De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Droevig slot

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Droevig slot

7 minuten leestijd

Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten. Psalm 119 : 176

Deze tekst is het laatste vers van Psalm 119. Dat loopt wel laag af! zegt u. Vele psalmen eindigen in een lofzang, deze in een schuldbelijdenis. En dat van een man, die het woord Gods boven alles liefhad. Die het gezworen had, dat hij zou onderhouden de rechten van Gods gerechtigheid. En het slot is een klacht uit een hart, door schuldbesef verslagen. Hier zien wij, wie Gods kinderen in zichzelf zijn. Ook de allerheiligsten. Wij kunnen soms zo hoog tegen ze aankijken. Menigeen let soms meer op wat een kind Gods zegt, dan op wat het woord Gods zegt. Het is duidelijk, dat dit alleen maar grote schade kan brengen voor het geestelijke leven. Gods kinderen, als zij eerlijk zijn tegenover zichzelf en de Heere, moeten het zeggen: wie ben ik? Een arme zondaar. Een dwaalziek mens.
Het is een bekend beeld, dat in onze tekst gebruikt wordt. De herder trekt voort met zijn schapen. Ineens maakt een schaap zich los van de kudde, het verlaat de welgebaande weg en gaat de eenzaamheid en de wildernis in. Zo ben ik nu, belijdt hier iemand: afgedwaald van de Herder Israels. Van die Herder, Die Zijn schapen gunstig weidt. Bij Wie het leven, de veiligheid, ja de zaligheid is. Hém heb ik verlaten.
Maakt de dichter hier de balans van zijn leven op? Of denkt hij aan een bepaalde zonde? Het laatste is het waarschijnlijkst, hoewel het eerst niet uitgesloten hoeft te worden. In elk geval: de Herder is verlaten. Misschien schudt iemand het hoofd over zoveel dwaasheid. Ja, dwaas is het. Maar wijs niet te spoedig naar een ander. Doen wij anders? In ons is van nature een boos en ongelovig hart om af te wijken van de levende God. Dat is al begonnen in het paradijs, toen wij de Heere de rug hebben toegekeerd. En dat gaat steeds door. Ook als deze God ons naloopt met Zijn zegeningen. Ook als wij het beleden hebben, dat Zijn liefdedienst ons hart bekoort.
Hoe komt een mens zo? Hoe kom ik zo? Daar is maar één antwoord op. Ziet, daar gaat de herder. Hij roept zijn schapen, en ze horen zijn stem, en volgen hem. Zo ging dat in het oosten. Zo is het ook in het christenleven. Je door de Heere laten leiden, is door Zijn woord je laten leiden. En wanneer gaat het fout? Als de weg van het woord verlaten wordt. Ongehoorzaamheid! Niet willen horen. Het kan 'onbedacht' zijn, zoals de berijming van dit vers zegt, het kan ook bewust, tegen beter weten in, gebeuren. Daniël heeft het erkend: 'Wij hebben de stem van de Heere, onze God, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten zouden wandelen.'
Waar moet zoiets op uitlopen? Daar zie ik het schaap gaan. In de wildernis. Diepe ravijnen zijn er, waar het in kan storten. Het kan verward raken in het struikgewas. De hyena's huilen. De leeuwen gaan uit om hun prooi te zoeken, terwijl de nacht valt. Weerloos is dan een schaap. Reddeloos. Verloren!
Daar heb je nu mijn nood. Een verloren schaap. Och, er zijn mensen, die zo gemakkelijk kunnen spreken over het verloren gaan. Soms matigen we ons zelfs een oordeel aan over iemand, die overleden is, dat ons helemaal niet toekomt. Hier is een mens, die het heeft leren spellen met betrekking tot zijn eigen leven: verloren. Spelt u het hem na? Ziende op mijzelf is het een verloren zaak. Velen vinden zichzelf er te goed voor. Gelukkig als wij het leren op de school van Gods genade. In dit leven. Weet u waarom? Wie straks vastloopt heeft geen uitzicht. Maar in dit leven staat de toegang tot de troon der genade open.
De Heilige Geest gebruikt de nood om ons daarheen te drijven. Het gebed klimt op: 'zoek Uw knecht'. Het is intussen wel een merkwaardig gebed. Wij moeten toch de Heere zoeken. Hoe vaak lees je dat niet in de bijbel? Zoekt de Heere, en leeft. Het kan ons dan ook niet genoeg op het hart gebonden worden. Maar wie werkelijk de Heere gaat zoeken komt tot de ontdekking: van mijn kant is het niets. Ook het zoeken niet. We gaan het omdraaien: Heere, U moet mij zoeken. Ik kan de weg terug niet vinden. Kom over de bergen van schuld en breng mij bij U terug. Zoek . . . Uw knecht. Uw knecht! Ja, ondanks alles mag ik dat toch zeggen. En Gij laat Uw eigendom toch niet los? U stuurt toch geen ontslagbrief aan weglopers? Ontferm U over mij.
Wie zo bidt, doet een appèl op het hart van de Herder. En dat is een hart vol ontferming. Vanuit de Schrift rijst Hij voor ons op. Die het zeggen kan: Ik ben de goede Herder. Ik stel Mijn leven voor de schapen. Dat is gebeurd, toen Hij als een Lam ter slachting werd geleid. 'Hoe vreemd, dat voor de schapen Zijner weiden, de Herder Zelf ter slachtbank Zich liet leiden. Hoe vreemd, dat voor de schulden Zijner knechten, de Meester Zelf aan 't kruishout Zich liet hechten'. Dit gaat ons verstand ver te boven. En deze goede Herder gaat nu uit om schapen te zoeken. Hij gaat ze na daar, waar ze gebonden liggen in banden van de ongerechtigheid, en bevrijdt ze. Hij zoekt ze op, waar ze neergestort liggen in de diepte, en geen voet kunnen verzetten. Gehate rovers jaagt Hij op de vlucht.
Daar hebt ge de troost van het evangelie. Zelfs de zwakke en schurftige schapen slaat Hij niet over. Lammeren vergadert Hij in Zijn schoot. Het zwakste geblaat hoort Hij. Hij is tot onze hulp gereed.
Om die hulp gaat het. Het moet ons alles waard zijn om die te krijgen. We mogen bij Hem aandringen, en onze mond vullen met pleitredenen. De dichter noemt er hier één: Uw wet heb ik niet vergeten. Heeft hij dan zo'n goed geheugen? Roemt hij in zijn eigen werk? Dat allerminst. Hij moet juist zichzelf aanklagen. Toch is Gods wet voor hem onvergetelijk. 'U, Heere, hebt die toch Zelf in mijn hart geschreven!' Pilatus zei eens: wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. Dat geldt ook van wat God schrijft in ons binnenste. 'U hebt Zelf mijn hart aangeraakt'. Dan wordt Gods wet ons meer waard dan het fijnste goud. Nooit is er een vreugd' in mijn gemoed gerezen als dat ik in Uw getuigenissen vond. Er ligt in ons leven een betrekking op Gods woord en Gods wil. Je komt er niet meer los van.
Maar kan je dan nog in zonde vallen? Helaas wel. Maar je kan er niet in léven. Een bepaalde zonde kan ons in haar greep hebben. We zitten schijnbaar muurvast. Maar er zal altijd iets in ons hart zijn, dat weer tegen de zonde ingaat. God laat je niet los. Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.
Welnu, Heere, Gij, Die mij deze genade geschonken hebt, geef mij ook de genade om weer bij U te mogen zijn.
U moet het doen.
Hij zal het ook doen.
Want zo zegt de Heere Heere: 'Ziet Ik, ja Ik, zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken'.
Tenslotte, Psalm 119 eindigt wel droevig. Maar het is toch een droefheid, die de wereld niet kent. Het is een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Deze droefheid gaat over in eeuwige blijdschap. Het loopt goed af. Het einde zal vrede zijn. Dank zij Hem, Die het verlorene zoekt.
Dan zullen wij, de schapen Zijner weide, in eeuwigheid Zijn lof, Zijn eer verbreiden.
Dinteloord                                                                                P. H. van Harten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Droevig slot

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's