Uit de pers
Israël en het IKOR
Wie 'Kerk en Theologie' leest grijpt onwillekeurig het eerst naar de kroniek, een boeiende registratie van wat zich de laatste maanden op het erf van kerk, theologie en samenleving heeft afgespeeld. Zoals te verwachten was schenkt de kroniek van het januari-nummer (waarvan de kopij in nov.-dec. al ingeleverd moet zijn) aandacht aan de Jom Kippoeroorlog en de reacties daarop. Ds. A. A. Spijkerboer schrijft hierover onder het opschrift: Waar was iedereen? Nl. toen het Joodse volk in die dagen overvallen werd door zijn vijanden. Spijkerboer memoreert de houding van synode, sectie internationale hulpverlening, de collecteoproep, met zijn halfslachtige tekst, de wijze waarop Hervormd Nederland erop inging en niet te vergeten de houding van de mensen van de IKOR rubriek 'Kenmerk'.
Waar was de IKOR-rubriek Kenmerk? Zij gaf in oktober woordvoerders van de Palestijnen de gelegenheid hun zaak uiteen te zetten, zonder daar ook maar enig critisch commentaar aan te wijden en zonder ook maar iets recht te zetten. Het zal de redactie van Kenmerk niet onbekend zijn, dat deze rubriek hier en daar als anti-Israël wordt beschouwd. Mijns inziens is zij dat ook, door het onbegrip voor Israël dat zij voortdurend ten toon spreidt. Een vriendelijke opmerking aan het adres van de rabbijnen in de uitzending met rabbijn A. Soetendorp, prof. Werblowsky en ds. De Nie maakt dat niet goed. Een omroep, die de pretentie heeft namens de kerken uit te zenden, diende zich, zeker in de maand oktober vierkant naast Israël op te stellen. Over de ervaringen die prof. Werblowsky met Kenmerk opdeed volgt hieronder nog het een en ander. Ik wil de lezers van deze kroniek niet onkundig laten van een ervaring die ik zelf met Kenmerk heb opgedaan. In onze verklaring 'Geen neutraliteit' stelden wij, dat Kenmerk niet gerechtigd was om namens de kerk op te treden. Vriendelijk was deze constatering natuurlijk niet en ik kan me indenken, dat de redactie van Kenmerk zich daartegen wilde verweren. Zij had een of meer ondertekenaars van 'Geen neutraliteit!' uit kunnen nodigen om de stelling, dat Kenmerk niet gerechtigd is om namens de kerk op te treden toe te lichten en ze had daar dan haar opvatting tegenover kunnen stellen. Zelf zou ik aan zo'n uitnodiging wel gevolg hebben gegeven, als mij de zekerheid geboden was, dat er in de uitzending niet gesneden werd. Maar deze weg verkoos Kenmerk niet te bewandelen. De redactie sommeerde ons schriftelijk 'een correctie wat betreft het standpunt van Kenmerk' aan de classicale vergaderingen (tot wie wij de verklaring 'Geen Neutraliteit' gericht hadden) te doen toekomen voor 10 november 1973. Ze voegde daaraan toe 'Het zou een onprettige discussie via de media' kunnen voorkomen. Dat was een onverholen dreigement en zoiets is misbruik van macht. Wie controleert deze machthebbers eigenlijk? Overbodig te zeggen dat wij voor het dreigement van Kenmerk niet aan de kant zijn gegaan. Afgezien daarvan stemmen dreigementen mij nooit bijzonder mild.
Dit stuk spreekt voor zichzelf. Niet alleen de links-politieke houding van dergelijke organen komt er in naar voren, maar ook de gevaarlijke machtspositie die dergelijke media zich toeëigenen. Juist nu de kerk zich opnieuw moet bezinnen op haar verhouding tot het IKOR is uiterste waakzaamheid geboden.
Prof. Werblowsky
Spijkerboer vermeldt ook het commentaar dat Prof. Werblowsky op 14 november in een toespraak gegeven heeft op de reactie van de kerken op de brief van de rabbijnen.
In deze felle en bewogen toespraak van deze Israëli komt ook het IKOR ter sprake.
Toen ik na het uitbreken van de Jom Kippoeroorlog in uw land kwam, werd ik gevraagd om aan een IKOR-televisie-uitzending mee te doen. Ik zei in het gesprek dat ik het fijn vond dat Christenen nu opkwamen voor het recht van de Palestijnse Arabieren maar dat ze wel vijfentwintig jaar te laat waren, omdat Ben Goerion en de Zionistische leiding in 1947 het plan van de Verenigde Naties om Palestina in een Joods en een Arabisch gedeelte te verdelen hadden aanvaard en daarmee zich principieel voor het recht van een Palestijns-Arabisch volk hadden uitgesproken. Het waren toen de Arabieren die het verdelingsplan verwierpen, en die daarna toen bleek dat ze ons niet konden vernietigen, steeds nog geen Palestijnse staat konden of wilden oprichten, maar zich gretig door Jordanië lieten opslokken. Het IKOR heeft deze opmerkingen, die toch het fundament van de populaire pro-palestijnsepropaganda ietwat aan het wankelen brengt uit de uitzending weggeknipt. Dit biografische verhaaltje even als bijdrage tot het thema van de genuanceerde objectiviteit van de kerkelijke massa-media.
U moet beslist de toespraak van Werblowsky zoals die door Spijkerboer is weergegeven eens lezen, om er van doordrongen te raken hoe veel pijn de houding van officiële instanties Israel gedaan heeft. Men kan zeggen: Dat is niet het belangrijkste motief wat ons drijven moet. Het gaat niet om menselijke sympathieën of antipathie. Het gaat om een bijbels en theologisch juiste visie op het vraagstuk Israël. Deze visie is misschien niet gemakkelijk onder woorden te brengen. Maar in elk geval moet het feit dat het heil uit de Joden is en we Jezus Christus belijden als de aan Israël beloofde Messias richtinggevend zijn bij de doordenking van deze vragen. Het is goed om vanuit deze achtergrond de Israel-kroniek van Spijkerboer te lezen.
De staat Israël
Wij blijven nog even bij dit onderwerp, naar aanleiding van een bijdrage van Prof. dr. M. J. Mulder in het februarinummer van Ter Herkenning. De auteur haakt in op een stelling toegevoegd aan de dissertatie van dr. C. Klapwijk. Deze poneerde als stelling 16: De vestiging van de staat Israel in Palestina berust naast utiliteitsoverwegingen — op een anachronisme. D.w.z. nuttigheidsoverwegingen hebben tot de vorming van deze staat geleid. Daarnaast is deze vestiging een anachronisme, omdat een en ander is geplaatst in een tijd, waarin het niet thuishoort. Prof. Mulder acht dit een gevaarlijke stelling, gevaarlijk voor het gesprek van Christenen en Joden. Ook al wil hij de auteur niet van kwaad opzet betichten. Hoe kan de vestiging van iets op een anachronisme berusten, vraagt hij. Vestiging is immers een konkrete zaak. Bedoeld zal wel zijn dat bij de vorming van de staat Israel motieven meegespeeld hebben die in een andere tijd thuishoren.
Wat kan een christen, nader gepreciseerd, hiermee bedoelen? Men kan hiermee alleen maar bedoelen, dat de Joden die de staat Israël in Palestina (een heel belangrijk gegeven in dit verband) gevestigd hebben, zich bij die vestiging beroepen hebben op historische gegevens, die tegen de tijd geacht moeten worden. En als een christen dit zegt, dan zegt hij dit waarschijnlijk op grond van een eeuwenlange traditie, waarbij hij het Nieuwe Testament in zijn hand houdt (Israël is de kerk), waarmee hij heel gemakkelijk het Oude Testament (her)interpreteert en de vele beloften aan Israël 'aangaande het land' wegwerkt.
Nu gaat het mij in dit artikeltje er niet om het hele probleem, ook onder christenen momenteel razend actueel, van de vervulling van de profetische beloften en voorzeggingen omtrent 'het land' in het Oude Testament aan de orde te stellen. Men kan weten, dat hierover onder christenen van orthodoxe signatuur heel verschillend wordt gedacht. Het gaat mij er ook niet om, de problemen, die samenhangen met het Zionisme, hoe ook gekleurd, nader te bespreken. Nog minder is het mij er om te doen, hetgeen onrecht is in Palestina ten opzichte van de Arabieren, goed te praten. Er is tenslotte een palestijns probleem en er is een zeer legitieme kant aan de eisen der Arabieren, ondanks al hun in onze ogen onbegrijpelijke halsstarrigheid. Waar het mij wel om te doen is is te trachen dat verwijt van 'een anachronisme' aan het adres van de staat Israël te ontzenuwen . . .
Toen Juda, na de babylonische ballingschap, in het 'eigen land' terugkeerde, kreeg het in de tijd der Makkabeeën — voorlopig in zijn geschiedenis — nog éénmaal de kans zelfstandig te zijn. De Romeinen maakten een, vooral later, wreed einde aan deze zelfstandigheid en sindsdien is het land onder vreemde heerschappij gebleven (Vgl. het overzicht in het mooie boekje van prof. dr. M. Boertien, Israels Onafhankelijkheidsverklaring (AO-boekje 1475, 30.3.73), in: Actuele Onderwerpen). Op 14 mei 1948 kreeg de staat Israël de officiële status van onafhankelijkheid na eeuwen geduurd hebbende vreemde bezetting. Is dat een anachronisme? Historisch juister en legitiemer kan een heroprichting van een staat niet plaatsvinden. Dat hierbij een humane regeling voor al die mensen, die in het gebied van deze staat woonden vóór de dag der heroprichting, gevonden dient te worden, nogmaals, wie zou dit mogen en kunnen ontkennen? Of zou men de naam van de staat 'Israël' als een 'anachronisme' willen aanmerken? Het moet erkend worden, dat na de ballingschap vooral de naam 'Juda' op het eerste plan staat. Maar dat houdt niet in, dat Israël verdwenen is, ook historisch niet. Voor mijn besef heeft men zich na de ballingschap meer aan de eenheid van Israël gelegen laten liggen, dan er voordien praktisch van te zien is geweest. Juda heeft een leidende rol in 'Israël' gekregen, maar daarmee is de naam Israël niet monddood verklaard. Men zal het, historisch gezien, de Israeli's niet kunnen euvel duiden, dat men bewust voor de naam 'Israël' als naam voor de opnieuw gevestigde staat gekozen heeft.
'Door geweld verdreven bleef het joodse volk ook in de verbanning trouw aan zijn land. Nimmer week zijn hoop op terugkeer, nooit verstomde zijn gebed om terugkeer en herleving van zijn politieke vrijheid', aldus Israels onafhankelijkheidsverklaring.
Deze trouw van Israël aan zijn land in Palestina is, verre van een 'anachronisme' te zijn, of uit 'utiliteitsoverwegingen' tolerabel te achten, een legitieme zaak, gegrond op eeuwenoude beloften . . . èn rechten. Wie als christen alleen 'utiliteitsoverwegingen' voor de vestiging van een staat Israël in Palestina in het veld meent te kunnen brengen om deze staat Israël in Palestina in het veld meent te kunnen brengen om deze staat aldaar te legimiteren, doet niet alleen de staat Israël, maar ook zichzelf te kort, en belemmert in hoge mate het uitzicht op een spoedige erkenning van het joodse volk in een eigen, joodse staat. Dan zwijgen wij er nog maar over wie de joden in ons, christenen, die menen zó met de chronos te kunnen manipuleren ten detrimente van hen, herkennen . . . De vestiging van de staat Israël in Palestina is een te ernstige en te bloedige zaak (geweest), dan dat christenen kunnen blijven doorgaan hierover als over een 'anachronisme' in misschien goedbedoelde, maar ongenuanceerde stellingen te spreken.
Het blijkt dat er ten aanzien van Israël, land, volk en staat onder christenen heel verschillende visies leven. Nu is het in onze tijd mode om dan al vlug te spreken van genuanceerd denken. Op zichzelf kan dat heel nuttig zijn. Maar nuanceverschillen mogen toch niet uitgroeien tot fundamenteel verschillende uitgangspunten.
Dat een dergelijke stelling misverstanden oproept, is terecht door Prof. Mulder gesignaleerd. Niemand is met een dergelijke stelling gediend. Zeker Israel niet. Het mag voor ieder een aansporing zijn in zijn spreken over de staat Israël zorgvuldigheid te betrachten. En bovendien is in het geding de aard en de geldigheid van Gods beloften over het land en het volk van God. Wij worden daar in deze maanden toch wel heel bijzonder bij bepaald.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's