Anders gezegd
Wij mensen zijn op de taal aangelegd om iets over te dragen aan anderen, om communicatie met elkaar te hebben. Dat geldt ook in de kerk. Daarin komt God met Zijn Woord tot ons in de taal die de onze is, die ook schepping van Hem is. In die taal hebben mensen omgang met elkaar, ook in de omgang van het geloof: 'hoor wat mij God deed ondervinden . . .' Nu leven wij in deze eeuw in een gebroken kerkelijke situatie. En het moeilijke is vaak, dat elke kerk haar eigen taal, haar eigen woordgebruik heeft gekregen.
De afstand in taal groeide soms met de jaren.
In de Christelijk Gereformeerde Kerken is het taalgebruik anders dan in de Gereformeerde Gemeenten, daar weer anders dan in de Gereformeerde Bond. De Vrijgemaakt Gereformeerden hebben ook weer zo hun eigen taalveld en zo kan men doorgaan. Zelfs wanneer we spreken over de 'tale Kanaans' dan heeft deze taal in de ene kerk een andere klank en kleur dan in de andere. En óók wanneer ieder beaamt, dat de taal in de kerk, óók de tale Kanaans, bijbels moet zijn, dan nóg is er verschil. Tenslotte gaat het in de prediking ook om interpretatie en uitleg. En daarin is in de kerken vaak een eigen taalgebruik gegroeid. De bijbelwoorden zijn omkranst met eigen woorden, in de ene kerk meer in de andere minder.
* * *
Belangrijk is dan ook bij dit alles, dat we door de taal kunnen heen zien tot op de zaken. Er zijn ongetwijfeld in de verschillende kerken van gereformeerde confessie óók verschillen in dogmatisch opzicht, niet gering zelfs. Maar die zijn niet zonder meer te beoordelen op woord en taal. Zo gemakkelijk komt men er evenwel toe om de ander op taal en woordgebruik te beoordelen, of ook te veroordelen. Het is te traditioneel óf te eigentijds; maar aan de eigenlijke inhoud raakt men niet. De eigen taalwereld is dan een barrière om tot de ander door te dringen en hem echt te horen. Nog een stap verder en men komt tot verdachtmaking, alléén om het woordgebruik.
Eind vorige eeuw schreef dr. Ph J. Hoedemaker in zijn afscheidsbrief aan de Confessionele Vereniging de volgende woorden: 'Ik wens met Gods volk te leven en te sterven en heb niet nodig mijzelf één ogenblik te bedenken wanneer men mij vraagt: 'Hier hebt ge de beschaafde, methodistische, met de tijd meegaande christen en daarnaast een bekrompen, onhebbelijk, ouderwets, met vele vooroordelen bezet, maar toch innig vroom man, de type van een afgescheidene uit de dagen van 1834, tot wien van beiden gaat uw hart uit? 'Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en ik behoor ongetwijfeld bij de man die het verdacht vindt, dat ik de waarheid, waarom het ons beiden te doen is, anders uitdruk dan hij dit van zijn jeugd af gewend is geweest.'
Zo zal het in de geschiedenis wel meer zijn gegaan en zó zal het nog wel voorkomen: behoren bij de man die het toch eigenlijk verdacht vindt, dat men de waarheid anders uitdrukt dan hijzelf dit van zijn jeugd af gewend is geweest. Ik denk dat hier door predikanten, door de tijd heen, heel wat aan geleden zal zijn.
Variaties in woord en taal
Ik meen dat we in onze tijd, waarin we met zo'n schrikbarende afval worden geconfronteerd en belijdende christenen elkaar zo bitter hard nodig hebben in de strijd tegen de geest van afval en secularisatie, niet genoeg kunnen benadrukken dat we elkaar niet op woorden mogen beoordelen, laat staan op een woord veroordelen. We zullen tot de ander in zijn woord en taalgebruik moeten doordringen om te verstaan wat hij bedoelt. Als er van een eenheid in geloofsbeleven sprake is, wanneer er sprake is van de levende omgang met God in Zijn Woord, dan léért trouwens de levenservaring het, dat de taal geen blijvende barrière kan zijn.
Dan vallen kerkmuren weg in het gesprek over de geestelijke dingen en in het horen van de prediking. Al weet ik zeer wel, dat er tijd voor nodig kan zijn vóór er gewenning is aan de uitdrukkingswijze van de ander. Dat geldt met name wanneer je met de prediking in een andere kerk wordt geconfronteerd.
* * *
Maar er mag toch ook variatie zijn in woordgebruik? ledere dienaar van het Woord heeft zelf als het goed is ook iets eigens, óók in zijn manier van zeggen. Hij behoeft zich niet in te passen in een vooraf-geijkt patroon. Hij mag het zeggen zoals de Geest het hèm te zeggen geeft.
In eigen taal
Er is ook nog iets anders: de taal moet soms verschillend zijn. Op de Pinksterdag hoorde ieder in eigen taal de grote werken van God. Zo mag het nog zijn. Niet alleen in verschillende talen, in de letterlijke zin van het woord, maar ook in verschillende uitdrukkingswijzen binnen dezelfde taal. Een predikant zal het soms in de ene situatie anders moeten zeggen dan in de andere, eenvoudiger of dieper, verhalender of dogmatischer. In evangelisatiewerk anders dan in de gewone verkondiging. Op een jeugdbijeenkomst anders dan op een bejaardenmiddag. Als het maar dezelfde zaken zijn.
Gelukkig die predikers, die de heilige kunst versaan om ieder aan te spreken, zonder de inhoud van de boodschap geweld aan te doen: ouderen en jongeren, inwoners en voorbijgangers, 'geoefenden' en zoekers. Begenadigde prekers, die er zelfs de kinderen bij weten te betrekken, al was het maar twee minuten per preek en dan zó dat het ook de ouderen aanspreekt.
* * *
Maar dat alles eist dan ook een stuk eigenheid van de preker. Het is met imitatie niet te doen! God de Heere heeft ieder zijn eigen mogelijkheden gegeven. Dat mag ieder, die in de dienst des Heeren staat, in welk ambt dan ook, weten. Hij behoeft niemand na te doen. Ieder is aangenaam in wat hij heeft, niet in wat hij niet heeft.
Ieder die een ander imiteert wordt onwaarachtig.
Er zijn door de jaren heen eenvoudige oefenaars geweest, die een ongekunsteld. maar eigen en soms hoogst origineel woordgebruik hadden. Daarin waren ze de moeite van het aanhoren waard en méér dan dat. Niet zodra gaat echter iemand dat na doen of het wordt onwezenlijk, het tegendeel van wat zij bedoelden. Iemand die vroeger bij de Oud-Gereformeerde predikanten Blaak en Boone met veel vrucht en zegen had gekerkt, sprak eens kritisch over anderen die hen nadeden maar bij wie het niet echt, want niet eigen was. Hij zei: Blaak en Boone waren ongekunsteld en echt, ongecultiveerd maar geestelijk en aansprekend. Die anderen waren te gecultiveerd om nog echt te zijn en te weinig gecultiveerd om te boeien.
Scherp gezegd, maar waar als iemand probeert een ander met woorden te imiteren. Maar woorden worden zo klanken en de klanken versterven. Dan kan het zijn dat geldt: twee zéggen wel hetzelfde maar ze bedoelen niet hetzelfde. Het kan ook zijn dat twee het verschillend zeggen maar hetzelfde bedoelen. Woorden kunnen klanken worden maar ook zaken.
En in de zaken gaat het dan, bij verschillende woorden, om hetzelfde.
Eigentijds
De taal in de kerk moet en mag ook eigentijds zijn. Maar niet dat is bepalend voor het aansprekend zijn, al is het wel een belangrijke factor. Wil de taal écht aansprekend zijn dan moet deze geestelijk zijn welke taal men ook bezigt. Men kan de Woordbediening namelijk ook zo 'eigentijds' maken, dat men het Woord kapot vertaalt en dat de geestelijke inhoud van de Schriften niet meer doorstraalt.
Maar Bijbelwoorden zelf zijn in onze taal onvervangbaar, wil deze de geestelijke rijkdom van de Schrift ademen, hoezeer men ook uitleggen en toelichten mag in eigentijdse taal. De woorden dienen 'geest en leven' te zijn, anders zal er bepaald geen vrucht gezien worden. Hóé men het ook zegt, het zal van de Geest doorademd moeten zijn, zeg spiritueel, dan is het ook in alle tijden eigentijds.
* * *
Onlangs heeft in het maandblad van de reünisten van de studentenvereniging S.S.R. een interview gestaan van dr. G. Puchinger met ds. A. A. Spijkerboer. Spijkerboer zegt daarin, nadat hij nogal positief over de tale Kanaans en de bevinding heeft gesproken — al valt over zijn benadering daarvan nog wel wat te zeggen — het volgende: 'Wanneer de Bond erin slaagt allerlei niet ter zake doend conservatisme overboord te zetten, zie ik hem als een van de meest belovende stromingen van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Ik vind de gereformeerde mystiek schitterend, en een hoop mensen wachten er eigenlijk op! De afstand tussen het hippe volkje en een goede Gereformeerde Bonder is in feite heel klein . . .
Ze zouden elkaar kunnen raken in een goede wereldvreemdheid. Maar het kan zijn dat de Pinksterbeweging het hippe volkje uiteindelijk meer aanspreekt, omdat daarin naar mijn gevoel een zeer massief soort beleving te vinden is.'
* * *
Het lijkt me — afgezien van het conservatisme — een hele sprong van de Bond naar het 'hippe volkje'. Maar feit is, dat de jeugd van onze tijd alleen door een geestelijk geladen woord aangesproken zal kunnen worden. Dat staat of valt niet met de Bond maar wèl met het geloof waarvan geldt dat het een gave des Geestes is en dat opbloeit bij het zien op Jezus, nadat afgronden openingen bij het zien van eigen schuld en nood in het licht van Gods heiligheid. Vanuit dat geloof hebben we toch een woord voor anderen, voor verdoolden, voorbijgangers, het hippe volkje wat mij betreft. Je ziet wel eens met verlangen uit naar een opwekking ook onder de jongeren, naar een woord dat ook hun harten raakt, maar dan zó dat het hun harten raakt met de geheimenissen van Woord en Geest. Nu worden ze vaak aangesproken door het oppervlakkige gedoe van buitenkerkelijke groepen. Zelfs de kerkelijke jeugd is daarvoor in toenemende mate gevoelig. Temeer een reden om de bijbelwoorden tot in de wortel te bestuderen en ze in al hun kracht en geladenheid door te geven aan de generatie van nu, maar dan ook zo dat in woord en taal 'geest en leven' doorkomt. Dan mag ieder het op zijn wijze doen. Als het maar is op de wijze van het Woord en dus naar de zin en mening van de Heilige Geest.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's