Het gebed 3
Het persoonlijk gebed
We moeten ervoor waken, dat onze meditatie (met een boekje in een hoekje) geen vlucht wordt voor een ernstige taak, die God ons heeft opgelegd in allerlei kerkelijke of niet-kerkelijke arbeid en ook in het verkeer met andere mensen.
Verder moet het verschil tussen meditatie en gebed in het oog gehouden worden. Ze zijn verwant. Maar het gebed mag niet een voortgezette meditatie worden. In de meditatie overleggen we met ons zelf en spreken tot onszelf. Zoals we dat ook in de psalmen aantreffen, als de dichter zijn eigen bewogen hart aanspreekt en zegt: Wat zijt gij onrustig in mij? (Ps. 42: 6, 12). Maar bidden zij en blijve het spreken tot God, gesteund en geleid door hetgeen God gesproken heeft.
Vasten — dat is iets waarover we zelden spreken of schrijven. Het publieke vasten, zoals onze vaderen dat kenden, komt eigenlijk niet meer voor. In de eerste eeuwen na de Reformatie had men wel bepaalde vast- en bededagen. Wilhelmus a Brakel wijdt er in zijn Redelijke Godsdienst een heel hoofdstuk aan. Hij spreekt daarin ook over het persoonlijke vasten als vorm van beoefende concentratie op het leven met God. Hij legt de nadruk op het verborgen karakter van dit vasten (Matth. 6 : 16—18). Juist vanwege dat verborgen karakter is het moeilijk te oordelen, of dit vasten nog hier en daar voorkomt. Ik meen, dat het radicale zich ontzeggen van voedsel gedurende een bepaalde periode nauwelijks onder ons gevonden wordt.
In de Bijbel leest u nogal eens van vasten. Soms wordt het fel afgewezen, als het een vrome dekmantel moet zijn voor een zeer onvroom leven (Jesaja 58, Jeremia 14: 12 e.a.).
Soms lezen we erover op waarderende wijze, b.v. van Nehemia (1: 4), Daniël (9: 3) en Anna de profetes (Lucas 2: 37), Cornelius de hoofdman en de christenen in Antiochië. Er zijn omstandigheden, waarin de intieme huwelijksgemeenschap die anders niet nagelaten mag worden, moet wijken voor bijzondere gebedstijden (1 Cor. 7: 5). Maar dan moet alle heimelijke gedachte aan enig verdienstelijk werk ver van ons zijn, evenals alle vertoon naar buiten.
Het eigenlijke, waar het om gaat, is niet het al of niet gebruiken van onze dagelijkse (matige) maaltijden. Maar er zijn tijden, waarin wij terwille van bijzondere zaken, die we aan God te vragen hebben, bij bijzondere geestelijke of lichamelijke noden van onszelf of van anderen (Matth. 17: 21!), bij het nemen van belangrijke beslissingen of bij het worstelen met God om Zijn verbeurde gunst, meer dan anders afstand zullen nemen van het opdringerige leven, ook zelfs van dingen, waarvoor we normaal belangstelling mogen hebben of waarvan we mogen genieten.
Alles heeft zijn bestemde tijd. Er kan een tijd zijn, waarop het gebed alles in ons opeist, geen versnippering toelaat en een zekere onthouding dienstbaar kan zijn aan de beoefening van ons geloofs- en gebedsleven.
Gebedenboeken
In onze kerkboekjes staan nog altijd een aantal gebeden uit de 16de en 17de eeuw ten gebruike van kerkdiensten en kerkeraadsvergaderingen, maar ook enkele bij het ontwaken en bij het gaan slapen en bij de maaltijden.
Onze vaderen gingen dus uit van de gedachte, dat, naast het vrije gebed, gebeden in zulk een vaste of althans voorgestelde vorm ons in het bidden van nut konden zijn. Hetzij om met deze gebeden persoonlijk in te stemmen, hetzij om van deze gebeden leiding en onderwijzing te ontvangen. Hoewel ze nog steeds in onze kerkboekjes herdrukt worden, kunnen we veilig zeggen, dat ze in onze tijd niet meer functioneren en dat het ook lang geleden is, dat ze dit wel deden.
Toch is het goed ze te lezen en daaruit te leren, hoe de christelijke kerk in Geneve, Straatsburg, Londen en de Paltz in die tijd haar geestelijke en lichamelijke nooddruft voor God bracht. We proeven dan telkens de diepe verootmoediging en de schuldbelijdenis, het besef van afhankelijkheid, de oprechte eenvoud en vooral het vertrouwen op God door Christus. Alle gekunsteldheid, hartstochtelijkheid en oneerbiedigheid is hier ver.
Er zijn trouwens vele andere gebeden uit het verleden bewaard gebleven. Het dienstboek der Ned. Herv. Kerk geeft er tal van voorbeelden van, maar er zijn ook allerlei speciale boekjes met gebeden uitgegeven. We doen goed ernaar te luisteren, al nemen we ze niet over om ze na te bidden. Want vooral in het persoonlijke gebed komt de bidder met zijn bijzondere nooddruft en gesteldheid des harten tot God. Maar het is toch weldadig de gemeenschap te gevoelen met de biddende gemeente van allerlei tijden en plaatsen. Daar vallen muren en afstanden weg. De stroom van gebedsleven neemt ons mee en helpt ons bij het gaan tot de troon der genade.
Hoeveel dichters en dichteressen hebben aan dat bidden gestalte gegeven in verzen. Eén van hen, Da Costa, eindigt een gedicht, dat de titel 'Bidden' draagt, met de volgende verzen:
Want bidden doet geen hart alleen,
één Geest dringt z'allen door;
en op Zijn priesterlijke troon
gaat Jezus Zelf hen voor.
Gij Zelf, de Waarheid en de Weg
ziet biddend op ons neer;
hebt biddend onze strijd volstrêen.
Leer Gij ons bidden, Heer!
De Geest der genade en der gebeden
Leer Gij ons bidden, Heer! Dat komt telkens terug. Want al kunnen we allerlei opsommen, wat tot het functioneren van een goed en regelmatig gebedsleven nodig en nuttig is, dat sluit niet automatisch in, dat ons leven daaraan beantwoordt. Het gebedsleven deelt in de bewogenheid van ons geloofsleven. Zonder geloof is het immers onmogelijk Gode te behagen, want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij is een Beloner dergenen, die Hem zoeken. En dat geloof is niet zo maar een constante grootheid. Al weet ik, dat het éne leven groter tegenstellingen kent dan het andere. Zelfs een man als Paulus klaagt erover, dat, als hij het goede wil doen, het kwade hem bij ligt. En dan is er de vorst der duisternis, die rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden. De vader der leugenen komt ons met duizend vragen aan boord, met duizend beschuldigingen, afleidingen en tegenwerpingen. Bovendien staan wij in het strijdperk van dit leven niet altijd in de volle wapenrusting, vaak ook weinig onderwezen en weinig geoefend in deze geestelijke bewapening.
Het is niet altijd lenteleven of zomerweelde. Soms huilen de herfststormen. Soms lijkt een winterse verstijving ons in haar greep te hebben. Dat wil niet zeggen, dat alles dood is. Maar ook zonder dat is het al donker genoeg. Dan gevoelen we allerlei beschuldiging over ontrouw en zwakheid, zoals deze de dichter aan het einde van de rijke 119e psalm nog doen zingen;
gelijk een schaap heb ik
gedwaald in 't rond,
dat, onbedacht,
zijn herder heeft verloren.
Maar dan vragen we ook:
Ai, zoek Uw knecht,
schoon hij Uw wetten schond,
want hij volhardt naar
Uw geboôn te horen.
Maar waar zo beleden en gebeden wordt, daar blijkt, dat God de Heere nooit laat varen, wat Zijn hand begon, al laat Hij ons soms worstelen en wachten. Hij houdt op verborgen wijze het vuur, dat dreigde uitgeblust te worden, brandende.
De Dordtse Leerregels zeggen hier zeer troostrijke dingen. De Geest der genade en der gebeden wil genadig oprichten, wat neergeslagen lag. En als wij niet weten te bidden gelijk het behoort, houdt deze Geest het altaar nog brandende en neemt ons bij de hand, opdat wij de weg vinden tot de troon der genade. Ook het gebed is een zaak van Gods genade en trouw in Christus, de grote biddende Hogepriester, die niet soms, maar altijd leeft om voor Zijn gemeente te bidden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's