De Heilige Geest en de prediking van het Woord 6
Het Evangelie geen vrijblijvend discussiestuk.
Het Evangelie geen vrijblijvend discussiestuk.
Waar zo over de prediking van het Woord Gods als een prediking met gezag gesproken wordt, daar is het duidelijk, dat het Evangelie geen zaak is waarover men vrijblijvend kan discussiëren. In de prediking van het Evangelie des koninkrijks gaat het om dood en leven. De poort van het koninkrijk wordt hier ontsloten en toegesloten. Men zegt wel eens van de prediking in onze kring: Daar wordt de poort maar op een kiertje opengezet. Men is daar maar zuinig met de genadeverkondiging. Het is anders: In de rechte prediking wordt de poort der genade wagenwijd opengeworpen en in dezelfde verkondiging wordt de deur dichtgedaan, zo dicht dat niemand der mensen, die deur zal openen, potdicht. Luister maar naar het antwoord van de Heidelbergse Catechismus (vr. en antw. 84): Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig Evangelie ontsloten en toegesloten? Alzo, als volgens het bevel van Christus allen en een iegelijk gelovige verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun zo dikwijls zij de beloften van 't Evangelie met een waar geloof aannemen waarachtig al hun zonden van God om de verdienste van Christus wil vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen en wie zich niet van harte bekeren verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang zij zich niet bekeren. En dat is het slot: naar dit getuigenis van het Evangelie zal God beide in dit en in het toekomende leven oordelen. — Zo wordt de verkondiging van het Evangelie voorbode van, preludium op de dag van het jongste gericht. Het is niet minder dan God zelf die de mens voor zijn Rechterstoel daagt. Hier wordt de dienaar getekend als deurwachter van het koninkrijk der hemelen. Wat de Catechismus hier zegt is geheel in de geest van Calvijn: En deze betuiging is te allen tijde en eeuwen gegeven en toegeëigend en blijft vast en onveranderlijk om ons allen te verzekeren en voor allen buiten twijfel te stellen, dat het Woord des Evangelies van wie het ook zou mogen worden gepredikt het eigen vonnis Gods is, in de opperste vierschaar uitgesproken in het boek des levens geschreven, in de hemel bondig, vast en zeker (Inst. IV, — 11, 11).
Het Woord Gods is het zaad, dat wordt uitgestrooid en wij zien de zaaier gaan, met vaste gang, hij verstaat zijn werk en hij doet het toch al zou hij menigmaal op de wind ziende niet zaaien. Hij morst niet met zijn zaaigoed, daarvoor is het hem te kostbaar. Hij zegt niet, als het den Heere behaagt komt de vrucht vanzelf. Het lijkt zo gemakkelijk; het is zo eenvoudig, het zo'n rustige bezigheid. Wie stoort hem. En toch wij lezen van een zaaien met tranen. Zo de zaaier op Gods akker. Hij zoekt de mensen tot geloof te bewegen 2 Kor. 5: 11; Hij tracht door te dringen met het Woord tot de diepste roerselen van de mens. Hij zoekt daarbij al zijn gaven in dienst des Heeren te stellen. En als hij zijn boodschap gedaan heeft, is hij er nog niet af. De apostel weet, dat soms de arbeid ijdel is; alles vergeefse moeite. De oogst mislukt, ondanks harde arbeid; de vangst mislukt, al heeft men de gehele nacht gearbeid. Als het eens voor niets was. Dat is Paulus' zorg over de Thessalonicensen, wij zouden zeggen zelfs over hen. Paulus valt er zelf ook onder. Ik bedwing mijn lichaam opdat ik niet enigszins daar ik anderen gepredikt heb zelf verwerpelijk worde. Zeggen wij niet al te gemakkelijk: Ik heb mij vrijgemaakt?
De hemelse Hogepriester en het werk der prediking
Luther schrijft ergens: De predikant moet het Onze Vader niet bidden, noch om vergeving van zonden vragen als hij gepreekt heeft (als hij een echte prediker is), maar hij moet met Jeremia zeggen en roemen Heere, Gij weet het, dat wat uit mijn mond is uitgegaan, dat is U welbehagelijk (Jer. 17: 16) met Paulus en alle apostelen moet hij driest zeggen: Zo spreekt de Heere. — In dit woord komt uit, hoe de reformator volkomen achter het woord, dat hij gepredikt heeft staat. Hij staat in de zekerheid, dat hij geen praatjes en geen eigen meningen en opvattingen aan de mensen heeft verkondigd, maar het Woord, dat dood en leven in zich bergt. Hij weet, dat hij tot de mens komt in diens 'onheilssituatie', een onheil, dat niet ligt aan de oppervlakte van het menselijke bestaan, maar dat van binnen zit; de mens beweegt zich in de verkeerde richting van God af en naar de dood en het verderf toe. En de pastor worstelt met de mensen en de duivel om de zaligheid der zielen. — En toch Luther gaat te ver. Er is dwaasheid en onheiligheid in de heilige dingen. En het is een voorrecht met de gebrokenheid van alle arbeid, met het menselijk onvolmaakte de toevlucht te nemen tot de grote Hogepriester, die de ongerechtigheid der heilige dingen draagt en heeft gedragen.
De verwerping van het Evangelie
Voor niets? Alles tevergeefs? Hoe komt dat? En wij denken aan de bange vraag: Wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de arm des Heeren geopenbaard? (Ook hier weer treft de nadruk op de macht des Heeren, die in de prediking openbaar wordt tot geloof en bekering.) Wat zegt de Schrift daarvan? Het woord der prediking deed hun geen nut, omdat het met geloof niet gemengd was Joh. 12: 3; Hebr. 4: 2. Hoe kunt gij geloven, gij die de eer van elkander neemt en de eer, die van God is niet zoekt? Joh. 5: 44. De verantwoordelijkheid wordt op de mens gelegd, die de bevrijdende hand des Heeren wegduwt, die de slag van het zwaard des Geestes, Gods Woord, zoekt te pareren en die de inslaande bliksem zoekt te ontwijken. Het is onbegrijpelijk. Maar dat geldt van elke zonde van de eerste zonde, toen de mens de gehoorzaamheid aan zijn Schepper heeft opgezegd tot de minste overtreding van het gebod in het heden. Als de beklaagde door de mand is gevallen en eindelijk erkent: Ik ben schuldig, dan is meer dan eens de vraag: Hoe heb je dat toch kunnen doen. Zie eens welke gevolgen uw daad heeft voor uzelf en de uwen? En vele malen komt dan het antwoord: Ik begrijp zelf niet, dat ik dat gedaan heb. De zonde laat zich nooit verklaren. — Israël verzette zich met een hardnekkig neen tegen de prediking der profeten. Hun hart was van steen, zegt Ezechiël, koud en ongevoelig. Zacharia gaat nog verder: Zij maakten hun hart als diamant (Zach. 7: 12) en Jesaja spreekt van mensen, die hun oren zwaar maakten d.i. dichtstopten Jes. 6: 10. Zij konden niet geloven, want hun ogen waren verblind Joh. 12: 40. Niet kunnen. Augustinus tekent bij deze plaats aan: Waarom zij niet konden? Als dat aan mij gevraagd wordt, antwoord ik snel: Omdat zij niet wilden. Hun aangezichten waren harder dan een keisteen. Zij weigerden zich te bekeren en over hun zonde schaamden zij zich niet. Niemand heeft berouw van zijn boosheid dat hij zegt: Wat heb ik gedaan? (Jer. 8: 6).
Het Woord doodt en maakt levend
Ook hier komt de kracht van het Woord Gods uit. 'Het doet mij niets', zegt men, alsof men in het Woord met koud vuur te maken hebben, dat geen wonden kan veroorzaken of pijn kan doen. Alsof het Woord een plastic sabel is, die niet niemand kan doorsteken en doden.
Het Woord doet wat: het is kracht des levens of macht ten dode. Het Woord Gods maakt scheiding: Het is dezelfde zon, die verwarmt en verlicht, maar die ook verzengt en doet verdorren, tot een land, dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen. Van die kracht spreken de profeten: Als het volk in Jeremia's dagen meent, dat het zo'n vaart niet zal lopen en als zij in hun illusies gesterkt worden door de valse profeten, die van vrede spreken en daar is geen vrede, dan luidt het Woord des Heeren: Ik zal uw mond Mijn Woord in Uw mond tot een vuur maken en dat zal het volk verteren Jer. 5: 14.
Het Woord is een Woord van dood en van leven, een Woord dat doodt en levend maakt. Voor een hardnekkig volk als in de dagen van de profeet kan het Woord niet anders betekenen dan dood en gericht. Jeremia giet de toornegloed des Heeren uit over het volk. Hij kan het niet langer inhouden. De ijver des Heeren heeft hem verslonden en dan stroomt de toornegloed uit over kinderen en grijsaards, over mannen en vrouwen. De dood klimt de huizen en de paleizen binnen (Jer. 6: 11; 9: 19).
Van die richtende kracht van het Woord lezen wij ook elders: Ik heb hen behouwen (dat is: Ik heb er op ingehouwen, zoals de steenhouwer onophoudelijk beukt op het harde materiaal — een bekend beeld in het Oosten; ik zie nog de man, die nauwelijks opkeek, toen ik aan de andere kant van de lofberg een praatje met hem maakte). Ik heb hem behouwen door de profeten. Ik heb hem gedood door de redenen Mijns monds (Hos. 6: 5). De woorden van de profeten zijn dodelijke strijdwapens. Wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, die zal Elisa doden. Dat betekent niet, dat hij mee zal vechten met het zwaard maar ook hier wordt de kracht ten gerichte getekend van het Woord dat uit Gods mond uitgaat. — Hiermede kan ik worden vergeleken, wat Ezechiël van de valse profetessen zegt: Zij hebben met het Woord Gods gemanipuleerd; zij ontheiligen de Naam des Heeren. Hoe? Door zielen te doden, die niet zullen sterven en zieken in het leven te houden en die niet zullen leven Ez. 13: 19. Gemakkelijk is deze tekst niet. Bij Calvijn vinden we hier de gedachte, dat hier sprake is van toezegging van de dood aan de rechtvaardigen en van leven aan de doden: Indien dan ook om dit beeld te gebruiken vlooien uit de aarde zouden komen kruipen en tegen de zuiverste leer zouden ingaan, dan zou iemand, die de gemeente wil opbouwen de strijd tegen deze vlooien op zich moeten nemen. Het is een teken van de bescheidenheid van de profeet, dat hij zo zich naar Gods opdracht nu tegen deze vrouwtjes (de profetessen) keert om ze wederleggen'.
H. Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's