De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heilige Geest en de  prediking van het Woord 5

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heilige Geest en de prediking van het Woord 5

9 minuten leestijd

In de kracht des Geestes
Zo is het Woord tot de gemeente gekomen: Ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht en in de H. Geest en in veel verzekerdheid (Masson vertaalt: vervloeiende zekerheid, vert. N.B.G. volheid) 1 Thess. 1: 5. De bron van die verzekerdheid was de Heilige Geest, zoals in de Handelingen sprake is van de grote vrijmoedigheid van de apostelen in die kracht des Geestes (Hand. 4: 31). Als de apostel spreekt van ons evangelie dan bedoelt hij het Evangelie, dat door hem en zijn medewerkers aan de gemeente is gepredikt (2 Cor. 2: 12; 10: 14). De Thessalonicensen hebben het Woord aangenomen met blijdschap des Heiligen Geestes. De Heere heeft hen geroepen 'door ons Evangelie tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus' (2 Thess. 2: 13). In dat alles wordt de verkiezende genade Gods openbaar. En als wij vragen: Hoe kwam dat alles toch en hoe kon dat? Waren de omstandigheden zo gemakkelijk? Had men daar in die gemeente toen alles mee? Integendeel. Maar toch was er vreugde ondanks de verdrukking waaronder men moest lijden en ondanks alle bedreigingen was er bij de apostelen een overvloeiende zekerheid en rust. Hoe dat kwam? Omdat het Evangelie geen zaak van woorden is, maar van de kracht des Geestes. De Thessalonicensen hebben het Evangelie ontvangen in geloof en daarin openbaart zich de kracht van de Heilige Geest, want niemand kan zeggen, dat Jezus de Heere is dan door de Heilige Geest. (1 Cor. 12: 3). Het Woord ging niet langs hen heen, maar zij werden navolgers van Paulus én van de Heere en zij zijn voorbeelden (typen) geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje (1 Thess. 1: 6). Paulus wil zeggen: Hier werd iets gezien van echt, authetiek geloof. Hier in Thessalonica verwerkelijkt zich een 'typisch' gebeuren. — Zoals vele malen in het Nieuwe Testament (Luc. 1: 35) worden Heilige Geest en kracht in één adem genoemd. — Paulus wil hier zichzelf niet verdedigen en vertellen, wat hij tot stand heeft gebracht. Hij zoekt geen mensen te behagen. Maar hij wil onderstrepen, dat het allemaal niet voor niets is geweest. (1 Thess. 2: 1). Hier is het. Paulus klimt op tot de bronwel van alle genade, die in Thessalonica is ervaren om de Heere de ere te geven, want de uitnemendheid der kracht is Godes en niet uit ons. Zo dankt hij God zonder ophouden dat als de Thessalonicensen het Woord der prediking hebben ontvangen zij dat ontvangen hebben niet als mensenwoord, maar gelijk het waarlijk is Gods Woord. En dat is het in waarheid. Gezegende gemeente waar het zo gepredikt wordt en waar het zo ontvangen wordt.

Woord en Geest
De Geest van het Woord mag niet losgemaakt worden van de prediking van het Woord, noch ook de prediking van de Geest, die in alle waarheid leidt. Bij Calvijn vinden wij over het nauwe verband tussen de Heilige Geest en het Woord vele opmerkingen (zie o.a. S. v. d. Linde: De leer van de Heilige Geest bij Calvijn, blz. 170vv en W. Balke: Calvijn en de Doperse radicalen, blz. 343 v). Op enigerlei wijze, enigszins (quodammodo) is de kracht des Geestes in de prediking ingesloten. De verbinding en band van de genade van Christus met het werk van de mens is van die aard, dat vaak aan de dienaar wordt toegeschreven wat alleen des Heeren is. — Maar hier is geen sprake van een automatische band en de prediking is geen voertuig van Gods genade ex operae operate — vanzelf uit de daad van de prediking voortvloeiende. Al zegt Calvijn, dat de zichtbare gaven des Geestes daar verwacht mogen worden, waar Christus 'solide' wordt gepredikt, dat er zegen verwacht mag worden — dat sluit uitzien naar die zegen in, en de verwachting is een biddende verwachting — het is de Geest, die de ogen opent, die waarheid van het heil openbaart. Hij geeft verlichte ogen des verstands (Ef. 1: 17, 18). De Heilige Geest neemt het dekstel (de sluier, het masker) weg, dat op hart drukt en dat de ogen bedekt, waardoor de Schriften niet worden verstaan (2 Cor. 3  15). Ons komt niets toe uit het horen van het Woord zonder de genade van de Heilige Geest, zo tekent Calvijn aan bij de geschiedenis van Lydia (Hand. 16: 14). Prediking alleen is een dode letter. Als onze prediking niet uit de kracht van de Heilige Geest komt, dan is zij vergeefs en dood (zo bij 1 Cor. 4: 20). Inderdaad, dat is soms de enige reactie op de prediking: Het doet mij niets en het zegt mij niets. — Indien ook maar te vergeefs!
Over de dienst des Woords in Filippi lezen wij: 'Toen opende de Heere het hart van Lydia, dat zij acht gaf op hetgeen van Paulus gesproken werd'. Zij gaf acht op de woorden van Paulus gesproken, d.i. zich over aan (zie Hand. 8: 7). De schare hield zich aan het hetgeen door Filippus gezegd werd, zich overgeven aan het Woord, zich toeleggen op het Woord. Houd u aan hetgeen gij gehoord hebt (Hebr. 2: 1; 1 Tim. 4: 13). Lydia kon het Woord der prediking niet kwijt raken, zij was er voortdurend mee bezig, zoals van Maria geschreven is, dat zij de woorden als een schat bewaarde (Luc. 2: 19). Zoals op Pasen geschiedde Luc. 24: 45). Toen opende de Heere hun verstand (gemoed, geest; zelfde woord o.a. Rom. 7: 23; 1 Cor. 1: 10). 'Niet alleen het geloof maar alle kennis van en inzicht in de geestelijke dingen is een bijzondere gave Gods en het spreken van de dienaren zal niet baten tenzij de inwendige roeping er bijkomt' (Calv. Hand. 16:14).
De wetenschap, dat alleen door de werking van de Heilige Geest de kracht van het Woord tot leven en zaligheid zal worden ervaren moet de gemeente en de dienaar des Woords tot een afhankelijk leven brengen van gebed en verwachting. Paulus vraagt om de voorbede van de gemeente, dat God ons de deur des Woords opene om te spreken de verborgenheden van Christus (Col. 4: 3) en elders (2 Thess. 3: 1 vv). Bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop mag hebben en verheerlijkt worde. De Thessalonicenzen hebben zelf iets van de kracht van het Evangelie ervaren en daarom deze vraag om voorbede.
Het gaat hier niet om Paulus' persoonlijke belangen, maar om de voortgang van het werk Gods. Hoevele machten zoeken niet barrières op te werpen om de voortgang van het Woord Gods tegen te houden en de stroom te blokkeren of af te snijden! (vergelijk Ps. 147: 15 Zijn Woord loopt zeer snel).

Waar de gemeente recht op heeft
De gemeente heeft er recht op, dat haar het Evangelie gepredikt wordt en niets dan het Evangelie en geen ander Evangelie. Het Evangelie in zijn rijkdom en in zijn veelzijdigheid, het Evangelie, dat de gehele mens in beslag neemt en zijn licht werpt op het gehele leven van mens en wereld. Menigmaal wordt in de Schrift tegen dwaalleraren gewaarshuwd (I en II Tim.; 2 Petr.; Judas). Tegen de valse profeten en hun boodschap, die zij gestolen hebben. Zij zeggen dat de Heere heeft gesproken en de Heere heeft het niet gesproken (Jer. 23: 30, 31). Hooft niet naar hun woorden zegt Jeremia (h. 23: 29). Met leugen in hun mond staan zij voor de gemeente (Ezech. 30: 31). Voorbeelden uit alle eeuwen bevestigen de aanklacht van Calvijn: 'De waarheid wordt niet altijd u in de boezem der herders gevoed en het behoud van de Kerk hangt van hun staat niet af. Zij moesten wel voorstanders en bewaarders zijn van de vrede en het heil der kerk, geroepen als zij zijn om die te bewaren maar het is iets anders te doen wat de mens schuldig is te doen en iets anders te moeten doen wat men niet presteert' (Inst. IV: 9, 4). Wij weten zeer wel, dat het publieke getuigenis van 't Woord des Heeren allang van autoritair woord in het openbare leven tot een stem onder vele geworden is. En toch zal de Kerk het moeten doorgeven met de eis en de aanspraak, die past bij het: 'Alzo zegt de Heere'. Alleen dan kan de preek met het Amen worden beëindigd, omdat het en voorzover het een spreken was in Christus in de tegenwoordigheid Gods; het Woord komt van God en is uit God. Als men zegt, zoals dikwijls geschiedt, dat het Woord altijd weer zakelijk haar autoriteit moet bewijzen, dan is ons antwoord, dat de autoriteit nooit ligt in hem, die voorgaat, maar daarin dat achter het Woord der prediking de autoriteit staat van de hoogste Profeet en Leraar. 'Prediken is een openhouden der handen in bevende, maar vaste verwachting, dat God alleen daarin doe vloeien het levende water om het zo in diezelfde handen zonder morsen te dragen tot gekwelde mensen' (Miskotte). Preeken is geen kleinigheid; het betekent een waken over de zielen, in de wetenschap, dat rekenschap zal moeten worden afgelegd van de bediening. Preeken is geen schertsvertoning schrijft Bernanos (in Journal d' un cure de campagne). Daarbij spreek ik nu in het geheel niet over degenen, die zich met marktschreeuwerig bedrog er uitredden . . . Men erkent deze daaraan, dat zij van troostrijke waarheden spreken. Van dat soort zul je er nog genoeg in je leven ontmoeten. De waarheid bevrijdt eerst en dan troost zij . . . Gods Woord dat is gloeiend ijzer. Een pastor, die van de kansel afdaalt de mond nog vol van gesnater, een weinig verhit, maar tevreden, die heeft niet gepreekt . . . Wanneer God bij geval een woord erbij uithaalt, dat zielen verkwikt, dan merk ik dat daaraan, dat het mij pijn doet . . .'

Waar gaat het mij om?
Dit alles vraagt zelfonderzoek, zelfkritiek die begint op de kansel bij de voorganger dus en vandaar naar de gemeente gaat en zo medewerkt tot een rechte gehoorzaamheid aan het Woord: Het komt er op aan te staan onder dat Woord en gevangen genomen te worden door dat Woord, persoonlijk gegrepen en aangesproken in dat: u bedoelt en geen ander. Er is een prediking, die als leugen moet worden gekwalificeerd. Heeft Christus niet vele malen gewaarschuwd tegen Farizeeërs en Schriftgeleerden? 'Het klopte van binnen bij hen niet' (Zo Schniewind op Math. 23: 5). Van buiten was alles in orde; zij droegen het kleed van het schaap, maar vraag niet, hoe het er van binnen uitzag. Calvijn tekent bij Matth. 23: 4 Zij binden lasten, die zwaar zijn en moeilijk om te dragen en leggen die op de schouders der mensen, maar zij willen die met hun vinger niet aanroeren. Christus spreekt hier op eenzelfde wijze; als de profeet Ezechiël (h. 34: 4), die de ontrouwe herders verweet, dat zij streng en hard over de schapen heersten. Wie waarlijk God vreest zoekt zonder twijfel zijn leerlingen tot de rechte gehoorzaamheid aan God op te voeden, maar hij is voor alles tegen zichzelf strenger dan tegen anderen en tegelijk in het besef van eigen zwakheid ook tegenover de zwakken bereid om te vergeven.
H.                                                                                                                                 Bt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Heilige Geest en de  prediking van het Woord 5

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's