Het gebed
Het openbare gebed
Overeenkomst en verschil met het persoonlijke gebed
De grote overeenkomst tussen het persoonlijke en het openbare gebed is, dat het beide malen gaat om dat spreken tot God, waarbij het bewustzijn van Zijn goddelijke grootheid en goedheid ons vervult; waarin we ons wel bewust zijn van onze menselijke onwaardigheid, schuld en nooddruft; en waarin wij de Middelaar, Jezus Christus, voor ogen hebben als degene, wiens Naam toegang geeft tot Gods genadetroon en die de kloof tussen God en ons overbrugt. Dit alles is tenminste altijd de ondergrond van alle gebed.
Het is ook waar, dat de achtergrond van het openbare bidden moet liggen in het persoonlijke. Waar het laatste kwijnt, zal ook het openbare gebed niet levend, warm en krachtig zijn, tenzij andere niet-geestelijke en daarom bedenkelijke motieven 'n soort welsprekendheid teweegbrengen, die de schijn van het spontane gebed moeten ophouden.
Dat gevaar voor dit laatste is er, omdat één van de grote verschillen tussen verborgen en openbaar bidden dit is, dat het gebed in de binnenkamer alleen voor Gods oor uitgesproken wordt, maar het openbare gebed ook voor het oor van mensen. Daar kunnen gevaren in zitten. Op verschillende manier. Het kan gebeuren, dat iemand, die, zoals men dat noemt, 'gebedsgaven' heeft, daardoor ook meer aandacht krijgt voor zijn talent dan goed is voor degenen, wier mond hij is, en voor hemzelf. Trouwens op allerlei manier kunnen hier misbruiken insluipen. Het gebed is b.v. niet de weg, waarlangs wij andere mensen onze mening over bepaalde aangelegenheden laten merken of waarvan men gebruik maakt om bestraffingen uit te delen. Het gebed is er niet om door degenen, die zwijgend meebidden, meer beluisterd te worden, dan dat men zijn eigen begeerten daarin herkent en voor Gods aangezicht gebracht ziet.
Op de preekstoel mag het gebed geen op de prediking vooruitlopend voorwoord op de prediking of een zelfstandig stuk prediking zijn. De prediker preekt dan met gesloten ogen voor een luisterende gemeente, maar gaat haar niet voor en neemt haar niet mede naar de Hoorder der gebeden. De prediker moet niet denken aan de oren, maar aan de harten van zijn gemeenteleden en wat daarin leeft, uitspreken voor Gods aangezicht.
Meent hij, dat wat in die harten leeft juist niet goed is, dan is niet het gebed, maar de prediking en het persoonlijke bezoek, het middel om de mensen daaraan te ontdekken. 'Preek in uw preek; bid in uw gebed', zegt Spurgeon terecht. Bidden moet in het openbaar geschieden namens de biddende gemeente. En wel naar haar kern en wezen, als — met al haar zwakheid — gelovende gemeente. Zo zijn ook de formuliergebeden gesteld, die onze vaderen ons hebben nagelaten. Dat sluit niet uit, dat de gemeente ook in haar gebed er zich van bewust is, dat het niet al Israël is, wat Israël heet, en dat ook degenen, die bidden geleerd hebben, nog dagelijks bekering van node hebben. Wij horen ook in tijden, waarin Gods kastijding over Israël gaat, bidden: eere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn (Jeremia 31: 18; Klaagliederen 5: 21). De geestelijke nood van velen wordt aan God voorgelegd, ook al zijn er, die niet van harte meebidden. En zo is het ook met het vertrouwend hopen op God en het dankzeggend prijzen van Zijn Naam. De prediker zal des te beter namens de gemeente tot God spreken, naarmate hij haar leven des te beter kent en hij in zijn eigen hart dezelfde noden en dezelfde uitgangen des harten ervaart.
Onder tucht
Ik wil niet zeggen, dat het spreken tot God namens de gemeente heiliger is, dan het spreken namens Hem tot de gemeente. Wel weet ik, dat God de Heere geheiligd wil worden in degenen, die tot Hem naderen. Onder Israël werd dat door duizend bijzondere voorschriften tot uitdrukking gebracht, toen God op een bijzondere wijze woonde in het heilige der heiligen boven het verzoendeksel.
Die ceremoniën waren een aanduiding van hetgeen op geestelijke wijze nog altijd voor ons geldt. In zijn reeds eerder genoemde Pastorale Adviezen wijst Spurgeon, die de prins der predikers genoemd is en die zelf in talloze diensten de mond der gemeente mocht zijn, op tal van dingen, die de taal, waarmee wij tot de Koning der koningen naderen, ontsieren: slordige, onverzorgde taal, laag bij de grondse, vrijpostige, platte, gemeenzame taal, die bijna een formuliergebed zou doen prefereren. De vertrouwelijkheid, waarmee wij tot God naderen, mag alleen een geheiligde vertrouwelijkheid zijn, die vrucht is van Gods genade.
De taal van het gebed mag niet gekunsteld zijn. Israël moest altaren van ongehouwen steen oprichten (Ex. 20: 25). Ze mochten niet 'mooi' gemaakt worden, al werden de stenen 'naar het getal der stammen van de kinderen Jacobs' (1 Kon. 18: 31) zorgvuldig opeengelegd. Zo mag de taal niet gezwollen zijn, met een veelheid van dierbare uitdrukkingen, onjuiste en overvloedige aanhalingen uit de Schrift of versleten termen. Iemand heeft eens gezegd: een term is het lijk van een woord. De vorm is er nog precies, maar het leven is eruit. Daar zit veel waars in. Spurgeon wijst er ook op, dat wij moeten toezien, dat ons bidden zich niet schuldig make aan zonde tegen het derde gebod, doordat wij de naam des Heeren onnodig telkens als een stoplap herhalen.
Het geneesmiddel tegen al deze kwalen is, dat wij ons én in het persoonlijke én in het gemeenschappelijke gebed de hoogheid en de heerlijkheid voor ogen stellen van Hem, die zeer hoog woont, maar ook zeer laag ziet.
Die tucht ga ook over de lengte van onze gebeden. Ik weet wel, dat al biddende onze gedachten zich vermenigvuldigen en dat wij er dan gemakkelijk toe komen allerlei op zichzelf goede, maar daarom nog niet voor dit gebed nodige elementen erbij te betrekken. Anderen moeten met de voorganger kunnen meebidden. Dat mag niet een te zware opgave worden. Ik kan begrijpen, dat iemand zei van een voorganger: eerst bad hij mij in een goede gestalte des harten, maar toen hij al maar voortging, bad hij me er ook weer uit. Spurgeon, die dit verhaalt als een ervaring van de bekende calvinistische opwekkingsprediker George Whitefield wijst op het schadelijke en vermoeiende van dit lange bidden, waardoor de frisheid van het bidden zelf en ook van de aandacht voor de prediking van het Woord wordt weggenomen.
Predikanten hebben toch al vanouds de naam, dat zij zowel hun prediking als hun gebed nodeloos rekken, door een overvloedig gebruik van synoniemen dat wil zeggen woorden en uitdrukkingen van ongeveer dezelfde betekenis. Meer dan een halve eeuw geleden maakte een leraar op ons gymnasium daarover reeds een kritische opmerking.
Wie voorgaat in gebed bedenke tot Wien hij anderen leidt; en dat die anderen hem in meer dan één betekenis in dat voorgaan moeten kunnen volgen.
Wel zal ook het openbare gebed de sporen dragen van de individualiteit van hem, die voorgaat. Dat is ook niet erg. Dat geeft juist aan het vrije gebed een levendigheid, die het uitstekendste formuliergebed op den duur niet vergoeden kan. Want het formuliergebed mist de directe aansluiting op datgene, wat de gemeente op dit ogenblik van node heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's