De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De prediking

Onderscheidenlijk preken

9 minuten leestijd

Over de prediking is veel te zeggen, wordt ook veel gezegd. Bij wat men daar vóór heeft, bij wat men daar tégen heeft, blijkt toch altijd weer, dat de laatste opdracht, die Jezus gaf in Zijn afscheidswoord: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet. Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen' niet te negeren valt. De prediking, daar kan men eenvoudig niet omheen. De prediking, ze moet geschieden, als een lering, gepaard met het sacrament, onder alle creatuur, en tot het einde toe. Ze zal ook geschieden, anders zou Christus niet kunnen zijn met die ze doen. Wat men er vóór heeft, wat men er tégen heeft, ze zal geschieden, en dan ook gehoord worden.
Het feit, dat erover gediscussieerd wordt, bewijst dat ze er is. Men kan spreken over de duur van de prediking, over de vorm van de prediking, maar als prediking laat zij zich niet straffeloos opzij dringen. Vast staat in en boven de tijden de Opdrachtgever: Christus. Vast staat voor alle tijden de boodschap, klaar omlijnd in boven aangehaalde woorden uit Mattheüs 28: 19 en 20. Reeds heel wat verscheidenheid zit er in de Naam, de ene Naam, die genoemd wordt bij de Doopopdracht voor de drie Personen, zonder dat het woord 'Naam' herhaald wordt bij de tweede en derde Persoon. Het duidt op de éénheid Gods en op de enigheid Gods. De drie Personen Vader, Zoon en Heilige Geest reiken al de stof aan voor het geloof en voor de prediking. Daar mag geen scheiding in gemaakt worden: trinitarisch zal men prediken, maar daar zal wel degelijk onderscheid in gemaakt worden, naar de onderscheidene personen, naar hun onderscheidene werken.
De prediking zal een zekere evenwichtigheid moeten betrachten naar het bijbelse kèrugma. Het is niet goed, als men het woord van Paulus: 'Ik heb mij niet voorgenomen iets onder u te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd', zo zou opvatten, als zou het vaderlijke Gods in schepping en onderhouding, in recht en in genade, nu door Christus' werk terzijde geschoven, in de prediking niet meer aan de orde behoeven te komen. In tegendeel: het vaderlijke Gods moet zijn plaats, zijn eerste plaats houden en dit wordt zelfs in Christus' werk en dus ook in de rechte Christus-prediking tot zijn volle ere gebracht. Het is ook de Vader die om Christus' wil zonden vergeeft en beden verhoort. Het is ook de Vader die door Christus' werk verheerlijkt wordt en moet worden. De hele prediking van Christus en al Zijn werk moet theologisch bepaald, moet op de Vader gericht blijven.
En nogal belangrijke zaak is ook deze, dat de persoon en het werk van de Heilige Geest gestadig aan de orde komen. Hoewel de Heilige Geest van zichzelven niet zal spreken en het alleen uit dat van Christus nemen zal, om dat te verkondigen, is Hij er wel degelijk en is Hij gelijke aanbidding en ere waardig als de Vader en de Zoon. Groot waren ook Zijn werken in de schepping, in de inspiratie van profeten en apostelen, in de teboekstelling van het Woord Gods, in de heilige ontvangenis van de Heere Jezus, in Zijn gezegende en zegenrijke uitstor­ ting. En groot is Zijn werk in toevergadering, de leiding en de toebereiding van de kerk voor Christus.
Het onderscheid zien en maken in de prediking tussen de drie Personen van de enige God en hun werken, zal aan de prediking evenwichtigheid geven in de veelheid en in de veelkleurigheid van de rijkdom des Evangelies. Zo komen het recht Gods, de diepe genade van Christus en de toepassing van het heil door de Heilige Geest regelmatig en gestadig aan de orde in de verkondiging.
Over die toepassing door de Heilige Geest aan de harten van zondaren nu loopt doorgaans de vraag naar het onderscheidenlijk prediken. Naar mijn gedachte is al heel wat vraagstelling opgelost, als men het onderscheid tussen de Personen Gods en hun werken behoorlijk in de prediking tot zijn recht laat komen. Als reeds het recht Gods, als reeds de genade in Christus, als reeds de toeëigening door de Geest Gods worden gepredikt, dan komen daarin de ontdekking aan zonde, de overtuiging van zonden, de toeleiding tot Christus, de inleiding in Christus en de vertroosting van de Heilige Geest, de bezegeling door de Heilige Geest der beloften aan de orde. En niet alleen maar aan de orde, zodat zij voorgesteld worden, maar aan de orde in die zin, dat zij uitgedeeld worden. Hoe getrouwer de voorwerpelijke waarheid 'uit-een-gezet' wordt, hoe rijker die gepredikt wordt, hoe meer dit Evangelie Gods geloofd wordt, hoe meer men daaraan deel zal krijgen. Hoe rijker de leer des Heeren, hoe rijker het geloof, hoe rijker de bevinding des geloofs zal opbloeien. Bevinding is beproefd bevinden: de waarheid Gods beproefd bevinden. En dit geschiedt alleen door het geloof! Nu is de ontdekking aan zonden niet een zaak van een ogenblik, niet van een jaar, maar zij is een zaak van het leven. Zie eens hoeveel er over de zonde gesproken wordt in uw catechismus in het stuk van de verlossing en in het stuk van de dankbaarheid, in het stuk van de heiligmaking. Zie eens hoe duidelijk er bij Paulus is een groeiend zondebewustzijn gedurende heel zijn leven.
Zo is ook het geloof, het komen tot Jezus, het ingaan tot Christus en al Zijn heil niet een kwestie van dat eerste moment van het zien van Hem, het ontdekken van Hem. Het is een ingeleid worden, een ingaan tot al de verborgenheden van Christus en tot de schatten Zijner genade. Het is een leven des geloofs, waarin men meer en meer verstaat: 'Want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben' (Romeinen 13: 11).
Evenzo is de dankbaarheid, het leven der heiligmaking, een zaak van geoefend worden in de heiligheid van Christus, ook een zaak van zich oefenen. Paulus zegt tot Felix: 'En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.' En Timotheüs geeft hij de raad: 'Oefen uzelven tot godzaligheid.' (1 Timotheüs 4: 7). Onnodig te betogen, dat ook dit een werk van gestadigheid is, die het leven vordert, die het leven geheel opeist. Waarom ook de dienst des Woords genoemd wordt een godsdienstoefening. Die wordt beoefend, daarin wordt ook geoefend.
Alzo vraagt de prediking aandacht voor onbekeerden zo goed als voor bekeerden, voor bekeerden zo goed als voor onbekeerden. Al zal men ze met deze namen niet altijd precies zo aanspreken, daarom zal men toch zakelijk zich als zodanig met hen bezighouden. De kerk bestaat nu eenmaal niet enkel uit uitverkorenen, niet enkel uit gelovigen, zomin de gemeenten onder het Nieuwe Testament als eens de gemeente in Israël. Met de onwetenden zal men handelen, met de onverschilligen, met de kwaadgezinden, met de wederspannigen, met de dwalenden, de afdwalenden. De predikers hebben het niet in de hand om zondaren te bekeren, maar men moet wel zijn bediening op het hoogst instellen om zondaren te bewegen om de wegen des kwaads te verlaten. En dit dan maar onder al de namen, met al de beweegredenen die het Woord Gods aanreikt. De apostel zegt in 2 Corinthe 5: 11: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof.' Waarschuwend, nodigend, lerend en hoe al niet zal men met hen bezig zijn, zelfs tijdig en ontijdig.
De grenzen tussen bekeerd en onbekeerd zijn door ons moeilijk te trekken. Dat hoeft ook niet, hoewel de brede weg wel een heel andere is dan de smalle, de smalle een heel andere dan de brede. God kent de harten. God oordeelt de harten. Maar feit is, dat wij daarmee te maken hebben. Wij kunnen het niet uitmaken, want wie zal weten, wat er verborgen in dat diepe hart leeft? Soms verborgen achter een onverschillige houding. Wie zal anderzijds uitmaken, wat voor onbekeerlijkheid er leeft achter een vrome houding? Dan is er het zaad der kerk, de aanwas van de gemeente. Hoe vroeg, hoe teer, hoe subtiel kan daar genade ontluiken! Maar ook, maar voorzeker is waar, wat het Doopsformulier zegt: 'In zonden ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns, zodat zij in het Rijk Gods niet kunnen komen, tenzij zij wederom geboren worden.' Zo kijken wij bepaaldelijk tegen het zaad der kerk aan. Maar dat formulier zegt ook, 'dat zij als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen'. En 'dat zij in Christus geheiligd zijn'. Zij worden vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Zij moeten opgevoed worden in de vreze en in de vermaning des Heeren. Christelijk en godzalig. Voor hen wordt gebeden om de Heilige Geest. Zoveel is zeker, dat het zaad der kerk aparte zorg vraagt, herderlijk bekijken, herderlijk bespreken! En dan de gelovigen, degenen, die tot God bekeerd zijn. Wat een onderwijs is daaraan te geven, zo van de beginne aan.
Zo gestadig door. Ik durf niet zo goed het onderscheid te maken tussen bekommerden en bevestigden, omdat ik weet hoeveel bekommering er kan zijn in een christenhart en dat wel ten einde toe. Ook al niet, omdat er zoveel vastigheid kan zijn in een christenhart, zodra dat en zo vaak als dat op de Christus Gods mag zien. Mij is het genoeg, als iemand om met het Avondmaalsformulier te spreken ziet, dat hij middenin de dood ligt en zijn gerechtigheid en zaligheid buiten zichzelf in Christus gaat zoeken. Mij is het genoeg, om met het Doopsformulier te spreken, als iemand zijn oude natuur doodt, de wereld verlaat, om in een nieuw, godzalig leven te gaan wandelen. Het is echter waar, dat daarin wegen en gangen zijn, waarin de Heilige Geest leidt middels de prediking en waarin dus de predikers de gemeente hebben te leiden. Al worde hier niet de gemeente op een hokkerige wijze in groepjes uiteengehaald, zo wordt de gemeente toch geleid tot het geloof en in het geloof. Die oude onderschei­dingen in de gemeente mogen wat star geworden zijn, ze hadden toch wat wezenlijks, waarom wij achten, dat het goed is, als de gemeente geleid wordt in de prediking naardat elks staat, naardat elks toestand is en dat tot de volheid Gods, die in Christus Jezus is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's