De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Onrust rondom de theologische studie
In Hervormd Nederland van 16 februari trof ons een artikel van David Mol over de studie in de theologie. Dat is een uitermate aangelegen punt, dat niet slechts de betrekkelijk kleine kring van academici raakt, maar waar de christelijke gemeente in zijn geheel bij betrokken is. Hoewel theologische studie een wijder begrip is dan opleiding tot dienaren van het Woord — niet elke afgestudeerde theoloog wordt ook predikant — is er toch een nauwe verbinding.
Het zegt immers heel wat dat onze kerk vasthoudt aan een academische opleiding en een volledige theologische studie voor hen die predikant willen worden. Welke weg moet de studie van de theologie gaan in een tijd van herstructurering ook aan de universiteiten, in een tijd ook waarin allerwege bezinning is op de vooronderstellingen van het wetenschappelijk bezig zijn. Dat hier een heel terrein van vragen ligt waarbij allerlei instanties betrokken zijn, is duidelijk.
Maar juist als kerk hebben we de oren te spitsen als we horen van actiegroepen die in discussies en via publicaties hun onvrede uiten met de huidige studieopzet en een reeks eisen op tafel leggen voor een alternatief studieprogramma. David Mol schrijft hierover met betrekking tot de Groninger theologische faculteit. Hij wijst erop dat een niet onaanzienlijk deel van de jongerejaars studenten in de theologie in een motivatiecrisis verkeert.
Wat wordt daar mee bedoeld? Heel eenvoudig vertaald zou men kunnen zeggen: Wat doe je er mee in de maatschappij? Moet de theologie niet veel meer 'maatschappij-betrokken' zijn, en hoe moet je dat in een studieopzet verwerkelijken? Studenten klagen dat ze onvoldoende inzicht hebben in de maatschappij en daardoor hun theologische bijdrage te weinig kracht kunnen geven. Het blijkt niet om een specifiek Gronings probleem te gaan. In het genoemde artikel lees ik onder meer:
En dat het niet om een exclusief Gronings probleem gaat, blijkt uit de solidariteitsbetuigingen die op een actievergadering worden voorgelezen. De actiegroep theologen van de Amsterdamse universiteit laat weten, dat het 'ook in ons belang is dat bij jullie de lauwheid wordt doorbroken' en het bestuur van de Kamper studentenbond schrijft: 'Ook wij proberen de vooronderstellingen die aan het huidige theologisch onderwijs ten grondslag liggen, bloot te leggen en de discussie op gang te brengen over de vraag wat een alternatief is voor het huidige zeer onbevredigende ondeirwijs . . . en daar velen van ons weten hoe moeilijk het is een inhoudelijke discussie over de theologische opleiding op gang te brengen, verklaren we ons gaarne solidair met jullie actie'.
Onder applaus wordt meegedeeld, dat de Kampenaren een handtekeningenactie gestart zijn, net als de studenten aan de V.U. Een student komt binnen en brengt verslag uit van een zojuist gehouden vergadering van de onderwijscommissie: 'D'r is erg gezellig gepraat, dat wel, alle aanwezigen waren er wel van overtuigd, dat onze voorstellen voor een andere studieopzet een uitroep waren van de grote problemen die er achter liggen. Dat studenten niet meer gemotiveerd zijn om veertig hoofdstukken Hebreeuws te vertalen als het ook met twintig kan, dat de studie eigenlijk te taalkundig, te historisch gericht is. En dat daarachter het hele probleem ligt van wat je latere beroepsperspectief is, dat de opleiding niet meer aansluit op de werkelijkheid van vandaag. En dat dat wat je nodig hebt om later bijvoorbeeld predikant te worden, nauwelijks meer te vinden is in de studie zoals die nu is. Als één van de oplossingen noemden ze dat we maar eens vaker met docenten persoonlijk moesten gaan praten'.
Een medestudent constateert een kloof in denken tussen de meeste van de docenten en henzelf: 'De tactiek van de heren is de zaak zo algemeen mogelijk te houden en de concrete problemen zoveel mogelijk uit de weg te gaan.'
Het zou een belangwekkende vraag zijn na te gaan in hoeverre deze klachten juist zijn: te historisch, te taalkundig, te weinig op de werkelijkheid gericht. Als hiermee een steriele wetenschappelijkheid veroordeeld wordt, los van kerk, geloof, gemeentezijn, een wetenschap zonder pietas (vroomheid) laat de klacht zich verstaan. Maar bedoelen de actieleiders niet heel wat anders?
Ze willen graag, dat binnen de theologische studie een wetenschappelijke bezinning plaats vindt rond moderne ontwikkelingen van kerk en geloof in onze maatschappij.
'Maar heel weinig van die ontwikkelingen dringt door in de colleges en dat is voor ons moderne mensen wel eens een frustrerende zaak.' De theoloog moet grondiger worden ingewijd in de problemen van de huidige maatschappij. 'Wanneer je bijvoorbeeld dominee wordt en je doet zoals nu wat aan pastorale psychologie, dan is dat te weinig. Er zijn gewoon veel te veel dominees die niet voorbereid zijn op het werken met mensen temidden van onze hedendaagse problemen, ze kunnen dan wel met de bijbel omgaan, maar er verder iets concreets mee doen, nee dat wordt niet geleerd'.
In hun ogen is de theoloog zoals die nu door de faculteiten wordt afgeleverd vaak veel te veel een bevestiger van bestaande toestanden.
Ze willen een volledige integratie van de sociale vakken in het studiepakket en niet, zoals momenteel, dat een vak als inleiding in de sociologie er maar een beetje bijhengelt. 'Iemand die nu theologie gaat studeren verwacht tijdens z'n studie geconfronteerd te worden met de dynamische veranderingen in deze maatschappij, nou vergeet het maar', aldus Inne Rutgers. En Han Dijk vult aan: 'Zodra blijkt dat mensen theologie willen gaan studeren en daarbij de sociale kant van de zaak nadruk willen geven, dan blijkt daaruit dat de maatschappij behoefte heeft aan op deze wijze opgeleide theologen'. 
Z'n vermoeden zou wel eens juist kunnnen zijn: de revival op religieus terrein — de opkomst van politiek-theologische stromingen, de Jezus-beweging, de Unified Family, de Navigators, Youth for Christ, children of God, de hang naar het Boeddhisme en de mystiek verloopt voor het grootste deel zonder dat er 'klassieke theologen' aan te pas komen.
En juist door deze ontwikkelingen komen er nog al wat theologische studenten in een identiteitsconflict terecht, door hen zelf aangeduid als 'motivatiecrisis'. Want wat wil je met je taalkundig-historisch gerichte opleiding wanneer je afgestudeerd bent? Wat is dan je werkelijke functie als theoloog, wat kun je eigenlijk?
Hoewel volgens het merendeel van de docenten en een deel van de studenten de problemen sterk worden overtrokken, is het langzamerhand wel duidelijk, dat het om zeer fundamentele vragen gaat. 'In de loop van de afgelopen tien jaren is er ook bij de theologie te constateren, dat ze een belangrijke plaats in de maatschappij kan en móet hebben, kijk naar Duitsland, naar Z.-Amerika, waar priesters 'n rol spelen in de strijd tegen onderdrukking. Er treedt duidelijk een bepaalde functie op in de theologie die in de studie als zodanig toch gehonoreerd zal moeten worden'.
Het is niet onduidelijk wat de actieleiders en hun aanhang beweegt: een sterk maatschappij critisch gerichte theologie-studie. Hier rijzen toch vele vragen. Ze komen trouwens ook in het artikel al naar voren. Iemand heeft de waarschuwing laten horen dat een theologische faculteit geen sociale academie mag worden, waarbij hulpwetenschappen als sociologie en psychologie op de eerste plaats komen. Kan dat, mag dat de bedoeling zijn van een theologische studie?
In het artikel is sprake van maatschappijbetrokkenheid. Je krijgt sterk de indruk dat daar de voornaamste interesse ligt van hen die pleiten voor aansluiting aan de werkelijkheid. Maar op deze wijze wordt de specifieke taak van de dienaar des Woords toch opgeofferd aan het maatschappelijk en politiek engagement.
Tegen deze tendens heeft juist het Getuigenis gewaarschuwd. Je vraagt je ook af: Zijn zij die zo sterk pleiten voor de maatschappelijke betrokkenheid van oordeel, dat de Bijbel en de dogmatiek, en de kerkgeschiedenis alleen maar relevant zijn voor zover ze maatschappijcritisch zijn? Als dat de diepste beweegreden is, dan is te hopen dat de theologische faculteiten nooit op deze alternatieve studieopzet in zullen gaan. Laat de theologische studie de kerk mogen dienen, door de betrokkenheid op de Bijbel, het belijden, de dogmata, en de geschiedenis en praxi van de kerk. Want de kerk is hoedster van het geheim van het Evangelie en niet een maatschappelijk-sociaal instituut. De betrokkenheid van de kerk op het Woord is ook bepalend voor de opzet van de theologische studie.

Gereformeerd of anders?
Aldus de titel van een artikel in het Centraal Weekblad van 16 februari, waarin Prof. dr. D. Nauta er op wijst dat de Gereformeerde kerken op een tweesprong staan. Welke richting gaat het uit?
Zullen deze kerken in de toekomst nog waarlijk Gereformeerd zijn of zullen zij een kerk vormen waarin diverse richtingen met gelijke rechten worden erkend en toegelaten? Ziedaar het dilemma waar de Gereformeerde kerken volgens Nauta voor staan. Nu hangt hier natuurlijk veel af van de inhoud van het woord 'Gereformeerd'. Nauta wil niet uitgaan van de kerken zoals zij reilen en zeilen. Ook kan hij niet overweg met de gedachte aan een Gereformeerde gezindheid zoals Groen van Prinsterer die voorstond.
Bij Gereformeerd heb ik het oog op een norm; een norm die gegeven is en aangewezen in de periode van de reformatie der zestiende eeuw. Die norm houdt onder meer dit in, dat er in de kerk leven en beweging moet zijn onder leiding van de Geest van Christus; dat het in haar midden aan vernieuwing niet mag ontbreken; dat er steeds weer zal blijken te zijn een grijpen naar hoger. Wij zijn Gereformeerd om steeds opnieuw meer en voller en dieper Gereformeerd te worden, in leer en leven beide. Zo bedoel ik het, wanneer hier gesteld wordt dat onze kerken zijn en mogen blijven Gereformeerd, ook in 't gebeuren en de voortgang van onze dagen. Ook wanneer er sprake is van een samengaan met anderen of van een opgaan met anderen in een nieuwe kerkgemeenschap.
Of verdient het toch de voorkeur dat wij gaan streven naar een kerk met een algemeen christelijk karakter? Zo willen kennelijk sommigen het. Zij hechten niet meer zozeer aan het eigene van de gereformeerde belijdenis en levensopvatting, welke betekenis dat ook voor het verleden moge gehad hebben. Laten er ook andere stromingen in onze kerken vertegenwoordigd zijn. Het is zelfs niet noodzakelijk dat allen zouden moeten worden gerangschikt onder de tot dusver bekende groepen of richtingen.
Laat er een grote mate van vrijheid worden toegestaan, mits wij er van verzekerd mogen zijn dat het alleen betreft mensen van goeden wille, die zich door het Evangelie aangesproken gevoelen en zich de belijdenis van Jezus Christus als Heer niet willen schamen. Voor al dezulken zou er in onze kerken ruimte moeten worden gegeven. Naar mijn mening zijn aan die voorstelling allerlei bezwaren verbonden, welke ik nu niet nader opsom. Het zal moeten blijven bij een kerk van Gereformeerd stempel.
Deze opvatting behoeft niet in conflict te komen met het oecumenisch streven naar onze dagen. De rechtmatigheid hiervan hebben wij leren inzien. En wij kunnen daar volop onze bijdrage aan betonen door met andere kerken contact te onderhouden en door met andere kerken zo nodig zelfs in federatief verband te treden.
Er zijn allerlei verhoudingen van vriendschappelijke en broederlijke aard te bedenken en te verwezenlijken, ook wanneer wij menen te moeten vasthouden aan het Gereformeerd karakter van onze kerken. Het meedoen aan de oecumenische beweging behoeft volstrekt niet gepaard te gaan met het verloochenen van het eigen stempel dat onze kerken dragen en waaraan zij op goede gronden, aan de Bijbel ontleend, menen waarde te moeten hechten.
Wij zijn in vele opzichten dankbaar voor dit geluid, waarin aangedrongen wordt op een ernst maken met de gereformeerde belijdenis. Toch meen ik dat de problematiek juist schuilt in dat samengaan van 'Gereformeerd' en 'oecumenisch'. Niet dat dit tegenstellingen zijn. Was Calvijn niet een oecumenische figuur bij uitstek, terwijl hij juist vasthield aan zuivere, of zoals hij het graag uitdrukte hemelse leer? Maar het oecumenisch streven van onze dagen, waarin de Gereformeerde kerken hoe langer hoe meer participeren, maakt het moeilijk het Gereformeerd karakter te bewaren. De vraag: Met welke kerken contact moet worden onderhouden wordt in dit artikel niet direct beantwoord. Zijn hier ook de kerken van Gereformeerde signatuur mee bedoeld? Of alleen de kerken die deel uit maken van de Raad van Kerken?
En wat te denken van de verhouding tot de Hervormde Kerk? De jongste synodezitting heeft laten zien dat dit nog niet zo eenvoudig is, als het wel gesteld is. Er zijn van Gereformeerde zijde althans op synodaal niveau nogal aarzelingen. Die aarzelingen raken de belijdenis, de tucht, de vrijzinnigheid. Maar het curieuze is, dat de tendenzen die de Gereformeerde synode terecht afwijst, ook te bespeuren zijn binnen de Gereformeerde kerken.
Dat maakt de situatie zo ingewikkeld. Overigens, moge het appèl tot bewaring van het Gereformeerd karakter gehoord worden binnen en buiten de Gereformeerde kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's