Lezers aan het woord
Telkens weer ontvang ik van allerlei kanten brieven, waarin onderwerpen worden aangesneden, die de aandacht vragen. Lang niet altijd kan ik er helaas in ons blad aandacht aan besteden. Maar zo af en toe heeft het zin enkele onderwerpen eruit te lichten. Dat wil ik vandaag ook doen, omdat ik enkele onderwerpen heb liggen die breder aandacht verdienen.
De publiciteitsmedia
Herhaaldelijk ontvang ik brieven, waarin gewezen wordt op schandelijke programma's, die per radio en t.v. worden uitgezonden. Men wijst dan op opschuddingverwekkende-programma's, als de zogenaamde Barend Servet Shows van de VPRO, waarin bijvoorbeeld het kerstgebeuren belachelijk werd gemaakt of waarin liederlijke voorstellingen werden gegeven. Moet daartegen niet geprotesteerd worden? zo luidt dan vaak de vraag.
Iemand schreef:
'Waar is het duidelijke antwoord van de kerk op deze geest en tekenen des tijds? Er wordt in kerkelijke kringen hard gewerkt: aan een nieuw liedboek, waar niemand op zat te wachten, aan alternatieve geloofsbelijdenissen, die veel aan duidelijkheid te wensen overlaten, aan alternatieve kerkdiensten waar het soms overbodig is geworden om nog te bidden . . . en zo zou ik nog even door kunnen gaan.
Er wordt in de kerk gepraat over Chili, over Angola enz. net als ook de politici het zich eigen hebben gemaakt om over buitenlandse zaken te praten, maar daarbij vergeten (of niet willen zien) dat er dicht bij huis ontzettend veel werk is, (waarmee uiteraard niet gezegd wil zijn dat er over deze dingen niet gesproken zou mogen worden).
Bij deze dingen vraag ik mij af of de kerk, evenals in het verleden ook is gebeurd, een positief christelijk antwoord vanuit het Woord van God schuldig blijft aan een wereld en een samenleving die schreeuwt om duidelijkheid. Of moeten christenen van 1974 weer leren wat het betekent christen te zijn, moet in het moederland weer zending worden bedreven, is het woord van Hosea 4 van toepassing: 'Mijn volk gaat ten gronde wegens gebrek aan kennis?'
* * *
De man, die mij dit schreef heeft gelijk. Alleen, wanneer we zeggen: de kerk moet dit of de kerk moet dat — en het wordt terecht gezegd — dan moeten we allereerst zeggen: de kerk, dat zijn we zélf! Ieder christen, die kennis neemt van dergelijke zaken moet zelf ter bevoegder plaatse zijn protest laten horen. We moeten het protest niet verinstitutionaliseren. Ik heb het als een buitengewoon positieve zaak ervaren, dat jongeren in Vlaardingen in beweging zijn gekomen en zelf het volk in beweging hebben gebracht rondom de beruchte film, die gemaakt zou worden over het 'liefdesleven' van Jezus Christus, en dat ze nu een vereniging tegen godslastering hebben gevormd. Het volk moet in beweging komen. Daar moet het vandaan komen. En dan moet de kerk óók spreken vanuit haar ambtelijke vergaderingen. Maar als het volk niet in beweging komt zal dan de kerk gaan spreken?
Verder moet gezegd worden, dat we ons óók bewust moeten zijn, dat het kwalijke niet alléén zit in de liederlijke en godslasterlijke uitzendingen, maar dat er ook zoveel andere uitzendingen zijn, die langzaam maar zeker de goede smaak bederven van mensen, die er dag in dag uit mee worden geïnfiltreerd. Het is geboden om kritisch waakzaam te zijn ook bij al die uitzendingen, die zo kwasi onschuldig lijken maar langzaam maar zeker ook andere normen overdragen, een gedegenereerd taalgebruik bevorderen, twijfel zaaien wat betreft het geloof in God en zijn Woord, het evangelie verbasteren tot een bepaalde politieke ideologie, de mensen met marxistische denkbeelden vertrouwd maken.
Mensen schrijven heel gemakkelijk — en terecht —over zaken, waar de degeneratie zó maar af te scheppen is maar vergeten soms hoe door de publiciteitsmedia ook druppel voor druppel het gif in onze huizen gebracht wordt. Kritische distantie van veel wat de publiciteitsmedia bieden behoort dunkt me tot een bewust christelijke houding in onze tijd. Velen laten zich al te gemakkelijk meenemen door het goedkope vermaak van radio en t.v. dat de goede smaak bederft en ook de goede zeden.
Hoe zijn we samen gemeente?
Ik geef de lezers een brief door, die voor zichzelf spreekt en die eigenlijk om reacties van de lezers vraagt. Iemand stelt de vraag: hoe zijn we in onze Hervormde Kerk samen gemeente?
Hier volgt dan de inhoud:
'We leven momenteel in een wereld, waarin we allemaal een nummer dreigen te worden. De intermenselijke kontakten zijn dikwijls zó zakelijk en onpersoonlijk, dat het een verademing is ergens te zijn waar je nog als mens aangesproken wordt. Eén van die plaatsen is de kerk. Daar worden we zelfs door God Zelf aangesproken, die ons door en door kent, maar gelukkig ook weet wat wij nodig hebben. En iedere zondag mogen we horen dat Hij ons dat kan en wil geven door het verzoenend werk van onze Heere Jezus Christus. Een rijke boodschap, tot ieder van ons persoonlijk gericht, waardoor we ons niet als een nummer hoeven te voelen. Nee, Hij kent ons en heeft ons bij de doop reeds bij onze naam genoemd en Zijn Naam op onze voorhoofden geschreven. Wat een barmhartigheid en genade is er bij God te vinden! Ga je nu 's zondags — met name in de grote stad — naar de kerk en kijk je om je heen, dan heb je het gevoel dat slechts een enkeling die kerk nog weet te vinden. Stap je daarentegen de kerk binnen, dan verdwijnt dat sombere gevoel. Immers, de kerk is vol! Desondanks zijn het er, relatief genomen, weinig.
We zitten daar als Gemeente, waartoe ook de jongeren behoren. Gelukkig dat ook zij er nog zijn, want zij ervaren de onpersoonlijkheid in het leven misschien nog des te schrijnender. Maar er zitten ook leden, die zo af en toe de kerk van binnen zien. Misschien en hopelijk zijn er ook buitenkerkelijken, die op zoek zijn naar . . . ja, naar het Leven. Velen ook verhuizen van kleinere dorpen naar grotere steden. Evenals vroeger gaan ze naar de kerk, maar voelen zich daar wat vreemd en onzeker. Ook gebeurt het nogal eens dat iemand de stap neemt van een kleiner kerkgenootschap naar die veel grotere Ned. Hervormde Kerk. En laten we vooral niet de verpleegsters vergeten, de studenten en jongelui die hun vleugels wat breder uit willen slaan en daarom op kamers gaan wonen.
* * *
Nu rijst bij mij de vraag hoe we als Gemeente leven, vooral in de wat grotere steden. Hangt ze soms niet als los zand aan elkaar? Waarschijnlijk hebben we wel enkele vrienden, maar de overige gemeenteleden zijn en blijven onbekenden voor ons.
Leven we wel echt met elkaar mee? In vreugde en in verdriet? Vangen we elkaar op, wanneer dat nodig is? Houden we elkaar vast, rond het Woord van God? Proberen we ook anderen daarin op te nemen? Kortom, vormen we als Gemeente wel een gemeenschap? Maar, let wel, een gemeenschap, die niet zó gesloten is dat geen buitenstaander daar ooit kan binnenkomen.
Laatst maakte ik zelf een doopdienst mee. Voordat de dienst begon, deed de dienstdoende ouderling enkele mededelingen.
Toen zei hij o.a. dat in deze dienst onze kinderen gedoopt zouden worden. Dat deed me goed. Het zijn immers kinderen van de Gemeente. Uit zo'n kleine opmerking proef je iets van de gemeenschap.
Zo zou ik graag ook bij de viering van het Heilig Avondmaal zien dat een voorbereiding niet alleen bestaat uit een speciale dienst op de zondag daaraan voorafgaand.
Natuurlijk behoort er in die week de persoonlijke voorbereiding te zijn in de verborgen omgang met God. Maar het aanzitten aan Zijn tafel draagt niet alleen een persoonlijk karakter. Het is ook een gemeenschappelijk gebeuren. Praten we daar met elkaar over? Helpen we elkaar bij de voorbereiding? En waar is het kontakt na het samen aan de Dis gezeten te hebben? En wat doen we met het gepredikte Woord? De 'gezelschappen' van vroeger borgen veel gevaren in zich. De meeste zijn verdwenen. Maar is daarvoor iets anders in de plaats gekomen?
Mag ik nog even doorgaan met vragen? Ik vind het zo jammer dat een predikant slechts iets meer dan de helft van het totaal aantal diensten per jaar in zijn eigen Gemeente voorgaat. Daarbij wil ik zeker de gemeenten zonder predikant niet vergeten. We mogen elkaar de levende verkondiging van het Woord niet onthouden.
Maar met de autoloze zondagen hoopte ik vurig dat het reizen en trekken van de predikanten tot een minimum beperkt zou worden. Wel kan het zo zijn dat — om het met een variant op een bekende uitdrukking te zeggen — verandering van dominee doet luisteren. Maar is zijn studeerkamer werkelijk een schatkamer, dan is het fijn om veel de eigen predikant te horen. Hij onderwijst de aan hem toevertrouwde gemeente vanuit de grote verscheidenheid van de Heilige Schrift. En ook de behandeling van de Heidelbergse Catechismus komt minder in het gedrang. Daarnaast mag en moet er toch ook een hand zijn met de eigen predikant, maar dan zonder verheerlijking van de mens. Laatst las ik ergens: 'U kent Uw dominee toch niet beter dan dat u de Heere kent?' Een goede, gezonde verbondenheid tussen predikant en gemeente kan slechts tot zegen zijn.
Een andere vraag is: hoe ervaren wij het hervormd zijn? Sluiten we ons als Geref. Bond af en zoeken we alleen elkaar op? In een grotere stad kan er deze spanning ontstaan: enerzijds zoek ik die prediking, waar Gods Woord — voorzover ik dat kan beoordelen — zuiver verkondigd wordt, zodat ik er werkelijk voedsel vind voor de komende week; anderzijds draag ik toch ook verantwoordelijkheid voor mijn eigen wijkgemeente. En dat geldt evenzeer voor de ouderlingen en diakenen: allemaal knus bij elkaar? Of ieder in de wijk waar hij thuishoort?
Er leven nog veel meer vragen bij me, maar ik moet ophouden. Daarom wil ik al mijn vragen zo samenvatten: — hoe kunnen we als leden van de gemeente zó leven, dat die gemeente werkelijk een goed funktionerende en gezonde gemeenschap vormt, waarbij gemeenschap in diepste zin gemeenschap der heiligen is?
Wat kunnen en moeten we doen met en voor de alleenstaande jongeren en allen die zich 'vreemd of erbuiten voelen staan?' Op welke wijzen kunnen we zieken, bejaarden en allen, die niet zelf naar de kerk kunnen gaan, toch zoveel mogelijk bij het gemeenteleven betrekken?
In de hoop dat mijn vragen duidelijk overgekomen zijn, zie ik uit naar een of meer artikelen als antwoord hierop. Een alternatief zou kunnen zijn dat ook anderen hun vragen en ervaringen kenbaar maken, zodat we samen met elkaar in gesprek komen.'
* * *
Ik meen dat in deze brief iets wordt bloot gelegd, waar velen mee zitten. Hoe bevorderen we de gemeenschap in onze kerk, waarin het vaak — vooral in de grotere gemeenten — zo onpersoonlijk kan worden.
Misschien willen de lezers hier eens in mee denken en mij hun reactie op deze brief laten weten. Om een voorbeeld te noemen: in verschillende gemeenten is het gewoonte geworden om in de week vóór het heilig avondmaal als gemeenteleden bijeen te komen om met elkaar over 't avondmaal te spreken. Me dunkt dat dit iets is waardoor de gemeenschap kan worden bevorderd, zoals in het algemeen trouwens het met elkaar spreken over het geestelijk leven, over de dingen van God en Zijn dienst, heilzaam kan zijn en gemeenschapsbevorderend. De brief attendeert daarop terecht. We missen het goede geestelijke gesprek met elkaar misschien wel teveel.
Maar nogmaals, laten de lezers eens reageren op de vragen uit deze brief.
Degene, die de brief schreef heeft ook gevraagd om bijgaand gedicht van mevrouw IJskes Kooger op te nemen. Dat doen we graag, omdat daarin ook hetzelfde wordt verwoord wat in de brief geschreven is.
De kerk
Ik wou dat de kerk weer de kandelaar was
die 't licht van Gods heiligheid droeg.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas
en God om vergiffenis vroeg.
Ik wou dat de kerk weer het vuurbaken was
dat ieder de weg wees naar huis.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas
en 't licht wierp op Golgotha's kruis.
Ik wou dat de kerk weer de vissersvloot was
die mensen zou vangen voor God.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas
en deed naar Gods grote gebod.
Ik wou dat de kerk weer de koningsstad was
heel hoog op de bergen gebouwd.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas
en 't Woord bracht door God haar betrouwd.
Ik wou dat de kerk 't licht der wereld nog was.
Zo helder, zo vrolijk en blij.
Ik wou dat de kerk van haar zonden genas.
De kerk? . . . Maar de kerk dat zijn WIJ.
(Uit: 'Als glas in de zon' van E. IJskes-Kooger)
Afscheids-en intredediensten
Iemand vroeg of het wel juist is, dat meer en meer afscheids- en intredediensten op een doordeweekse dag in plaats van op de zondag gehouden worden. Ik weet niet of dit inderdaad toeneemt. Wel is het tijdens de autoloze zondagen meermalen gebeurd, dat predikanten op een doordeweekse dag intrede deden of afscheid namen, omdat de familie anders 's zondags moeilijk komen kon. Dat is alleszins te begrijpen.
Anderzijds is de afscheids-en intrededienst wel allereerst een zaak van de eigen gemeente, waarvoor de zondag dunkt me de juiste dag is. De zondag is de dag, waarop de gemeente samenkomt en dan ook haar dienaar begroeten mag of afscheid van hem nemen mag in de dienst des Woords.
Misschien is het echter wel zo, dat deze diensten zo langzamerhand te topzwaar zijn geworden. Soberheid kan ook hier geen kwaad. Dat geldt voor het geheel van deze diensten. Dat geldt zowel de toespraken, als het aantal genodigden, alsook de afscheids en intrede verslagen. Het is een goede zaak als de gemeente meeleeft met haar dienaren, die komen en gaan en als ook vrienden en familie aanwezig kunnen zijn bij afscheid of intrede van predikanten. Maar de betreffende diensten moeten wel het karakter houden dat ze hebben moeten: Woordverkondiging!
Daarom moet het gaan in de toespraken — als die overigens gehouden móéten worden —; niet om die dienaar, maar om zijn boodschap. Daarom gaat het in de verslagen van zulke diensten; niet om de cadeau's die de predikanten kregen of om de weersgesteldheid op die dag, maar om wat de prediker vanuit het Woord de gemeente meegaf.
Het gaat om de Woordverkondiging en niet om een familie of vriendenreünie, of om een soort expositie van menselijke kwaliteiten of hoedanigheden of om een opsomming van gemeentelijke aardigheden of eigenaardigheden.
En voor die Woordverkondiging is de zondag dunkt me toch wel de meest geëigende dag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's