De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gebed 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gebed 2

Het persoonlijke gebed

7 minuten leestijd

Enkele dingen willen we daarover nog opmerken, voordat we iets over het openbare gebed zeggen.
Vooral wanneer de waarde van een bepaalde regelmaat in ons bidden als ondersteuning van ons geestelijk leven in onze dagelijkse gang door de bonte leefwereld onderstreept wordt, komt de vraagt, naar voren of we dan op die vaste gebedstijden altijd wel in staat zijn om recht te bidden. Eigenlijk moest de weg tot God voor ons altijd open en begaanbaar zijn. Paulus roept ons toe: bidt zonder ophouden. En dan bedoelt hij niet, dat we werkeloos de handen in de schoot zouden leggen om ze aldoor te vouwen tot het gebed op de wijze van sommige kloosterlingen. Zo heeft Paulus zelf ook niet geleefd. Dat is zeker Gods bedoeling niet. Het zou een overschatten zijn van de waarde van onze gebeden en een onderschatting van de Hoorder der gebeden. We zouden ook kunnen zeggen: het zou een onderschatting zijn van dat wat waarlijk bidden is. Waarachtig bidden eist een grote spankracht van ons zieleleven. We moeten de waarde van het gebed niet verlagen door er iets werktuigelijks van te maken of een kascultuur van religieuze gevoelens.
Iemand heeft de bedoeling van Paulus' vermaning om zonder ophouden te bidden, verduidelijkt met het beeld van de telefoondraad, die wel niet ieder ogenblik dienst doet om een gesprek over te brengen, maar waarvoor we wel moeten zorgen, dat hij intact blijft, zodat de weg voor het gesprek te allen tijde vrij en ongehinderd blijft.
Nu is er in de praktijk het gevaar van allerlei storingen. Boze woorden in drift gesproken kunnen zulk een storing zijn (1 Petr. 3: 7). En dat niet alleen tussen man en vrouw, maar in allerlei verhoudingen. De zonde, waaraan toegegeven wordt, brengt storing teweeg. David heeft in de periode tussen zijn zonde met Bathseba en zijn berouw na Nathan's bezoek, wel gebeden gezegd. Maar in Psalm 32 vertelt hij, hoe de communicatie met God geblokkeerd was, met al de kwalijke gevolgen daarvan.
In 1 Tim. 2: 8 zegt Paulus, dat hij wil, dat de mannen in alle plaatsen bidden, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting. Want: 'zolang de oude mens aan het woord is, kan de nieuwe niet spreken', (ds. Knap). De inhoud en de toon van onze gesprekken, ons overmatig verdiept zijn in allerlei zorg en arbeid, maken soms, dat wij niet altijd zo maar ineens kunnen overschakelen op de lijn van het gesprek met God. Vandaar dat we luisteren naar degenen, die ons hulpmiddelen aan de hand doen om het gebedsleven te bevorderen.

Waakzaamheid en voorbereiding
In de eerste plaats hebben wij de waakzaamheid nodig, die ons doet toezien, dat de vele dingen van het dagelijks leven ons niet zó meevoeren, dat de middelpunt vliedende krachten in ons leven de middelpuntzoekende overtroeven en dat het evenwicht tussen beide delen van 'bid en werk' niet verbroken worde. In 't woord consentratie zit 't woord centrum-middelpunt. Dat middelpunt is zeker het middelpunt van een kleinere of grotere omtrek, maar dan toch zo, dat het gebied, dat die cirkel be­slaat, door dat middelpunt bepaald en beheerst wordt.
Daarom zegt de Psalmdichter: één ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. (Ps. 27: 4). Maar dan klinkt het in diezelfde Psalm: mijn hart zegt tot U: Gij zegt: zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o Heere! (vs. 8). Dat is het wat beantwoordt aan de vermaning des Heeren: dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen, en gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vragen zult met uw ganse hart (Jeremia 29: 12, 13).
Vandaar dat Jezus ons naar de binnenkamer verwijst, waar de drukte van het wereldleven ons voor een ogenblik met rust laat.
Maar ook daar is waakzaamheid nodig. Want 'de wereld wil ons achterna' (Guido Gezelle). We hebben haar dan ook af te wijzen, wanneer zij ons storen wil, en ons te realiseren, dat wij gaan spreken tot de grote Hoorder der gebeden. Van Abraham staat: hij tradt toe (Gen. 18: 23). D.w.z. hij naderde. Wij leven vaak op zo grote afstand. Nu hebben we niet alleen onze mond, maar vooral ons hart te keren tot Hem, Die in de hemelen woont, en Die genadig uit den hoge ziet wie op Zijn bijstand wacht. Anders zal ons het verwijt treffen, dat wij met de mond tot Hem naderen en wij Hem met de lippen eren, terwijl wij ons hart verre van Hem doen (Jesaja29: 13).
Mozes ontschoeide zijn voet, Elia omhulde zijn gelaat met zijn mantel, Jozua viel met zijn aangezicht ter aarde. Daar waren zeker zeer bijzondere omstandigheden. Maar zij leren ons, dat wij niet zonder bezinning tot God zullen gaan spreken.
Luther heeft een aardig, eenvoudig boekje geschreven voor iemand, die hem om raad gevraagd had in verband met het gebed. Hij zegt daarin o.a.: 'wanneer ik voel, dat ik door bezigheden en gedachten, die mij afleiden, onverschillig ben geworden voor het gebed en daarin geen lust heb — daar immers het vlees en de duivel altijd het gebed weren en verhinderen — neem ik mijn psalmboekje, ga in de kamer, of zo dag en tijd het toelaten, in de kerk tot de gemeente en vang aan de Tien Geboden, het Geloof (12 Art.) en voorzover ik tijd heb enige woorden van Christus, van Paulus of uit de Psalmen hardop bij mijzelf op te zeggen, juist zoals de kinderen doen. Daarom is het goed, dat men 's morgens vroeg van het gebed zijn eerste en des avonds zijn laatste werk maakt, en zich ijverig in acht neemt voor die valse en bedriegelijke gedachten, die zeggen: wacht een ogenblik, over een uur zal ik bidden, ik moet eerst dit of dat in orde brengen. Want met zulke gedachten komt men van het gebed tot bezigheden, die ons vasthouden en boeien, zodat van het dagelijks gebed niets terechtkomt'.
Aan tafel laten we vaak de Schriftlezing aan het dankgebed voorafgaan en het gebed sluit dan menigmaal aan bij het gelezene. Het zou goed zijn, wanneer wij ook voor het persoonlijke gebed vaker een kleiner of groter Schriftgedeelte eerst tot ons lieten spreken. Ons bidden is immers een antwoordend spreken. Het verkeer tussen hemel en aarde is niet door ons geopend, maar door Hem, Die de voor Hem vluchtende mens het eerst heeft opgezocht. Laten we ons ook steeds realiseren tot Wien wij spreken, wie wij zijn, die tot Hem spreken en Wie Hij is, in Wiens Naam wij tot God spreken.

Meditatie en vasten.
Deze worden ons menigmaal aanbevolen in lectuur over het gebed. Onze drukke, gejaagde tijd laat ons weinig gelegenheid tot rustige overdenking. Wel ligt er een grote waarde in een goede ordening van ons leven. Iemand heeft dat zó uitgedrukt:
Wanneer g' uw tijd aan orde wijdt,
zo bereidt de orde u tijd.
Maar hier zijn moeilijk lijnen aan te geven. Menigmaal treffen we voorbeelden aan van mensen, die de vroege morgenuren wijdden aan overdenking in gebed. Maar niet ieders leven leent zich hiertoe. Ook persoonlijke omstandigheden, geaardheid en aanleg spreken hier een woord mee. Er zijn bepaalde kringen, die een sterke nadruk gelegd hebben (en leggen) op de zgn. 'stille tijd', waarin men Gode zwijgt (Ps. 37: 7) alvorens tot Hem te spreken, waarin men luistert naar vingerwijzingen die Hij ons geeft en waarin men zelfs de gedachten, die dan geboren worden, opschrijft.
Anderen zullen meer uit de rijke voorraad van de Schrift, die men van jongsaf heeft meegekregen en waarmede men geleefd heeft en leeft, in het verloop van de dag, woorden putten, die beantwoorden aan de velerlei situaties van het leven in ons en rondom ons en daarmee tot God gaan.
Weer anderen zullen juist pas tot rustig onderzoek en overdenking komen, wanneer de dagtaak volbracht is en de avond gelegenheid biedt om, zonder de zweepslag van het wachtende werk, bezig te zijn met de dingen, die Boven zijn. Men zal er wel voor moeten waken, dat men z'n avonden niet teloor laat gaan door oppervlakkige gesprekken of verstrooiing. De omgang met kostelijke onderwijzende en meditatieve lectuur is alleen maar aan te bevelen. De eenvoudige meditaties in onze kerkelijke bladen, dagboeken en kalenders kunnen ons raken en onze gedachten richten op datgene, waarom wij God hebben te vragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het gebed 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's