Toch niet hopeloos!
Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. Psalm 119: 25.
Psalm 119 bezingt de heerlijkheid van Gods woord en wet. Geen wonder dat de dichter niet spoedig uitgezongen is. Doch tegelijk is deze psalm, zoals bijna alle andere psalmen, een gebed. We zouden ons echter vergissen, als we zouden menen, dat deze langste psalm één voortdurend gebed is. Integendeel! Het is eigenlijk een lange reeks van korte gebeden. Juist op de school van het gebed leren wij, dat het niet in veelheid van woorden gelegen is. Als we mogen vorderen op deze school, zullen onze gebeden wel meer en krachtiger worden, maar tegelijk kunnen ze korter worden.
Onze tekst is zo'n kort gebed.
Het is een indringende klacht uit de diepte. Hoe kleeft mijn ziel aan het stof! Vaak zijn deze woorden misverstaan. Alsof hier een mens klaagde over de aardsgezindheid van zijn hart. Daar kan veel reden toe zijn in het leven van een christen, zeker ook in onze tijd. Toch is hier iets anders aan de orde.
De veelgeprezen, maar weinig benutte kanttekeningen van de statenvertaling leiden onze gedachten al in een andere richting. Hier is sprake van 'een zeer zwaar en zorgelijk lijden'. In het stof terechtkomen, dat is in de diepte komen. Job wist er al van: 'Ik heb mijn hoorn in het stof gedaan'. Er is zelfs een verband tussen het stof en de dood. Uit het stof zijn wij genomen, en als gevolg van onze zonde zullen wij er tot wederkeren. Aan het stof kleven, wil dus zeggen: daar zijn, waar de banden van de dood ons omgeven. En er zo met je hele ziel en bestaan door gebonden zijn, dat je niet in staat bent je los te rukken en op te heffen.
Hier zien wij iets van de realiteit van het christenleven. Het geluk van Gods kinderen is onuitsprekelijk groot. Het betekent te mogen wandelen in de lichtkring van Gods vriendelijk aangezicht. Ja, dat is pas het ware leven: het leven mét God. Een ieder, die de Heere kent, zal het anderen dan ook willen aanbevelen: zoekt die God, opdat ge het leven moogt hebben in Hem. Maar vergis u niet! Het gaat niet zonder strijd en moeite. Och, we behoeven het niet te zoeken, dat komt vanzelf wel. Wij zien dat in deze psalm. Wat zijn nood precies is, zegt de dichter niet. Maar dit is duidelijk: het is zijn hartelijke begeerte om de Heere te vrezen en naar Zijn geboden te leven. En een ieder, die dat mét hem wil doen, ontdekt, dat er dan veel tegen opkomt. Daar zijn de goddelozen, of, zoals ze in deze psalm ook wel worden genoemd, de hovaardigen. Ze zien je als een zwartkijker en een spelbreker, of als een schijnheilige. Er wordt om je gelachen, of tegen je aangeschopt. Het behoeven ook niet altijd mensen te zijn, die je moeite bezorgen. Een ziekte of een lichamelijk gebrek kan je deel zijn. Er kan een verlies in je leven komen.
En dat alles gaat niet buiten je om. Bij de tegenslagen komt de vorst der duisternis met zijn aanvechtingen, en de verdorvenheid van het eigen hart laat zich gelden.
Wat blijkt het dan, dat zalig worden langs andere wegen gaat dan wij denken. Dat is bij de aanvang zo, maar ook bij de voortgang. Misschien heeft de Heere ons op een liefelijke wijze overgezet uit de duisternis tot het licht. Maar het kan zijn, dat Hij ons later in de diepte brengt. Waarom? Om ons meer en meer te laten zien, dat zalig worden een éénzijdig werk van God is. Het gaat door onze onmogelijkheden heen.
U, die dit leest, en misschien neerzit in ellende, wanhoop niet! Zeg niet: het is een verloren zaak. Ga met uw nood tot God. De Geest van God wil het ons leren. En in onze tekst wordt het ons voorgebeden: 'maak mij levend'. Het is in feite maar één woord. We zouden het bijna kunnen weergeven met 'leven!' Een roep uit de diepte. Een S.O.S. naar God toe.
Maar zal Hij horen? Worden onze noodsignalen opgevangen? Soms lijkt het van niet. De duisternis van de nacht blijft. Toch . . . er is een oor, dat hoort. Er is een Helper in de nood. Daar heeft God Zijn eigen Zoon voor over gehad. De vromen in het oude testament zagen vol verwachting uit naar Zijn komst, maar ons wordt het in alle toonaarden verkondigd: Hij is gekomen! De heerlijkheid, die Hij had bij de Vader, heeft Hij verlaten, en Hij is ingedaald in de diepte, waarin Zijn volk verkeerde. In de hof van Gethsémané kroop Hij door het stof, en was Zijn ziel bedroefd tot de dood toe. En vandaar ging Hij heen naar Golgotha, de plaats van de dood en de verlatenheid. Zo is Hij Zijn broeders in alles gelijk geworden. Maar door Zijn goddelijke kracht heeft Hij de machten van de dood overwonnen. Op de Paasmorgen staat Hij op uit het stof des doods: de Overwinnaar, niet voor Zichzelf, maar voor al de Zijnen.
En nu is er voor ons maar één weg: vanuit onze benauwdheid en diepte naar Hem heen te gaan. Als ons de dood voor ogen schijnt, en als onze ziel onmachtig is, de aansluiting gezocht bij deze Levensbron.
En dan hebben we een machtige pleitgrond. Het is waar: wij moeten bij de Heere aankomen met lege handen. Al het onze is immers voor God waardeloos. Maar anderzijds mogen we het de psahndichter nazeggen 'maak mij levend naar Uw woord'. Aan welk woord de psalmdichter hier denkt weten we niet. Het zou kunnen zijn een woord, dat Hanna eens heeft gesproken: 'De Heere doodt, en maakt levend'.
Hoe het zij, hier ontvangen wij gebedsonderwijs. Vouw uw handen boven een geopende bijbel. Herinner de Heere aan Zijn eigen woorden en toezeggingen. Iemand gooit zijn hond een stok toe. Een trouwe hond neemt hem in zijn bek, en brengt die bij zijn baas terug. Ziet daar wat de Heere van ons wil. En wat werpt Hij ons dan veel toe! Als reddingskoorden laat Hij Zijn toezeggingen van omhoog tot ons afkomen. Geen benauwdheid zo groot, en geen nood zo diep, of de Heere daalt erin af met Zijn woord. En dat uit vrije gunst, om Christus' wil. Wat wordt het woord ons dan dierbaar! De Heilige Geest gebruikt de nood om ons op dat woord terug te werpen. Hij leert het ons op de Heere te wachten, en naar Hem uit te zien. Hoe donker het ook mag zijn, en hoe het ook mag tegenlopen, het is niet hopeloos. Beslist niet! Want van Gods woorden zal er niet één ter aarde vallen.
Op Zijn tijd komt Hij. En op Zijn wijze. Soms verandert Hij als de Almachtige de omstandigheden van ons leven. Soms daalt Hij als de Barmhartige af in onze nood, en doet ons psalmen zingen in de nacht.
En éénmaal, als de aardse verdrukking voorbij is, haalt Hij ze allen thuis. Allen, die zonder Hem niet konden leven. De geringen heft Hij op uit het stof, om ze te doen zitten naast Zijn eniggeboren Zoon, om met Hem als koningen te heersen.
Hij, Die het beloofd heeft is getrouw. Die het ook doen zal.
Dinteloord P. H. van Harten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's