De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

'En toch preken'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

'En toch preken'

12 minuten leestijd

Wie een boek schrijft met de titel En toch preken wil daarmee kennelijk zeggen, dat preken in onze tijd geen vanzelfsprekende zaak is. Er is de ontkerkelijking. Mensen lopen niet meer warm voor de prediking. Men onttrekt zich — al of niet met een kwaad geweten — aan de kerkgang. Een monologische preek heeft geen effect meer. Is de kerkdienst, als introverte aangelegenheid, niet een kansloze manifestatie geworden in de bruisende dynamiek van onze moderne maatschappij?
Er kwam heroriëntering op de prediking op gang vanuit de maatschappij-kritische theologie, die de prediking slechts aanvaardt voorzover deze als politieke profetie kan fungeren, waarbij alle nadruk valt op actie, protest en politieke meningsvorming. Maar prof. dr. H. Jonker — want over zijn boek En toch preken schrijf ik — zegt: 'Het is nog altijd de grote vraag of de huidige mens langs een moderne weg meer interesse zal gaan opbrengen voor prediking en geloof.' Jonker betwijfelt dat en komt tot de uitspraak, dat we nooit bij God uitkomen als we niet van Hem uitgaan. 'Op dit dilemma is maar één daad: en toch preken.'

Gebeuren van Godswege
In het eerste inleidende deel van het boek zegt Jonker treffende dingen over de theologie en de sociologie. De theologie loopt in het gesprek met de sociologen het gevaar haar waarheidsgehalte te verliezen. 'De theologie leeft en denkt en arbeidt vanuit de sabbath, vanuit de rust, vanuit het heil, vanuit de Godssprake van de eeuwigheid. De sociologie denkt en arbeidt vanuit de werkweek, de arbeid, de alledaagse werkelijkheid, de tijd . . .'
Over de zin van de prediking zegt de auteur, dat die ligt in de bewegende activiteit van God uit naar de mens toe. God openbaart zich als de sprekende God. Prediking is dan ook een gebeuren van Godswege. God proclameert en vestigt Zijn Rijk. Hij spreekt mensen daarbij aan 'in de taal van huis, de straat, de mensengemeenschap', al mag de stijl niet goedkoop en ordinair zijn, want wij hebben met God, met de verheven Schepper en Verlosser te maken. Door de overmacht van het Woord wordt het bestaan van de mens doorlicht, wordt Christus gepredikt als Verlosser, wordt de schoonheid van Zijn genade en zondaarsliefde voorgesteld en wordt de mens gesteld in de lofprijzing. 'Gods Naam wordt verheerlijkt, Zijn daden groot gemaakt, Zijn glorie bezongen'. Deze trits, die de trits van ellende-verlossing-dankbaarheid is, bepaalt de volheid van de bijbelse prediking.
In de prediking schrijdt Christus als het ware zelf door de rijen der kerkgangers heen. 'Waar de stem van de gezonden prediker weerklinkt druppelt het heilig bloed der verzoening ter aarde (Calvijn), het grote historisch offer van Golgotha is tegenwoordig.' Zo behoeft de prediking niet actueel gemaakt te worden; ze is actueel in zichzelf. Een actualistische preek is de wansmaak van de actuele preek, zoals kitsch de wansmaak is van kunst. Actualisme is de mislukking van de actualiteit. 

Vijf relaties
De prediker bevindt zich met zijn prediking in vijf interpolaire relaties (verhoudingen tussen twee polen). Deze relaties zijn:
a. De relatie tussen God en de mensen. God als de Soevereine en als de Verbondspartner en de mens, die voor Gods Aangezicht 'zichzelf wordt' en de Waarheid als waarachtige waarheid bevindelijk leert kennen.
b. De relatie tussen de oude en de moderne tijd. De prediker staat als tussenpersoon tussen de Godssprake vroeger en nu. Hij repeteert niet klakkeloos maar vertolkt de woorden Gods in het heden.
c. Hij staat in de rij van al de predikers die hem in de geschiedenis zijn voorgegaan, en tegelijk is hij niet in staat zich van zichzelf, van zijn tijd en van zijn situatie los te maken. De erfenis van het verleden mag niet klakkeloos worden overgenomen en kan evenmin klakkeloos worden afgeschreven. De prediking is weliswaar een persoonlijke inzet van de prediker, maar tegelijkertijd is die prediking de resultante van allerlei geestelijke bewegingen en wijzen van prediking, die in het verleden opgeld deden.
d. De prediker bevindt zich in de spanningsvolle verhouding tussen zijn 'ik' als dienaar en heraut (als ambtsdrager) en zijn 'ik' als gelovig mens en christen. Nooit vallen die twee samen. Slechts bij Christus was dat het geval. Profeten hebben echter vaak tegengestreefd voor ze zich aan de roeping van Godswege gewonnen gaven en ze hun 'ik' als persoon lieten samenvallen met hun 'ik' als dienaar van het Woord.
e. De dienaar staat tegenover zijn gemeente. Hóé staat hij tegenover zijn gemeente? Hij heeft vanuit het Woord een strijd te voeren met zijn gemeente. Maar in die spanningsvolle verhouding mogen gemeente en dienaar zich verheugen over de veelkleurige rijkdom van de wijsheid Gods.
Het zal duidelijk zijn, dat prof. Jonker met dit boek de kerk een dienst bewezen heeft door in een tijd waarin de prediking in diskrediet is, op zo fundamentele wijze op de diverse aspecten van de prediking in te gaan. Hij gaat daarbij eigentijdse vragen niet uit de weg en laat duidelijk zien dat de prediker van nu in de continuïteit van de kerk der eeuwen staat. In het slothoofdstuk geeft hij waardevolle richtlijnen voor de praktijk van het preken en op indringende wijze gaat hij in op allerlei facetten, die met de vertolking samenhangen, waarbij hij ook waardevolle doorkijkjes geeft in de geschiedenis van de preek-praktijk.
Op een tweetal facetten van de vertolking, die ik in zijn boek zeer waardevol en actueel vind, ga ik nader in. 

De kerk en Israël
Het eerste facet is de verhouding van kerk en Israël. De schrijver wijst erop dat negentien eeuwen lang de kerkelijke verkondiging in Israël een 'tegenover' gehad heeft. In die verhouding tot Israël is een ontwikkeling geweest. Bijna negen­tien eeuwen was er de fase van de volledige uitsluiting van Israël dóór de kerk. Daarna is gekomen de evangelisatie in Israël. Vervolgens het gesprek met Israël en thans zijn we gekomen in de situatie van het zogenaamde leerhuis. Jonker juicht het toe, dat er het groeiend inzicht is gekomen, dat het Nieuwe Testament niet vanuit de heidense filosofie maar vanuit het Oude Testament moet worden verstaan. 'Maar', zegt hij, 'toch mag het apostolisch getuigenis van de gekruisigde en opgestane Heere niet omgebogen worden naar de denkwereld en de interpretatiewereld van Oud Israël.' Zo komt hij tot fundamentele kritiek op het leerhuis, waar christenen en joden zich samen over de Bijbel buigen. Men is namelijk bezig het christelijk denken om te buigen naar het joodse denken, dat de Bijbel beter verstaanbaar zou maken en zich verzet tegen 'elke dogmatische doctrine als zijnde beïnvloeding door het Griekse denken.' Men benadrukt dat God en mens partners zijn in plaats dat men het mysterie van de drieënige God belijdt. Men ziet Jezus van Nazareth wel als mens, rabbi, leraar, maar wijst het geheimenis van Christus als tweede Persoon van de Heilige Drieëenheid af. Men trekt de verlossing en verzoening neer op de aarde. Men legt de nadruk op de daad der gerechtigheid en wijst Luthers ruil 'Christus mijn zonde en ik Zijn gerechtigheid' als goedkope genade af.
Bij het lezen van dit alles herinnert men zich het indrukwekkend betoog, dat prof. Jonker hield aan het slot van de hervormde synodezitting over het Getuigenis, toen hij duidelijk maakte, dat het spoor van de maatschappij-kritische theologie en prediking dat van de rabbijnen is, bij wie gerechtigheid een zaak is die gedaan moet worden, terwijl bij Paulus gerechtigheid een zaak is die geloofd moet worden. Daarom bewijst prof. Jonker de kerk een dienst door ook in het kader van de prediking op deze dingen in te gaan. Want hier liggen de punten, waarop de stromingen in de kerk momenteel fundamenteel uiteengaan. Over zijn positieve benadering van Israël als zodanig laat de schrijver overigens geen twijfel bestaan en ook dat is hoogst actueel. Maar Paulus verkondigde de dwaasheid van het evangelie en daarom: 'de kerk staat tegenover Israël maar Israël staat ook tegenover de kerk.'

Massameetings
Het tweede facet, wat betreft de vertolking, waaraan ik aandacht besteden wil is de massameeting. Daarover schrijft prof. Jonker ook behartigenswaardige opmerkingen. 'De massaliteit oefende en oefent een enorme invloed uit op de structuur van de prediking. De inhoud van de massaprediking is veel eenvoudiger dan die van de gemeenteprediking en de toepassing is veel sterker dan de uitleg.' Men gebruikt appellerende thema's: overgave aan Christus, breuk met het verleden, blijdschap over het heil, strijd tegen de zonde. Er gaat een suggestieve werking van uit en meestal wordt de bezieling dan aangezien als geestkracht van de Heilige Geest. Maar nuchter moet worden vastgesteld dat de massa als zodanig al bezielend werkt op de spreker. Hitler wist ook de massa op te zwepen. De prediker moet zich dan ook hoeden voor massasuggestie. Het is goed, dat Jonker op deze aspecten van de massaprediking wijst omdat deze prediking, bijvoorbeeld in opwekkingskringen, de gemeenteprediking nogal eens concurrentie wil aandoen. Evenwel schrijft de auteur deze prediking niet af. Ook hier kan sprake zijn van de geheimnisvolle arbeid van de Heilige Geest. De schrijver, wijst op de campagnes van Billy Graham. Bescheidenheid van de kerken is hier wel op z'n plaats, gezien het verschijnsel van leeglopende kerken.
Ik acht deze passage in Jonkers boek zeer waardevol en in onze tijd ook actueel. Nog een detailopmerking in dit verband. Als prof. Jonker bij dit punt van de massameetings ook over de toogdagen van de G.Z.B, spreekt blijkt zijn informatie wat verouderd te zijn. Hij spreekt over zevenduizend bezoekers. Zo was het enkele jaren geleden. Het aantal bezoekers is de laatste jaren sterk gestegen tot een aantal van ongeveer zestienduizend.

Bevinding
Mooie passages wijdt de schrijver ook aan de bevinding. 'Naast het uitwendige Woord moet ook komen het inwendige woord van de verlichting van de Heilige Geest in het hart van Gods gekenden.' Bevindelijke prediking, zo schrijft hij, sluit sterk aan bij wat Paulus schrijft over het werk des Geestes in ons en wat de psalmisten hebben bezongen en uitgekermd. Jonker wijst terecht op het gevaar van systematisering, waardoor mensen in zielsconflicten kunnen komen, maar zegt tegelijk dat bevindelijke prediking — eigentijds verwoord — een welkome bijdrage zou kunnen schenken tot de spirituele verdieping van de prediking in het heden.

Woord en Schrift
Tot besluit een kritische kanttekening. Moeite heb ik met de uiteenlegging door de auteur van Woord en Heilige Schrift. Terecht brengt de schrijver onderscheidingen aan door bij het Woord Gods te denken aan de sprekende God zélf (de wijze waarop Hij zich bekend gemaakt heeft), aan het vleesgeworden Woord Christus, en aan het Schriftgeworden Woord. Maar wat dit laatste betreft, ben ik toch geneigd te zeggen: we hebben geen ander Woord Gods dan zoals het in de Schrift tot ons komt. Jonker zegt evenwel: 'Nergens identificeert het bijbelwoord zich in absolute zin met het Woord Gods, omdat de Bijbel in de tijd is ontstaan, terwijl het Woord Gods van eeuwigheid is.' De Heilige Geest brengt in elke tijd de Schrift tot spreken, correlleert het Woord Gods met de Heilige Schrift, spitst het toe op telkens nieuwe situaties. Door op deze wijze te onderscheiden tussen Woord en Schrift meent de auteur dat er alleen maar de mogelijkheid is om eigentijdse vragen vanuit de Schrift te benaderen en wijst hier bijvoorbeeld op het vraagstuk van geloof en wetenschap, de evolutie, gezinsvorming en andere vragen. Omdat punten als deze niet concreet worden uitgewerkt is het ook moeilijk om concreet in beeld te krijgen welke consequenties deze onderscheiding Woord en Schrift heeft. De Ned. Geloofs Belijdenis wijst echter dunkt me meer in de richting van identificatie als deze zegt: 'wij geloven zonder enige twijfel alles wat daarin (in de heilige en canonieke boeken) begrepen is'; waarbij dan komt, dat het de Heilige Geest is die in onze harten getuigenis geeft dat ze van God zijn. De Geest zal in alle tijden, ook bij de eigentijdse problemen in alle waarheid leiden vanuit het Woord.
Ik zou toch wel de identificatie van de Heilige Schrift als zodanig met het Woord Gods willen aanhouden, zoals ook in de belijdenisgeschriften de woorden Heilige Schrift en Woord Gods dooreen worden gebruikt, al realiseer ik me wel, dat de schrijver wanneer hij spreekt over de identificatie, hij het Woord Gods in absolute zin noemt.
Intussen besef ik zeer wel dat aan het Schriftgezag immense problemen zitten zodra het gaat om de concretisering. Welke onderscheiding men ook aanbrengt of welke opvatting men heeft inzake het gezag van de Schrift, bij de vertolking en de toepassing, om de concretisering. En dan gaat het ook inderdaad erom, dat de Heilige Geest de woorden van de Bijbel tot ons doet komen en licht doet opgaan over de situatie waarin we ons bevinden. Ook al wordt de Schrift niet dan pas Woord Gods wannéér de Geest dit licht doet opgaan, het wordt dan wel waarheid in het binnenste.
Ten besluite. Graag wil ik de lezing van dit boek stimuleren. Het biedt ruime stof tot nadenken voor ieder die bij de prediking betrokken is. De dominees kunnen er hun winst mee doen maar ook geïnteresseerde niet-theologen zullen in dit boek een rijk arsenaal vinden, waaruit ze putten kunnen in de huidige situatie; een situatie, waarin preken voor velen niet vanzelfsprekend meer is maar waarin de schrijver terecht zegt: en tóch preken!

dr. H. Jonker: En toch preken. Uitgave Callenbach, Nijkerk; 150 pagina's; ƒ 14, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

'En toch preken'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's