De oud-christelijke belijdenissen 4
Historie van de z.g. belijdenis van Nicea in de Westerse Kerk
De z.g. belijdenis van Nicea of beter gezegd de belijdenis van Niceno-Constantinopolitanum (381) werd in 589 op de synode van Toledo aanvaard door de Spaanse en Gallicische (Franse) Kerken. Wel werkte op deze synodevergadering de invloed van de Triniteitsleer van Augustinus door. Deze kerkvader dacht nl. van de éénheid uit naar de drieheid en onderscheidde daarom in Vader, Zoon en H. Geest slechts één natuur. De Oosterse Kerk redeneerde van de drieheid naar de éénheid: de Vader is de eigenlijke god; de Zoon en de Geest zijn de geworden, dus lagere zelfstandigheden.
Deze wijsgerige visie beheerste de oorspronkelijke tekst van het Niceno-Constantinopolitaniom. De aandachtige lezer zal dan ook in het vorige artikel gemerkt hebben, dat in de oorspronkelijke tekst van de belijdenis staat, dat de H. Geest 'van de Vader' uitgaat. Maar in de versie van ons psalmboek staat nu, dat de H. Geest 'van de Vader en de Zoon uitgaat' (het z.g. filioque). Deze toevoeging 'en de Zoon' is, op grond van de Augustiniaanse Triniteisleer, in 589 te Toledo tot stand gebracht. De Oosterse Kerk moest hier niets van weten: dat de H. Geest ook van de Zoon uitgaat, zou een vernedering van de Geest onder de Zoon inhouden. Over dit 'filioque' is echter in het Westen ook nog wel wat te doen geweest. Keizer Karel de Grote liet in 809 op een synode te Aken het 'filioque' erkennen. Paus Leo III wilde deze toevoeging niet opnemen in de belijdenis.
Hij liet in de Pieterskerk te Rome twee zilveren tafels met het oorspronkelijke Niceno-Constantinopolitanum opstellen. Tenslotte werd de z.g. belijdenis van Nicea, zoals wij die nu hebben, te Rome in 1014 officieel in de liturgie opgenomen: na de prediking en vóór de viering van de mis werd dit belijdenisgeschrift gelezen. Luther laat in het jaar 1525, na de lezing van het Evangelie, deze geloofsbelijdenis zingen: 'Wir glauben all an einen Gott . . . '.
Bekend is, dat Calvijn nogal kritiek had op de overladenheid in woordkeus van de z.g. belijdenis van Nicea. Hij zag het meer als een lied, dat gezongen moest worden dan als een belijdenis. Ook ontkende hij terecht, dat deze belijdenis afkomstig was van Nicea. In de Reformatorische Kerken wordt dit belijdenisgeschrift veel minder gebruikt dan de Apostolische Geloofsbelijdenis, die uitmunt door grote eenvoud.
2. De geloofsbelijdenis van Athanasius
Gebruik
Deze geloofsbelijdenis wordt in de Protestantse Kerken met nadruk erkend, maar speelt er praktisch een geringe of geen enkele rol. Het is daarom een goede zaak dit belijdenisgeschrift wat uit de hoek der vergetelheid te halen.
Geschiedenis
De historie van het z.g. Athanasium of Quicumque, zo genoemd naar de beginwoorden in het Latijn, is er één van grote verwarring en onzekerheid. Waar en wanneer zij precies ontstaan is, is nog altijd een onopgelost probleem.
De Latijnse tekst komt het eerst voor in handschriften uit de 8ste eeuw. De Griekse vertalingen dateren op z'n vroegst uit de 12de of 13de eeuw. In elk geval is het uitgesloten, dat Athanasius werkelijk de auteur is: het gebruik van de Latijnse taal en het voorkomen van het 'filioque' sluiten dit uit. Over dit laatste straks nog het één en ander.
Anderen menen, dat Ambrosius (340-397), bisschop van Milaan, de opsteller is. Tot deze mening kwam men, omdat men meende, dat deze belijdenis van oorsprong in de eredienst werd gezongen: het zou een hymne zijn. Ambrosius heeft vele gezangen geschreven en zo kwam men tot het auteurschap van Ambrosius. De toonvallen in de geloofsbelijdenis van Athanasius kloppen echter niet met de cadensen, gebruikt in de dagen van Ambrosius. Trouwens, geloofsbelijdenissen werden nooit gezongen in de eredienst.
Weer anderen zijn van opinie, dat zij is ontstaan uit verschillende uitleggingen van de Apostolische Geloofsbelijdenis in de 5de of 6de eeuw in Zuid-Frankrijk of Spanje. Men wijst daarvoor graag op de artikelen 38-40, waarin het apostolisch belijden doorklinkt. Voor het eerst komt een deel van deze belijdenis voor in een preek van Caesarius van Arles in het begin van de zesde eeuw.
Vermoedelijk is daarom de geloofsvorm en bekentenis van de H. Athanasius omstreeks 500 ontstaan. Daarna is zij, in de loop der eeuwen, uitgegroeid tot haar huidige gestalte. Dit groeiproces kan geduurd hebben tot de 8ste eeuw, het tijdstip, waarop de Latijnse tekst in de handschriften voorkomt.
We merken dus ook hier weer, dat het auteurschap en het jaartal, die boven deze belijdenis in ons psalmboek staan, beide historisch onjuist zijn. Van de 7de tot de 17de eeuw hield men Athanasius voor de opsteller, maar nadien bleek duidelijk, dat deze stelling niet te handhaven was.
Inhoud
De vorm, waarin de inhoud is gegoten, laat duidelijk merken, dat deze belijdenis niet is opgesteld om in de eredienst gebruikt te worden. De indeling in 44 korte zinnen onderscheidt zich van de Apostolische Geloofsbelijdenis en vooral van de z.g. belijdenis van Nicea. Daarbij sporen de vermaningen met klem aan niet te twijfelen aan de heilswaarheden (1, 20, 28 en 29). Zelfs vervloekingen ontbreken niet bij de inleiding en het slot (2 en 44). We kunnen het geheel in drie stukken verdelen:
a) in de artikelen 3-27 wordt de leer van de Drieëenheid besproken. Sterk wordt de wezensgelijkheid van Vader, Zoon en H. Geest naar voren gebracht. De punten 13 en 14 komen tot tweemaal toe letterlijk bij Augustinus voor en ook het belijden, dat de H. Geest van de Vader en de Zoon uitgaat, wijst op een doorwerking van de theologie van Augustinus. Dit z.g. filioque in art. 23 is er tevens een bewijs van, dat deze belijdenis nooit in 333 kan zijn opgesteld: de strijd om het filioque ging, zoals we hoorden, eerst later een rol spelen en wel na de dood van Athanasius.
b) de artikelen 30-37 behandelen de menswording, de persoon en de beide naturen van Jezus Christus. In die zinnen worden leringen bestreden, die veroordeeld werden op de synodes van Constantinopel (381) en Chalcedon (451). Eerder dan deze concilies kan dus het concept van onze belijdenis niet gedateerd worden.
c) de artikelen 38-41 vormen een soort aanhangsel, hoofdzakelijk ontleend aan de Apostolische geloofsbelijdenis en met een sterke accentuering van de opstanding van alle mensen en hun verschillende bestemming in het hiernamaals.
Schoonhoven J. Broekhuis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's