Je zou soms wensen: be-- steedde men er maar minder aandacht aan, want de belangstelling voor deze en andere vormen van seksualiteit kan zeer bedenkelijke kanten hebben. Anderzijds mogen we de problematiek op dit terrein niet uit de weg gaan. Voor velen in onze tijd — en vroeger! — liggen hier enorme, vaak benauwende problemen. Er zijn ook in dit opzicht mensen in nood, mensen die zich vaak alleen voelen staan, terwijl ze recht hebben op steun én recht om te weten wat de bijbelse grondlijnen zijn voor dit aspect van het menselijk leven.

Het valt in onze tijd vooral op dat iemand die homofilie op grond van de Bijbel niet anders kan zien dan als zonde, vaak het verwijt naar het hoofd geslingerd krijgt dat hij harteloos is en alle christelijke naastenliefde mist. Hij schopt de homofiele naaste in de hoek, zo zegt men, en laat hem in de kou staan.

Is dat zo? Ik dacht dat er geen sprake is van liefdeloosheid als we tegen de homofiele naaste twee dingen zeggen: God verwerpt de zonde — ook de homofilie — maar God verwerpt de zondaar niet. God spreekt Zijn oordeel uit maar wil door Christus ook oprichten. Zo gezien geeft de Bijbel een verblijdende boodschap voor de homofiele mens: enerzijds veroordeling van onze zonden, anderzijds de mogelijk­heid tot redding en behoud, door Christus die zondaren zoekt en wil redden.
In dit artikel wil ik u de levensloop tekenen van de protestantse dichter Willem Eduard Keuning, die schreef onder het pseudoniem Willem de Mérode. Hij leefde van 1887 tot 1939 en was in ernstige mate homoseksueel. Mede daardoor heeft hij een leven gehad dat zwaar is geweest en door enorme diepten is heengegaan. De geweldige strijd die hij gevoerd heeft i.v.m. zijn geaardheid én de oplossing die hij gevonden heeft, verdienen nog altijd onze aandacht, vooral omdat De Mérode het gezag van de Bijbel ten volle wilde erkennen. Ik zal in dit artikel helaas weinig kunnen laten zien van de dichter De Mérode, al zal ik diverse malen uit zijn werk citeren. Misschien is dat bij een andere gelegenheid mogelijk, want hij is ook in dit opzicht onze aandacht alleszins waard. Hij behoort tot de weinige prot. chr. dichters van niveau uit de 20ste eeuw en aan zulke kunstenaars mogen juist wij niet achteloos voorbijgaan. Het gaat in dit artikel echter in het bijzonder om de mens, de christen Willem de Mérode, die overigens van de dichter moeilijk te scheiden is. ,

Het leven van Willem de Mérode tot 1924 1)
In het Noordgroningse dorpje Spijk kwam in 1887 Willem Eduard Keuning ter wereld. Hij was ziekelijk, bracht vele dagen in bed door en moest daardoor vaak de school verzuimen. Zijn moeder heeft hem in die jaren in de watten gelegd. Het is zeer wel mogelijk dat deze verwennerij van moederszijde zijn homofiele structuur in de hand heeft gewerkt. Het is immers bekend dat bij een jongen een te sterke moederbinding de weg naar anderen van het vrouwelijke geslacht kan blokkeren, waardoor de betrokkenheid op het eigen geslacht wordt bevorderd.
Willem kreeg de gelegenheid voor onderwijzer te studeren. In 1906 werd hij benoemd te Oude-Pekela, het jaar daarop te Uithuizermeeden, een dorpje vrij dicht bij zijn geboorteplaats Spijk. Daar zou hij 17 jaar blijven, tot de tragedie van het jaar 1924 aan dit alles een abrupt einde maakte.
Reeds tijdens zijn studie voor onderwijzer moet hij zich zijn homoseksualiteit bewust zijn geworden. Zijn gevoelens projecteerde hij op een vijf jaar jongere vriend, die zich dat toen niet bewust is geweest en het zich pas vele jaren later is gaan realiseren. Willem zat enorm met zijn gevoelens in de knoop. Zijn chaotisch gevoelsleven, de liefde die hij in z'n eentje beleefde — niemand kwam erachter, al vond men hem soms vreemd — reageerde hij af in zijn eerste gedichten, die vol staan van droefheid en onbereikbaarheid. Willem de Mérode was inmiddels zijn pseudoniem geworden.
De Mérode — 'meester Keuning' — deed te U. met plichtsgetrouwheid zijn werk, ondanks zijn voortdurende, zwakke gezondheid. Zijn onderwijs was boven alle lof verheven. Hij was goed voor de kinderen, zowel jongens als meisjes, maar wel trok hij jongens voor. De liefde voor hen bleef echter platonisch, d.w.z. niet-lichamelijk. Hij wees seksueel contact-in-engere-zin met hen af. Hij nam er genoegen mee sommige jongens wat snoepgoed toe te stoppen, hen wat te verwennen en enige vriendschap terug te ontvangen.
Zijn afkeer van meisjes werd wel opgemerkt, maar men vond het toch ook weer niet zó opvallend dat men hierbij aan homofilie ging denken. Men vatte het nogal laconiek op en men zei in het Gronings: 'Hai het gain vrauluuvlais an hom'. (Hij heeft geen vrouwenvlees aan zich).
Reeds in die jaren — ± 1910 — zag hij zijn gevoelens als zondig. Het maakte hem zeer onrustig. 'Vergeef o Heer, wat ik misdeed', schreef hij in een gedicht. Zijn geloof gaf hem aanvankelijk weinig steun, hoewel het groeiende was. Pas veel later zou het geloof hem blijvende rust en zekerheid geven. Een ernstige ziekte eind 1919 brengt De Mérode wél dichter bij God. Dan valt hij terug op God alleen en hij schrijft:
'Ik laat de heele wereld los en val
Uw Vaderarmen toe . . . God!
wees genadig!'
Hij gaat beseffen dat God de mens beperkingen oplegt als een kruis, zonder dat de mens altijd het waarom begrijpt. God snoeit. Hij hakt takken af. Het innerlijk conflict — aan niemand bekend dan De Mérode en God alleen — lijkt tot een oplossing te komen, omdat hij zich bij tijden durft over te geven in Gods Vaderarmen.

De crisis
Toch zou De Mérode nog een diepe crisis mee moeten maken, een crisis die uitliep op de dramatische gebeurtenis van 1924. De Mérode begon als dichter een zekere bekendheid te krijgen. Zo kwam hij in 1920 in contact met een letterkundige kring rond het tijdschrift 'Het Getij', waarin de homofilie welig tierde. Eén uit die kring, een zekere Ernst Groenevelt, was een praktizerende homofiel, die zich niet geremd voelde door het bijbels getuigenis en zich zonder meer aan zijn neiging overgaf. Deze Groenevelt is voor De Mérode een slecht leidsman geworden, een 'kwade genius'. Zelf had De Mérode zich tot die tijd niet aan seksueel contact-in-engere-zin over willen geven; hij wenste geen praktizerende homofiel te zijn en had altijd gekozen voor de onthouding, hierin de weg van de Bijbel volgend. Onder invloed van Groenevelt gaf hij tenslotte toe aan de seksuele verlangens van een jong vriendje, een oud-leerling. Hij gaf mede toe omdat de jongen erom vroeg en hij wilde de vriendschap niet kapot maken.
In februari 1924 barstte de bom. De politie had een tip gekregen, zocht de zaak tot op de bodem uit en nam De Mérode gevangen. Uithuizermeeden stond op z'n kop, het schoolbestuur moest hem wel ontslaan en de kerkeraad zette hem onder censuur. De Mérode werd van veel meer beschuldigd dan in werkelijkheid had plaatsgevonden: pers en gerecht wierpen zich met gretigheid op deze zaak van een christelijke onderwijzer. Uiteindelijk werd De Mérode veroordeeld wegens onzedelijke handelingen met één minderjarige jongen. De straf: 8 maanden gevangenis met aftrek van voorarrest en ontzetting uit het onderwijzersambt voor drie jaar.

Na de crisis
Eind 1925 vinden we De Mérode te Eerbeek, waar hij een paar kamers van een boerderij heeft gehuurd. Hij voelde zich een verschoppeling en was het ten dele ook: een deel van zijn familie, velen van zijn vroegere lezers en 'vrienden' wendden zich van hem af. Voor de Gereformeerde Kerk heeft hij bedankt omdat deze naast een schriftelijke ook nog eens een openbare schuldbelijdenis wilde hebben. Nooit meer is hij sindsdien lid van een kerk geworden. Slechts enkelen stonden hem bij, o.a. zijn moeder, de prot. chr. schrijfster Wilma en de bekende hervormde predikant H. C. Touw uit Eerbeek.
Van zijn moeder schreef hij: '
. . . . . (u) bleef trouw
en heeft de barre wildernis doortogen.
Uw stille lippen uit mijn wonden zogen
geduldig 't dodelijk venijn.
Wijl ik genas, leedt Gij de pijn!'
Tegen een vriend klaagde hij over zijn isolement en zijn verschopt-zijn met de volgende woorden: 'Dacht je dat ook maar één Gereformeerde zich erom bekommerde hoe 't met me gaat? Mijn boeken worden niet besproken. Ze meenen alles te mogen doen en zeggen. Zelf bidden ze: vergeef en werp mijn zonden achter Uwen rug in de zee van eeuwige vergeteldheid. Maar zelf vergeven ze niet en vergeten — nooit!' Commentaar is hier overbodig, dacht ik.
Ede                                                                                J. de Gier
(wordt vervolgd)


1) Voor de beschrijving van het leven van De Mérode heb ik een dankbaar gebruik gemaakt van: Hans Werkman: Het leven van Willem de Mérode. Amsterdam 1971.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De moeilijke weg  van Willem de Mérode 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's