Een zinloze herhaling?
In twee uitvoerige artikelen is in de Nederlandse Geloofsbelijdenis het geloof in de drieënige God aan de orde gesteld (artikel 8 en 9). Na deze artikelen komen, er echter nog twee, die meer in het bijzonder over de Godheid van de Zoon en de heilige Geest gaan. En nu wij dan willen overgaan tot de behandeling van artikel 10 over de Godheid van Christus, komt onwillekeurig eerst de vraag naar boven, of er in de Geloofsbelijdenis na alles, wat reeds gezegd werd over Gods drieënig Wezen, nog wel iets nieuws gezegd kan worden over de Godheid van de Zoon, Jezus Christus. Spreekt het immers niet vanzelf, dat Jezus Christus God is, als men eerst beleden heeft, dat God een enig Wezen is, in hetwelk drie personen zijn, nl. de Vader, de Zoon en de heilige Geest?
Lijkt het niet een nutteloze herhaling, als daarna nog weer eens in niet mis te verstane bewoordingen speciaal over Christus' Godheid wordt gesproken? Zou onze Geloofsbelijdenis minder duidelijk zijn geweest in het belijden van de Godheid van Christus, als artikel 10 ontbroken had? We bedenken daarbij, dat in het grote middenstuk van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over het Zaligmakerswerk van Christus (de Christologie) en dan in het bijzonder in de artikelen 18 en 19 nog eens uitvoerig gesproken wordt zowel over de ware mensheid alsook over het wezenlijke God-zijn van Jezus Christus.
Een heil-zame doublure
Men zou op al die vragen kunnen antwoorden, dat het geloof niet graag een woord te weinig spreekt. Het komt er in een geloofsbelijdenis in elk geval op aan, dat met duidelijke woorden het geloof beleden wordt in Hem, Die het enige Redmiddel voor zondaren is. Daar mag geen twist over bestaan. Dat is een heilsbelang van de eerste orde. De grote vraag, waarop het geloof antwoorden geven mag, is en blijft toch altijd: 'Wat dunkt U van de Christus?'
Met deze vraag heeft ook de kerk van de eerste eeuwen na Christus' hemelvaart geworsteld. In de confrontatie met de dwaalleer, waarin altijd maar weer opnieuw het nodige afgedongen werd op de Godheid van Jezus Christus, is de kerk tot steeds nauwkeuriger omschrijvingen gekomen, waardoor elk misverstand voorkomen kon worden: 'Christus is God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God'. Calvijn heeft ook aanvankelijk deze opeenstapeling van woorden teveel van het goede gevonden (Zie A. D. R. Polman. Ned. Gel. Bel., deel II, blz. 14). Hijzelf handelt over de Godheid van Christus in het raam van de leer der Drieëenheid (Institutie, I, 13, 7).
Maar later verstond hij toch, dat de oud-Katholieke vaderen deze herhaling nodig hadden om elk bedrog volstrekt te weren. Het gaat om niets minder dan om onze eeuwige zaligheid. Maakt het immers niet een groot verschil, of wij in Christus een Redderfiguur zien, die slechts een groot mens (of schepsel) is, zij het dan, dat Hij geheel aan de kant van God staat, of dat wij in Hem God zelf aanbidden. In het laatste geval ligt onze zaligheid vast in God, in Zijn eeuwig heerlijk Wezen. Welnu, om dat heilsbelang gaat het ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Alles, wat verderop in onze belijdenis gezegd wordt over de werken van God de Vader (schepping), van God de Zoon (verlossing) en van God de heilige Geest (de heiliging, de kerk, de staat) rust op het fundament van de belijdenis van God drieénig. En met het oog daarop wordt dan vanuit een hart, dat vol is van het geloof in deze drieënige God door de mond des geloofs nog eens overvloeiend gesproken over God de Zoon en God de heilige Geest in de artikelen 10 en 11 van onze Geloofsbelijdenis. Een doublure, die aan alle kanten heilzaam is.
Een zijns-oordeel
Maar toch niet uitsluitend vanwege het grote belang van onze zaligheid, geeft de Nederlandse Geloofsbelijdenis een apart artikel over de Godheid van Christus.
Dan zou het immers kunnen schijnen, alsof het hier slechts gaat om een waarderingsoordeel. Met andere woorden: Historisch was Christus misschien inderdaad niet meer dan een geweldige menselijke Redder, maar het geloof waardeert Hem als God. In de belijdenis van Christus 'Godheid gaat 't er echter niet om 'slechts' het heil, de zaligheid veilig te stellen. Het gaat veel hoger nog om de levende God Zelf. Het is er het geloof alles aan gelegen God te kennen, zoals Hij waarlijk is, dat wil zeggen, zoals Hij Zichzelf in Zijn Zelfopenbaring (Zijn Woord) heeft te kennen gegeven. Ook al mogen wij de Godheid van Christus belijden in de nauwste samenhang met de vragen van onze eeuwige bestemming, dat betekent toch niet, dat het geloof niet, ook buiten deze samenhang, zeer geïnteresseerd zou zijn in het bestaan van God, zoals Hij eeuwig is. Het gaat het geloof uiteindelijk om God. Het gaat het geloof ook in Christus om de aanbidding van God. Daarom mag in een geloofsbelijdenis ook de vraag voorrang hebben, wie Christus is, boven die andere, nl. de vraag, wat wij aan Hem hebben. Dat heeft niets te maken met een nieuwsgierig willen indringen in (of een speculatief beschouwen van) het Goddelijke Wezen. Het geloof houdt zich daarbij aan de grenzen, die God Zelf gesteld heeft. En deze liggen in Zijn Zelfopenbaring, in Zijn Woord.
Maar als het dan zo om God mag gaan in het geloof, dan is het immers ook een Godsbelang en niet alleen een heilsbelang, dat Hij recht beleden wordt. En mede met het oog daarop kan niemand met goed recht zeggen, dat artikel 10 in onze belijdenis alleen maar een zinloze herhaling is.
Een aangevochten zaak
Om nog een andere reden zijn we blij, dat de kerk in het verleden in haar getuigenis ten aanzien van Christus' Godheid ons niet in het ongewisse heeft gelaten. Hoeeel is er immers al niet te doen geweest in de loop van de eeuwen juist over deze zaak. De satan heeft langs vele sluipwegen altijd weer Christus van Zijn Godheid willen beroven. Aan het begin van de mensheidsgeschiedenis was hij er met de leugen: 'Gij zult als God zijn'. Hij maakte de mens tot God. En in het hart van de mensheidsgeschiedenis was hij er weer bij de tweede Adam en stelde Zijn Godheid discutabel: 'Indien Gij Gods Zoon zijt . . .' Dat was bij de verzoeking van Jezus in de oestijn. Twijfel wekken aan de Godheid van Jezus. Adam, de mens tot een God maken. Jezus, de tweede Adam, God Zelf tot een mens maken, op zijn best tot een mens, die zijn Goddelijke roeping maar eens bewijzen moest door wondertekenen.
In de eeuwen, die achter onze rug liggen en in de tijd, die wij nu beleven, is er nog maar steeds dit daemonische verzet tegen de Godheid van Christus. Via katheders en kansels is de vader der leugenen de kerk binnengeslopen om aan Christus' Godheid te tornen. In vele huidige theologische beschouwingen staat het geloof in een God boven de wolken en de sterren (het zg. metafysische, biblicistische Godsbeeld) ter discussie en daarmee uiteraard ook de Persoon van Jezus Christus als de Gezondene des Vaders, of (listiger nog) komt op de mensheid van Jezus zoveel nadruk te liggen, dat Zijn God-zijn niet meer ter sprake komt. Men wil de gestalte van Christus kennelijk losmaken uit zijn metafysische achtergronden en Hem zo acceptabel mogelijk maken voor het moderne geslacht. Het woord mythe is dan vaak een uitkomst. De wijze, waarop bv. de evangelisten Mattheus en Lukas over de maagdelijke geboorte spreken, laat volgens bepaalde moderne theologen slechts zien, dat Jezus, hoewel geboren uit een aardse vader en moeder, een volstrekt uniek mens was. Dat schijnen dan de evangelisten te hebben willen uitdrukken door het verhaal over Jezus' ontvangenis uit de heilige Geest, waarbij Jozef op de achtergrond komt. Deze manier van inkleding is dan hun prediking van Jezus van Nazareth. Zo vertelden zij het verhaal van de mens Jezus. En al doen wij het vandaag anders (wij kijken door deze inkleding heen), wij vertellen dan toch het verhaal van deze mens voor de mens van vandaag door, wanneer wij hem als de inspiratiebron voor ons politiek en sociaal geëngageerde denken hooghouden. 'Het gaat om de christelijke beweging, die vanuit Jezus van Nazareth haar stuwing kreeg' (Schillebeeckx). En zo kan Hij dan ook tot bewondering van vele huidige theologen op het toneel verschijnen in een musical als 'Godspell' in de gedaante van een Wijsheidsleraar, als nar verkleed. En dan hoort het blijkbaar helemaal bij zijn ware menszijn, als hij in deze musical op een gegeven moment in de verleiding komt zijn handen uit te steken naar Maria Magdalena om haar te onteren, een verleiding, waaraan deze Jezus wel niet toegeeft, maar waar ook hij (daar was hij mens voor), kennelijk wel last van had. In een gesprek over deze musical met een aantal theologen werd onlangs opgemerkt, dat wanneer het kwade niet als een verleiding in Jezus' hart heeft geleefd, wij van Jezus een halfgod maken. Dat mag blijkbaar niet meer. Laat staan, dat we Hem zouden prediken, zoals Hij Zich in Zijn onfeilbaar Woord heeft geopenbaard, als de waarachtige God.
Er zou op dit punt veel meer te noemen zijn. We signaleren echter alleen maar enkele dingen om duidelijk te maken, dat de belijdenis van Christus' Godheid een actuele zaak blijft, juist omdat ze uit de tijd dreigt te raken. Wel moeten we nog even opmerken, dat de theologische denkwijze, die aan dit moderne Jezus-beeld ten grondslag ligt, niet zomaar uit de lucht is komen vallen. De lijnen, die in de vorige eeuw door het zg. historisch-critische onderzoek van de Evangeliën uitgestippeld zijn, worden in onze tijd fervent doorgetrokken. Het zou te ver voeren om van deze ontwikkeling in dit verband een overzicht te geven. Ik volsta met op te merken, dat men hierin op zoek is naar de echte, historische Jezus en dat daarbij grote gedeelten van het N.T. en bepaaldelijk ook de kwaaddoener van het zg. biblicistische omgaan met de Schriften moeten sneuvelen. Uitgangspunt bij dit alles is dan maar al te vaak de overtuiging, dat de oorspronkelijke historische Jezus door de schrijvers van het N.T. niet altijd juist is geïnterpreteerd. Er is een heel stuk gemeentetheologie in verwerkt, waar wij doorheen moeten kijken om de historische Jezus in het hart te kunnen zien. Het Jezus-beeld van de evangelist Johannes en van de heidenapostel Paulus is dan, zacht gezegd, onbetrouwbaar. Het verhaal van de (andere) Evangeliën moet historisch juister zijn. Kennelijk vergoddelijken zij Jezus nog niet zo als dat volgens deze 'wetenschappelijke' onderzoekers in de eerste christengemeente in later tijd is gedaan. En het schijnt nu eenmaal wetenschappelijk te zijn om eerst bij zichzelf vast te stellen, wat voor Jezus men vinden wil om daarna zoveel korsten van het N.T. af te pellen, dat er vanzelf een Jezus overblijft, die helemaal bij onze oorspronkelijke gedachte past.
Wij blijven bij onze conclusie: De Godheid van Christus moet het persé ontgelden. En de prijs, die wij daarvoor moeten betalen, is de Schrift als de onfeilbare Openbaringsbron van de levende God. Dat is blijkbaar een spotprijsje. Wij wensen die echter niet te betalen. Als de eerste christenen dankzij de leiding van een paar theologen als Johannes en Paulus bij vergissing in Christus God Zelf hebben leren aanbidden, dan vergissen wij ons graag met hen. We hebben dan in elk geval de zekerheid, dat we niet geloven in een Jezus, die wij zelf hebben uitgedacht. En daarnaast hebben we ook het stellige geloof, dat Jezus' Godheid geen uitvinding is van Johannes en Paulus. Maar wanneer wij voor het getuigenis van de schrijvers van het N.T. vallen, dan doen wij dat, omdat we harte geloven, dat God het hun geopenbaard heeft. Van dat geloof wordt aan het slot van het Johannes-evangelie getuigenis afgelegd: Wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is' (Joh. 21: 24b).
Eén ding is m.i. wel duidelijk. Als men het historische in Jezus wil redden door Hem los te maken van Zijn Goddelijke achtergrond, maakt men van Hem een (zij het misschien uniek) tijdverschijnsel. En zo'n theologie verdwijnt met zijn Jezus-beeld vroeg of laat zelf als een tijdverschijnsel. Men heeft wel beweerd, dat een theologie, waarin nadrukkelijk de Godheid van Christus beleden wordt, van Jezus een Goddelijke phantoom maakt, dat op de aarde rondwandelt en van de mens een wereldvreemde monnik, die slechts voor de hemel aandacht heeft (Herder; zie: G. C. van Niftrik 'Kleine Dogmatiek', blz. 135). Maar dat is ten enenmale onwaar. Deze theologie benadrukt alleen maar heel sterk, dat de ganse wereld verdoemelijk is voor God en dat de dingen op aarde slechts recht kunnen komen, wanneer God Zelf er aan te pas komt. En dat is geschied in en door Hem, Die de eniggeboren Zoon van God heet. De strijd om de belijdenis van Christus' Godheid is geen futiliteit, zoals keizer Constantijn de Grote meende. Het antwoord op de vraag: 'Wie zegt gij, dat Ik ben?' is een zaak van zijn of niet-zijn van de kerk. En het antwoord van het geloof, dat gegeven wordt in artikel 10 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, zij ons daarom uit het hart gegrepen.
Wageningen C. den Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's