Uit de pers
Nogmaals: Kentering?
De vorige maal namen we een gedeelte over van een artikel van prof. Veenhof uit 'Opbouw' getiteld: Kentering, wraarin Veenhof aandacht vroeg voor het feit dat steeds grotere aantallen gegrepen worden door de reformatorische vertolking van het Evangelie. Veenhof maakte in dat verband naar de zijde van de VU en de Gereformeerde Kerken enkele kritische opmerkingen.
We willen ditmaal nogmaals aandacht schenken aan deze zaak, omdat de Kamper hoogleraar H. N. Ridderbos in zijn rubriek Van week tot week in het Gereformeerd Weekblad van 11 januari op deze kwestie ingaat. Ridderbos ziet in beschouwingen als die van Veenhof het gevaar van schematisering opdoemen, maar is niettemin toch van oordeel dat er in Veenhofs tekening veel waarheid schuilt. De VU, de Gereformeerde Kerken, maar ook b.v. de ARP bevinden zich in een crisis om de eigen identiteit te handhaven. Wel is Ridderbos van mening dat er „verschil van visie is op de reformatorische taak in de Gereformeerde Kerken en in andere delen van de Gereformeerde Gezindte.
De gereformeerde beweging, die in de Gereformeerde kerken haar centrum vindt, heeft vanouds een andere opvatting gehad van het 'reformatorische denken en leven', dan die andere gereformeerde groeperingen buiten haar, die sterk door het piëtisme en de zg. nadere reformatie zijn beïnvloed, met name wat de plaats en taak van de kerk in de wereld betreft en de verhouding van christendom en cultuur. De oprichting van de Vrije Universiteit b.v. was een aangelegenheid, die veel meer typerend was voor en veel meer weerklank vond in de Gereformeerde kerken dan in de reformatorische groeperingen daarbuiten. Daarin ligt ook stellig (een van) de verklaring(en) van de huidige ontwikkeling. De gereformeerden hebben veel meer 'last' met de maatschappelijke en culturele vragen dan de door prof. Veenhof bedoelde andere groeperingen, die deze vragen grotendeels buiten de deur hebben weten te houden, en daartegen een overwegend antithetische houding hebben aangenomen. Daarom zijn de eersten in de tegenwoordige stroomversnelling op allerlei gebied ook kwetsbaarder en gevoeliger dan die anderen.
De vraag is nu wel of zij — de gereformeerden — uit een oogpunt van 'reformatorisch leven en denken' zich terecht zo hebben opgesteld dan wel of zij mét die 'andere groeperingen' hun kracht liever hadden moeten zoeken in de concentratie op het innerlijke leven en in een meer of minder consequente scheiding van kerk en wereld. De gereformeerden hebben zich tegen dit laatste altijd sterk verzet en hebben in hun acties 'op alle terrein van het leven' zich zeer bewust in de voorhoede gesteld, waarbij de anderen hen steeds slechts schoorvoetend en zeer ten dele gevolgd zijn. Moet men thans constateren, dat zij (de gereformeerden) daarom gefaald hebben en de banier hebben verloren en dat het de anderen zijn, die haar thans moeten overnemen en dat naar dézen — om prof. Veenhof nog eens te citeren — het centrum van het reformatorische leven en denken zich al meer gaat verleggen? Ik denk, dat wij bij de beoordeling van deze inderdaad diep-ingrijpende ontwikkeling iedere zweem van partijschap ten gunste of ten nadele van bepaalde historische groeperingen of kerkformatie moeten afleggen. Daarom zeg ik van harte: hoe krachtiger het echte reformatorische leven in de bijbelse zin van het woord zich ontwikkelt, hetzij in of buiten de Gereformeerde kerken, hoe liever het ons allen moet zijn en hoe beter het voor ons allen is.
Ridderbos doelt hier ongetwijfeld op het elan van Kuyper dat tientallen jaren lang de Gereformeerde Kerken bezield heeft. Het zou de moeite van het overwegen waard zijn om na te gaan in hoeverre Kuyper naast reformatorische motieven ook gedreven werd door motieven van andere oorsprong. En voorts in hoeverre de nadere Reformatie in de lijn van Calvijn gebleven is.
De verhoudingen zijn m.i. te ingewikkeld dan dat men hier zou kunnen volstaan met het woord 'antithetische houding'. Hebben ook de mannen van de nadere Reformatie niet gepleit voor de pietas, de vroomheid in het gewone leven? Hebben zij inderdaad bedoeld maatschappelijke en culturele vragen buiten de deur te houden? Ik meen dat dit voor het gereformeerde leven in de zeventiende eeuw b.v. niet opgaat. In het geding bij dit alles is ook de verhouding van het reformatorische tot de doperse geestesstromingen. Bovendien zou men voor wat betreft de negentiende eeuw ook figuren als Kohlbrugge en Hoedemaker in deze confrontatie moeten betrekken.
Daarbij komt dat men m.i. de verschuivingen in de Gereformeerde Kerken niet alleen verklaren kan vanuit de historie, de andere kijk op 'reformatorisch leven en denken'. Moet de crisis in de Gereformeerde Kerken toch ook niet verklaard worden uit de invloed van de Barthiaanse en soms ook post-Barthiaanse theologie in deze kerken?
De relatie van de kerk tot de wereld is in deze theologie immers anders gezien — minder antithetisch, meer open voor de wereld — dan in de klassiek gereformeerde theologie.
Nu gaat Ridderbos in zijn beschouwing nog verder. Hij wijst op de belangrijke tekst uit Romeinen 12 over hervormd worden door de vernieuwing van uw gemoed, het niet wereldgelijkvormig, worden. Het gaat er z.i. om deze identiteit te handhaven. Daarvoor staat elke kerk.
Bij dit alles zal men echter wel moeten bedenken, dat de identiteitscrisis, waarin de Gereformeerde kerken en de van haar uitgegane instellingen en organisaties zich bevinden, er niet een van secundaire maar van primaire aard is en dat men daarom met een enkele verwijzing naar het verleden of naar anderen, die het zoveel beter doen, niet gereed is. Het gaat er ook niet om of een bepaalde kerk of groep in een bepaalde tijd een wat meer of minder 'centrale plaats' inneemt of zou moeten terugwinnen, alsof wij daaraan onze identiteit zouden moeten ontlenen. Het gaat wel degelijk om de laatste vragen, nl. om onze primaire identiteit als kerk van onze Heer in het jaar 1974. Daarmee geef ik de gereformeerde naam en identiteit niet prijs, integendeel, maar ik versta haar dan wel in de bijbelse zin van: 'het niet gelijkvormig worden aan deze wereld', maar het 'her-vormd worden door de vernieuwing van uw gemoed, om te onderscheiden wat de wil van God is'. Rom. 12: 1.
De verwijzing naar deze bijbelse omschrijving van wat hervormd of gereformeerd is schijnt mij in dit verband te meer passend omdat in wat daarin genoemd wordt: het 'gelijkvormig worden aan deze wereld' het gevaar van onze situatie en van ons verlies aan kerkelijke, christelijke of gereformeerde identiteit op de meest actuele en meest adaequate wijze wordt aangeduid. Als het waar zou zijn of zou worden, dat de Gereformeerde kerken hun rol als reformatorische kerk hebben uitgespeeld dan zal dit niet zijn omdat zij hun ene talent in de grond hebben verborgen maar omdat zij hun geld bij de verkeerde wisselaars in beheer hebben gegeven; anders gezegd: niet omdat zij zich van de wereld zo hebben afgesloten — zoals sommige mensen nog steeds hardnekkig schijnen te menen — maar omdat zij in de wereld zijn opgegaan, omdat zij het 'schema' van deze wereld hebben aangenomen.
Men moet dit laatste dan wel niet in uiterlijke zin verstaan. Ik versta onder hetgeen de Bijbel wereldgelijkvormigheid of aanpassing aan het schema van de wereld noemt — wij spreken tegenwoordig minder duidelijk van secularisatie of secularisme — dat wij het uitgangspunt en patroon van ons denken en handelen niet meer zoeken in onze persoonlijke verhouding tot God ('de vernieuwing van uw gemoed') en in ons toebehoren tot de christelijke gemeente om van daaruit onze positie in de wereld te bepalen ('beproeven wat de wil van God is'), maar dat juist het opgenomen zijn in de ontwikkeling van het wereldse leven en denken voor ons het primaire en het uitgangspunt is geworden en dat wij daaraan ons geloof in God en ons participeren in de kerk trachten aan te passen.
Het valt moeilijk te ontkennen, dat wat ons als kerk, ook als gezinnen en persoonlijk bedreigt en wat ten diepste ook bepalend is voor het verlies van onze kerkelijke en christelijke identiteit de omkering is van die orde. Want secularisme wil niet zeggen, dat men terstond alles loochent of overboord zet, maar dat het uitgangspunt, het schema van het leven wordt ontleend aan het algemene van ons aandeel in het leven van de wereld en niet meer aan het bijzondere van ons aandeel in Christus en in de christelijke gemeente als Zijn lichaam. Bij de omkering van die orde blijft onze persoonlijke verhouding tot God en ons deelgenoot zijn van de gemeente nog slechts van belang voorzover zij ons 'iets zeggen' etc. etc. in onze bij voorbaat ingenomen plaats in de wereld. De praktijk is, dat bij deze rangorde het 'schema van de wereld' zich steeds verder uitbreidt, de betekenis van het geloof in God steeds geringer en de plaats van de kerk in het leven steeds onbelangrijker wordt. Dat is de wet van het 'gelijkvormig worden aan deze wereld'. En daartegenover staat de her-vorming, de re-formatie van uw gemoed, waarin het uitgangspunt juist aan de andere kant ligt en het leven in de wereld zijn norm en grens vindt in hetgeen op grond van deze re-formatie als de wil van God kan en moet worden onderscheiden.
Het schijnt mij aan geen twijfel onderhevig, dat in de geweldige confrontatie, waarin de kerk zich in onze tijd opnieuw gesteld ziet met het wereldse leven en denken, er in de Gereformeerde kerken vele jongeren (maar ook ouderen!) zijn, die zich bij deze confrontatie wel zeer serieus betrokken weten, maar voor wie de band aan de kerk en aan het geloof van de kerk steeds problematischer wordt en na verloop van tijd niet meer functioneert. Hier leidt de openheid voor de wereld tot een verlegging van het zwaartepunt van het leven.
Confrontatie met Romeinen 12: 1 heeft inderdaad elke kerk, ook binnen de Gereformeerde Gezindte veel te zeggen. En alweer, hierbij is veel in het geding. De gehele verhouding van de kerk tot de wereld, de waardering van de secularisatie, de visie op het apostolaat komen hierbij om de hoek kijken. Het zou een goede zaak zijn als er een gezamenlijk beraad zou zijn van de gehele Gereformeerde Gezindte waarin deze vragen eens grondig doorgesproken werden. Wat is ons uitgangspunt? Het schema van deze wereld of de binding aan Christus?
Schuldbesef
In het Centraal Weekblad publiceert ds. J. Overduin enkele artikelen over schuld en schuldbesef. De schrijver wijst op een televisie-uitzending 'Zienswijze' waarin de vraag gesteld werd: hebben begrippen als zonde, boete, ascese hun oude betekenis verloren voor de moderne mens? Een moeilijk te beantwoorden vraag! Immers wat of liever gezegd, wie is die moderne mens? In alle tijden komen mensen voor met een optimistische kijk op zichzelf. Wel kunnen we na twee wereldoorlogen de tendens bij velen waarnemen volgens Overduin dat men pessimistisch gestemd is over de wereld, weet van machten en uitbuiting, onder de indruk is van vervuiling, onrecht, terreur etc. Ellende-kennis is er genoeg.
Maar, zo zegt Overduin terecht: 'Helaas gaat de verdieping en verbreding van de ellende-kennis als wereld-en structuurkennis meestal niet gepaard met een gelijktijdige verdieping van de zelfkennis. In zijn derde artikel in het nummer van 18 januari wijst hij erop dat kerk en theologie nooit ontkomen aan invloed van de tijdgeest, zowel negatief als positief. Het liberalisme van een vorige eeuw legde alle nadruk op de persoonlijke verhouding. De algemene tendens was sterk individualistisch. Ook de prediking ontkwam daar niet geheel aan. Onze tijd legt een sterk accent op het gemeenschappelijke en het collectieve.
Dit is echter zeker, dat het sterke accent op de gemeenschap en het collectieve een winstpunt is. Het bijkans uitsluitenid rekening houden met jezelf en je eigen belangen, en de verantwoordelijkheid alléén voor het eigene (eigen gezin, eigen kerk, eigen partij, eigen volk, eigen ras, eigen klasse) stamt niet uit de Geest van Christus maar van Kaïn, die genoeg met zichzelf te stellen had en geen hoeder van zijn broeder wenste te zijn. Paulus vermaande: een ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ook op dat van anderen. Ik begin dus te wijzen op het pluspunt, dat tegenwoordig — en niet het minst bij de jeugd — een groter verantwoordelijkheidsgevoel is ten aanzien van hen, die onderdrukt, vervolgd, gediscrimineerd worden en honger lijden en ook ten aanzien van de grondstoffen en het milieu. En waar de verantwoordelijkheid ontwaakt, ontwaakt ook het schuldgevoel. Dat is in de persoonlijke en in de collectieve sfeer zo. Wij voelen onze schuld ten aanzien van het verleden tegenover de gebieden (overal ter wereld), die menigmaal op gruwelijke wijze werden uitgebuit. Een gelddorst, een mammondienst, een zich verrijken ten koste van slavenarbeid en onderbetaling. Ik spreek nu globaal. Er zijn ook wel andere dingen te zeggen, omdat niet overal en in alle tijden op dezelfde wijze gekoloniseerd werd. Ik treed niet in details.
Men voelt dus tegenwoordig veel meer de collectieve, sociale en politieke schuld, en de schuld door de uitbuiting van de natuur. Nogmaals een winstpunt, omdat men zich meer bewust is geworden van die aspecten van het Koninkrijk Gods, die duiden op bevrijding van ellendigen en machtelozen en op het rentmeesterschap. Maar het zijn — zij het zeer belangrijke — aspecten.
Nu moeten we niet denken dat het collectief schuldbelijden als kerk, als volk, als groep enz. iets nieuws is. 'Er is niets nieuws onder de zon'. Iets kan even onderduiken, maar op een gegeven moment duikt het weer op. Wie het Oude en Nieuwe Testament leest zal zowel diepe persoonlijke als gemeenschappelijke schuldgevoelens en schuldbelijdenissen aantreffen. Om maar iets te noemen: terwijl Ezra bad en schuld beleed, wenend zich nederwerpende voor het huis Gods, verzamelde zich tot hem een zeer grote schare uit Israël, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk was in luid geween uitgebarsten'. (Ezra 10: 1); 'wij hebben gezondigd, evenzeer als onze vaderen, verkeerd gedaan, goddeloos gehandeld' (psalm 106: 6); 'Heere, bij ons is een beschaamd gelaat, bij onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, want wij hebben tegen U gezondigd' (Dan. 9: 8); 'daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen' (1 Cor. 11: 30).
De individualist zegt: wat heb ik met de schuld van mijn voorgeslacht en van anderen te maken. In Gods Woord is sprake van gemeenschap en dus ook van solidariteit van schuld. Zodra een mens verantwoordelijkheid opneemt ten aanzien van zijn gezin, kerk, volk, school, natuur enz. neemt hij ook de gemeenschappelijke schuld op zich.
Overduin raakt hier ongetwijfeld een belangrijk aspect. Alleen vragen we ons wel af of de auteur voldoende onderscheid maakt tussen een persoonlijk gericht spreken — dat het solidair zijn niet behoeft uit te sluiten — en een individualisme dat onbijbels is. Maar de auteur zelf wijst in het vervolg van zijn artikel aan dat niet alleen nadruk op het persoonlijke tot eenzijdigheden kan leiden, in die zin dat de gemeenschappelijkheid verwaarloosd wordt en de collectieve schuld vergeten wordt, maar ook dat 'de nadruk op het collectieve in onze tijd bij veel theologen schaduwkanten heeft.
Maar ook het collectieve schuldbesef heeft zijn schaduw. En helaas gebeurt dit ook, wanneer b.v. min of meer denigrerend over het persoonlijk schuldbesef wordt gesproken. De meest verheven zaken kunnen misbruikt worden, een verkeerde functie krijgen, in een valse tegenstelling geplaatst worden en zelfs als rookgordijn gaan dienen. Men kan de ernst van de persoonlijke schuld lamleggen door een eenzijdig drammen over de collectieve schuld, en omgekeerd.
Dat er geprotesteerd word tegen misstanden, en dat er indringende interviews voor de tv te horen zijn, is op zichzelf goed. Het kwaad moet gesignaleerd worden en de kern moet geraakt worden. Alleen de wijze waarop en de geest waarin dit menigmaal gebeurt, getuigt wel van kennis van schuld bij anderen maar van weinig zelfkennis en eigen schuldbesef. Als dit het geval was zou men zakelijk hetzelfde mogen zeggen maar in een geest van ootmoed en liefde. Wanneer de zelfkennis en de liefde ontbreekt, mist een mens het zedelijk recht de waarheid te zeggen. Het is ijskoud-negatief. Ondanks het veelvuldig gebruik van medemenselijkheid en solidariteit, ontbreken deze deugden. Dat is weer het gevaar, wanneer wij druk bezig zijn met collectieve schulden en het persoonlijk schuldbesef is niet aanwezig.
De verzoeking is zo groot de schuld in het collectieve te zoeken, in de structuren, de maatschappij, de kerk, de school, de politiek, het kapitaal, de arbeiders enz., dan kan men zelf mooi buiten schot blijven. Maar wij allen zijn niet alleen enkelingen, maar ook deelgenoot van de maatschappij, de kerk, de school, de politiek, het kapitaal, de arbeiders enz. Waarachtige solidariteit en medemenselijkheid begint met het aanvaarden van de gemeenschappelijke schuld. Jezus is ons hierin onovertroffen voorgegaan. Daarom was Zijn kritiek de heilige kritiek der liefde.
Ik meen, dat wij als verkondigers van het Woord, dat zowel het één als het ander ernstig neemt, ons doel juist voorbijschieten, wanneer wij een eenzijdige en willekeurige keuze maken. Degenen, die wij willen winnen en vangen onder het gezag van Gods Woord, jagen we juist weg. De hoorder wordt wantrouwend en zegt: daar heb je hem weer met zijn stokpaardje. Dat kan dus naar twee kanten gebeuren.
Maar de 'hoorder' in de kerk mag ook niet behoren tot hen 'die de gezonde leer niet meer zullen verdragen, omdat hun gehoor verwend is, en naar hun eigen begeerte zich tal van leraars zullen bijeen halen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren, en naar de verdichtsels keren' (2 Tim. 4: 3, 4).
Het is psychologisch en tot op zekere hoogte geestelijk begrijpelijk, dat wij allemaal graag horen wat wij willen horen en wat onze overtuiging bevestigt. Voorzover dit een echt — bijbelse versterking van ons geloof, onze hoop en onze liefde is mag je hier geen kwaad woord van zeggen. Maar wij komen in de kerk — als het goed is — in die merkwaardige spanning van: ik wil bevestigd én gecorrigeerd worden, en ik wil getroost maar ook bekeerd worden. Ten aanzien van ons probleem betekent dit: ik wil verdiept worden in mijn persoonlijk én collectief schuldbesef, want ik ben een enkeling voor God en tegelijk een deel van het lichaam van Christus en een deel van deze wereld.
Dan moeten wij naar de nieuwe mens bereid zijn met evenveel vreugde, die dingen te horen, die ons bevestigen, als hetgeen wij naar onze oude mens en onze eenzijdige vroomheid niet graag willen horen. En laten de verkondigers niet eenzijdig in hun tekstkeuze zijn noch elke tekst uithollen om eigen lievelingsdenkbeelden erin te ploffen om die weer op de preekstoel eruit te halen. Dan hoort een mens elke zondag weer hetzelfde: een klassiek of hypermodern bevindelijk schema.
Mij dunkt: Wat kan juist een ernst maken met de volheid van de Schrift ons bewaren voor eenzijdigheden. In de psalmen horen we aangrijpende confessies van persoonlijke schuld. Maar de 'ik' die er aan het woord is, bevindt zich in de gemeente. En de profeten hebben ieder persoonlijk voor Gods aangezicht gedaagd, maar ook de volkszonden gesignaleerd en ontmaskerd. En denkt u ook eens aan de bede uit het Onze Vader: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's