Uit de pers
De reformatorische prediking
Nog altijd staat de gereformeerde gezindte in de aandacht van de kerkelijke pers. Dat is niet zo vreemd. Want hoewel enerzijds de versplintering op het erf van deze beweging groot is en er organisatorisch nauwelijks sprake is van vorderingen — ondanks het goede werk van het C.O.G.G. — is anderzijds de invloed van de reformatorische prediking groot, tot ver buiten de gereformeerde gezindte. Waar gaat het om in deze reformatorische vertolking van het Evangelie? Prof. C. Veenhof wijst in een artikel, getiteld 'Kentering?' in Opbouw van 21 december op de noties van zonde en genade, de radicaliteit van onze verlorenheid, de verlossing door Christus alleen, de verzoening in Hem en de noodzaak van het geloof. Men kan ook zeggen: reformatorische prediking is trinitarische prediking. Veenhof memoreert voorts de invloed van het Getuigenis, de weerklank die het gehad heeft bij duizenden.
Hij spreekt in dat verband van een nieuwe bewustheid van de betekenis van dit reformatorisch belijden in het kerkelijk leven, pers, politiek, onderwijs.
Ook wat op het gebied van de dagbladpers gaande is verdient de aandacht. Zoals men weet is 'Trouw' een aantal jaren geleden met dr. Bruin Slot, 'links' afslaande, 'door de bocht' gegaan. Door een uitgebreide, permanente en sympathieke berichtgeving is dat blad een effectieve propagandist geworden van de 'nieuwe' theologie en allerlei moderne oecumenische experimenten en activiteiten. De politieke voorlichting die het geeft is meer verwant aan de ideeën van de PPR dan aan wat de z.g. 'confessionele' partijen voorstaan. Bij de laatst gehouden verkiezingen was de redactie ervan er niet toe te krijgen het stemmen op een 'confessionele' partij aan te bevelen. Tenslotte mocht een rotterdamse redakteur dat door middel van een advertentie (!) in zijn eigen blad doen. De marxistische Reckman kreeg onlangs de volle gelegenheid zijn ideeën daarin te spuien — 'Wij gunnen de wereldraad dezelfde ontwikkeling die duizenden christenen overal ter wereld doormaken, de verbinding tussen het woord Gods en het 'Kapital' van Marx'. — De nieuwe maatschappij-kritische school van minister van Kemenade werd met een voorzichtige sympathie besproken. En met stomme verbazing hebben velen gelezen dat Trouw Breznjev, de man die de bezetting van Tsjecho-Slowakije doordreef en het Tsjechische volk daardoor van zijn vrijheid beroofde, serieus als candidaat voor de Nobel-prijs van de vrede naar, voren schoof!
Zoals algemeen bekend is, is de financiële positie van Trouw zeer wankel. Ondanks de fusie met het Rotterdammer-kwartet. Er zijn al weer plannen voor een nieuwe fusie om het zinkende schip boven water te houden. Het aantal abonnees is maar een fractie van wat het in de aanvang bezat. Volgens Persberichten wil minister Van Doorn aan Trouw 10 miljoen gulden lenen op voorwaarde dat het zo gauw mogelijk gaat samenwerken met de Perscombinatie waarin de Volkskrant en Het Parool verenigd zijn.
En daartegenover ziet men dat, ondanks de voor kranten wel zeer moeilijke tijden, het Friesch, het Nederlands en het Reformatorisch Dagblad gestaag groeien en ze schijnen financieel gezond te zijn. Het Friesch Dagblad dat krachtig de noodzakelijkheid van een principieel christelijke politiek bepleit, kreeg van zijn abonnees een renteloze lening van meer dan één miljoen gulden! Het Nederlands Dagblad zag het aantal van zijn abonnementen stijgen tot boven de negentien duizend. En het jonge Reformatorisch Dagblad groeide het vorig jaar meer dan ieder ander dagblad en mikt al op dertig duizend abonnees.
Een opvallend gebeuren is ook de oprichting van een Reformatorische Sociale Academie en een Reformatorische Bijbelschool. Die worden gedragen door onderscheiden nuances van de 'gereformeerde gezindte'. Zij kozen als grondslag de Heilige Schrift als het onfeilbare, gezaghebbende Woord van God en vragen van alle medewerkenden instemming met de reformatorische confessie. Voor de Reformatorische Sociale Academie werd in korte tijd reeds meer dan een miljoen bijeengebracht.
Ik wil in dit verband er ook nog op wijzen dat de studentenorganisatie die haar leden vooral uit de 'rechtervleugel' van de gereformeerde gezindte recruteert van jaar tot jaar groeit. Wie daarmee in aanraking kwam zal zich verbaasd hebben over de ernst en de kennis van zaken waarmee daar geworsteld wordt om het moderne leven en de vragen van de dag te bezien in het licht van de Heilige Schrift. Het aantal academici in die kringen neemt steeds toe. En het tijdschrift daarvan, 'Wapenveld', is er een van allure. Er worden voortreffelijke artikelen in gepubliceerd. En zonder in kultuuroptimisme te vervallen wordt daarin met alle energie gezocht naar de wijze waarop hier en nu een christen zijn roeping in allerlei sectoren van het moderne leven moet vervullen.
Het is van belang deze ontwikkeling der dingen nauwlettend te volgen. Wie dat doet vraagt zich af of het centrum van het reformatorische leven en denken zich al meer gaat verleggen van de Gereformeerde Kerken, de Vrije Universiteit, de A.R.-Partij naar groepen en instellingen die vroeger alleen maar een randfunktie vervulden. Onlangs schreef prof. Berkhof dat de Theologische Hogeschool van Apeldoorn langzamerhand de rol gaat vervullen die vroeger de theol. faculteit van de V.U. was toebedeeld.
Wat uit dit alles groeien zal kan niemand zeggen. Uiterst opvallend is ongetwijfeld dat terwijl in de Geref. Kerken het reformatorische leven en denken zienderogen verzwakt dat binnen de Herv. Kerk zichtbaar krachtiger wordt. En menigeen vraagt zich af wat zowel van het ene als van het andere de oorzaak is.
Nu moet men uiteraard met getallen voorzichtig zijn. Licht komt er in het spreken dan een triomfalistische toon die beslist niet gereformeerd is, eerder hautain en zelfverzekerd. Veenhof zelf erkent en signaleert dit gevaar. Maar het zij de schrijver toegegeven: Getallen zeggen ook weer niet niets. Wij mogen dankbaar zijn als op allerlei terrein de invloed van het reformatorisch belijden doorwerkt. Tegelijk moet het ons pijn doen, wanneer we zien dat het gereformeerd besef binnen de kerk die na de hervormde de grootste protestantse kerk in ons land is, afneemt. Veenhof noemt de VU in Amsterdam. Haar theologische faculteit is voluit in die verschuiving betrokken. Hoe ver zal dat doorgaan of zal de wal het schip keren? Wij hebben juist vanuit de eenheid van de gereformeerde gezindte te bedenken dat we hier voluit bij betrokken zijn. Met name wijlen ds. Boer wees er herhaaldelijk op dat de ontwikkeling in de gereform. kerken ons niet alleen met zorg moet vervullen, maar dat we bovendien deze kerken niet mogen afschrijven. Contact met die groepen die ook daar een reformatorisch reveil voorstaan is nodig. En bovenal het gebed dat God ons door Zijn Geest reformere en vernieuwe tot de gehoorzaamheid van het geloof aan de Christus der Schriften.
Alle kwantitatieve overwegingen, inzake getallen etc, mogen ons niet doen voorbijzien aan dit laatste aspect dat naar mijn mening het belangrijkste is: De zorg, dat belijden en beleven niet uit elkaar gerukt worden. De actualiteit van het reformatorisch belijden raakt immers ons eigen bestaan.
De nederlandse geschiedenis
Van de reformatorische prediking naar de nederlandse geschiedenis is een hele stap. Men mag die twee grootheden zeer beslist immers niet laten samenvallen. Geschiedverheerlijking is ons vreemd. En de geschiedenis is geen bron van openbaring. Maar de reformatorische prediking en de nederlandse geschiedenis hebben toch ook weer het een en ander met elkaar te maken, al was het alleen maar dat het zaak is erop te letten hoe deze prediking in de loop der eeuwen heeft doorgewerkt. Onze vaderlandse geschiedenis is immers zonder de beginselen van het Calvinisme niet te denken en niet te verstaan.
Hoe staat het met de kennis hiermee bij onze jeugd? Het Fries Dagblad van 8 december vertelt hierover het volgende. Het gaat over Groen van Prinsterer:
Zijn werk is nog altijd van grote betekenis. Zijn lezingen over Ongeloof en Revolutie worden thans vertaald, om in Amerika opnieuw te kunnen worden uitgegeven. Wij hebben telkens, als wij over deze grondlegger van de Antirevolutionaire of Christelijk-Historische richting in Nederland schreven, in de veronderstelling geleefd, dat wij over iemand schreven, wiens naam onze lezers bekend voorkomt.
Maar die veronderstelling gaat maar ten dele op. Uit een enquête is gebleken, dat van een vrij grote groep van vijftienjarigen, die allemaal een Christelijke basisschool hadden bezocht, niemand wist, wie Groen van Prinsterer was.
Trouwens, uit verschillende enquêtes omtrent de kennis bij oud-leerlingen van Christelijke scholen bleek in het algemeen een ontstellende onkunde omtrent de vaderlandse geschiedenis.
Toen aan zeventig schoolverlaters, die geschikt werden geacht voor het volgen van het onderwijs op een lyceum, bij een test ook de vraag werd voorgelegd, wie Frederik Hendrik was, hadden 20 geen idee. Enkele vulden in Us heit, ook enigen: een koning van Nederland. Ook dachten een paar, dat hij stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe was geweest, één versleet hem voor de man van Koningin Emma en er was ook een, die vertelde, dat hij raadspensionaris was geweest. Op de vraag, wat 1584 tot een bekend jaartal maakte in onze vaderlandse geschiedenis, bleken 22 leerlingen niets te kunnen melden. Anderen vulden achter dit jaartal in; Jan de Witt vermoord, begin van de eerste wereldoorlog, slag bij Waterloo, begin van Kerkhervorming, begin van de Franse revolutie. De lijst van absurditeiten is nog veel langer, maar het is zo genoeg.
Het betreft allemaal leerlingen van Christelijke scholen, en dan de groep, die als begaafd werd beschouwd. En Groen van Prinsterer was bij een andere test, zoals gezegd, over de gehele linie onbekend. Er komen vreemde vragen bij ons op.
Terecht tekent een commentator in Waarheid en Eenheid hierbij aan: Deze vragen zetten het sein op rood. Het is immers een veeg teken als het historisch besef gaat ontbreken. Wij plegen als het gaat over christelijk onderwijs doorgaans allereerst de vraag te stellen: Hoe is het gesteld met het bijbelonderwijs op de scholen. Dat die vraag primair gesteld wordt is juist. Maar juist van christelijk onderwijs mag ook verwacht worden dat de geschiedenis aandacht krijgt en dan ook, dat deze geschiedenis bezien wordt vanuit een reformatorisch standpunt. Want als het historisch besef vervaagt, is de poort vrij voor andere invloeden.
Versobering, een oordeel van God?
Tenslotte geven we het woord aan ds. S. Kooistra die in het Herv. Weekblad van 3 januari schrijft over de crisis in het Midden-Oosten, de versobering, de politieke situatie mede ook met het oog op de prodiking der kerk.
Als we het nog niet wisten, hebben we het zondagavond 23 december j.l. uit de mond van de ministerpresident drs. Den Uyl kunnen horen, dat ons in het nieuwe jaar versobering te wachten staat. (. . .) En dat alles tengevolge van het conflict rondom Israël! Onze sympathie voor Israël heeft ons de boycotmaatregelen van de Arabische oliestaten bezorgd. Zullen wij spijt hebben van onze sympathiebetuiging met Israël? Prof. Berkhof heeft een poging gedaan om de jongste vergadering der synode te helpen aan een verklaring inzake de oliecrisis. Met enkele andere synodeleden had ik die eer om op verzoek van het moderamen het concept Berkhof nader te bekijken en eventueel om te werken en het er zo door te krijgen. De tekst van de enigszins door ons omgewerkte verklaring volgens het concept van prof. Berkhof heeft men kunnen lezen in 'In de Waagschaal' van 8 december j.l. Het heeft geen zin om deze verklaring alsnog in ons weekblad over te nemen. Want wij hebben het niet gehaald in de synode. De discussde was zo verward, dat ik na de woorden van ds. Groenenberg voorstelde hierover niet te laten stemmen. De synode had juist tevoren de indringende verklaring van ds. Aalders c.s. met grote meerderheid verworpen. Toch heeft het me gespeten, dat de synode nu niet met een eigen woord gekomen is in verband met de oliecrisis. Als ik over alles terugdenk komt het mij voor, dat de synode niet tot een aanvaarding van deze verklaring kon komen, omdat de verklaring wat tweeslachtig was. Aan de ene kant was het de bedoeling om onze blijvende sympathie met Israël te betuigen ondanks de oliecrisis. Wij mogen niet neutraal staan inzake het conflict rondom Israël. Aan de andere kant werd de vermindering van onze welvaart door de oliecrisis een 'verdiend gericht' genoemd. De synode meende, dat de brief van het Breed Moderamen aan de Joodse rabbijnen al voldoende onderstreept had de sympathie voor de staat Israël en een nadere verklaring in dit opzicht overbodig maakte. En wat het tweede betreft, had men enige moeite met een soort 'geschiedenistheologie' van Berkhof om de gedwongen versobering te zien als een 'verdiend gericht'. Zou dit niet verkeerd overkomen bij het Nederlandse volk? In het dagblad Trouw-Kwartet heb ik verschillende ingezonden stukken gelezen, die geïnspireerd door de heer Jongeling, het weglaten van de bede om Gods zegen in de Troonrede de reden noemden van Gods oordeel over Nederland in verband met de oliecrisis. Dit is me toch wel wat al te gemakkelijk-rechtlijnig gedacht. Zo bedoelde prof. Berkhof het natuurlijk niet. Maar hij zag wel o.a. onze welvaartsstijging, de steeds verbredende kloof tussen arme en rijke landen, het uitputten van de bodemschatten en ons in gebreke blijven hiermee op te houden nu 'gestraft' met deze gedwongen versobering.
Vandaar de uitdrukking 'een verdiend gericht'. Heeft o.a. de club van Rome ons al niet eerder gewaarschuwd? Persoonlijk was ik niet helemaal ongevoelig voor deze visie van Berkhof. En ik herinner mij, dat hij een soortgelijke gedachte heeft ontwikkeld in Wending destijds naar aanleiding van de stormramp 1 februari 1953. Toen schreef hij — ik citeer uit mijn hoofd — over boeren op Flakkee, die de ramp, het verlies van hun vee en land, voelden als een oordeel, omdat zij destijds in de oorlogsjaren voedsel hadden geweigerd aan hongerende Rotterdammers. Een dergelijke 'bevindelijke' reactie. op ondervonden leed kan ik hoog waarderen. Maar hebben wij het recht als synode bijv. profetisch een ramp of de oliecrisis een oordeel Gods te noemen? Kunnen wij wel evenals de profeten van het O.T. de wereldpolitiek namens God doorlichten? Ik schreef daar al eens eerder over, dat ik niet de moed heb bij allerlei politieke ontwikkelingen te zeggen: Alzo spreekt de Heer! Kunnen we zeggen, dat Gods Hand ons getroffen heeft door de olieboycot van de Arabische staten? En mochten we zeggen in 1953, dat Gods Hand onze Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden getroffen had? En toch . . . ik werd op de zondag na de capitulatie (Zondag 19 mei 1940) getroffen door een preek van de legerpredikant, de Chr. Geref. ds. Smits, dite ik hoorde in de Herv. Kerk van Lexmond over 1 Petrus 5: 6 'Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd'. De Duitse aanval (Hitler!) een instrument in Gods Hand om ons te geselen? Moeilijk om dit zo maar te aanvaarden. Dan moeten we toch allereerst onderstrepen, dat Hitler een demon was, bezeten door een satanische geest met zijn Jodenhaat en heidense verheerlijking van het Duitse bloed. Maar Petrus schrijft aan vervolgde christenen in Klein-Azië, die het ervaren, hoe hun tegenpartij, de duivel, rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden. En toch: Vernedert u onder onder de machtige hand Gods! Het aandeel van de duivel en de schuld van de mens mogen wij in de wereldpolitiek niet voorbijgaan en toch kan het zijn, dat God ons iets te zeggen heeft in de huidige situatie van de gedwongen versobering. Zullen wij bereid zijn om op de plaats der nederigheid te gaan staan, waar God ons alléén vinden kan? Graag verwijs ik ook naar een preekschets van wijlen dr. J. Koopmans over deze tekst (Laatste Postille pag. 34 w), geschreven in de oorlogstijd! Ik durf de situatie van de christenen in Klein-Azië, aan wie Petrus schreef, nauwelijks vergelijken met onze situatie. Zij kenden vervolging, lijden om Christus' wil, moeten alleen wat 'Zuinig over de drempel' (Wim Kan) van het nieuwe jaar.
En heeft Israël het niet veel moeilijker dan wij? Krijgen wij dezelfde situatie als door de eeuwen heen, dat allen zich tegen Israël keren? Waarom heeft dit volk altijd moeten lijden? (. . . ) Laat ik dit eerste artikel in het nieuwe jaar 1974 besluiten met de dringende bede, dat de Here God Zijn zegen zal geven over de vredesbesprekingen in Geneve, opdat Israël in vrede met zijn Arabische buren leven zal. Voorts heeft de Kerk uw aller gebed nodig, opdat zij werkelijk het Woord Gods moge leren spreken over de verhouding van de enkeling tot God maar ook over politieke vragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's