Het gebed
Het openbare gebed 3
Ingelaste stilten.
De overweging, dat bij de gebeden voor bepaalde groepen (jongeren of ouderen, gezonden of zieken, bedroefden of met blijdschap gezegenden) ieder meebiddend gemeentelid aan speciale personen uit zijn eigen kring denkt, heeft er toe geleid, dat in sommige gemeenten het openbare gebed een ogenblik onderbroken wordt om ieder in staat te stellen voor degenen, aan wie hij op dat moment in het bijzonder denkt, voorbede te doen.
Ik meen, dat dit in Herv. Gereformeerde gemeenten uitzondering is, zo het al voorkomt.
Vooreerst, omdat afwijking van de gewone regel bij ons gewantrouwd pleegt te worden. Naar ik meen al te zeer zelfs. Er is bij ons vaak een onvrijheid, die tot sleur dreigt te worden, de sleur, waartegen juist de Reformatie zich heeft verzet.
Luther heeft onder de geestloze sleur erg geleden. Daarom wil hij bij de Reformatie wel leiding geven, maar geen bindende voorschriften. En hij zegt dat ook.
Hetzelfde zegt Spurgeon. Deze wil aan de voorganger zeer veel vrijheid geven, zelfs van week tot week, zowel ten aanzien van de orde van dienst, als ten opzichte van de plaats en de lengte van het gebed, behalve dan dat hij aandringt op kortheid. Dat ongewone is voor mij persoonlijk ook geen bezwaar. Maar ik meen, dat de persoonlijke voorbeden toch in het persoonlijke gebed thuishoren, terwijl in de gemeente de gang van het gemeenschappelijke gebed te zeer onderbroken en daardoor brokkelig wordt.
Gemeenschappelijk hardop bidden
Ook dat is iets wat men in onze Herv. Gereformeerde gemeenten niet doet. Ook niet het Onze Vader samen zeggen, zoals u dat wel eens bv. in de Amsterdamse middagpauzediensten hoort. Ik zou geen bewaar hebben er aan mee te doen. Maar ik zou er ook geen voorstander van zijn het in eigen gemeente in te voeren. Evenmin als dit bv. het geval is met het zgn. antiphonische zingen. D.w.z. uit een bepaalde psalm of welk ander lied dan ook, wordt een gedeelte door de voorzanger of door een koor gezongen; en de gemeente antwoordt daarop met een refrein. In deze dingen speelt de vrees voor het gekunstelde een grote rol, al zullen wij alleen in deze voor ons ongewone, maar in tal van voor ons vertrouwde zinnen op allerlei manier daarvoor moeten waken. Evenmin zou ik het toejuichen, wanneer het gebed van de voorganger telkens onderbroken zou worden door een: 'Heere, ontferm u onzer' van de gemeente. Waarna de voorganger dan weer voortgaat met een herhaald: 'laat ons bidden'.
We verstaan iets van de bezwaren van allerlei Dissenters in Engeland (van de Anglicaanse Staatskerk afgescheidenen, zoals Presbyterianen, Congegrationalisten e.a.) tegen het Book of common prayer (het gemeenschappelijk gebedenboek) en hun voorkeur voor het vrije gebed. Niet alsof daar niet veel mooie en goede gebeden in zouden staan. Het kan zelfs heilzaam zijn om van de gebeden van andere christelijke kerken kennis te nemen en zichzelf te laten corrigeren. Maar we zouden niet graag alle beken en rivieren laten 'kanaliseren'.
Formuliergebeden
Het gebruik hieraan hangt met het voorgaande samen. We hebben reeds gewezen op de vele formuliergebeden achter in onze kerkboekjes, voor de eredienst en allerlei andere kerkelijke handelingen. Ik meen, dat we naar twee kanten ons moeten hoeden voor eenzijdigheid. Zowel het altijd gebruiken van formuliergebeden als het nooit daarvan gebruik maken zijn m.i. verkeerd. Een van degenen, die het eerst het vrije gebed in de dienst invoerden, de Engelsman Cartwright heeft zich ook gekeerd tegen de Brownisten, die zich tegen alle formuliergebeden keerden. (Browne's volgelingen weken uit naar ons land, woonden in Leiden en gingen met de bekende Mayflower naar Amerika).
Ik meen, dat Comrie ons hierin de rechte weg wijst. Hij is op de vraag omtrent het al of niet gebruiken van formuliergebeden ingegaan in een inleiding op een verzameling leerredenen (gedateerd: Woubruge 17 juli 1750). Wat het persoonlijke gebed betreft had Comrie elders zich nogal scherp veroordelend uitgelaten over het gebruik van formuliergebeden. Beter, om zo te zeggen, tien woorden recht uit het hart dan honderd uit een boekje. Maar bij het openbare gebed moeten toch ook andere factoren in rekening gebracht worden. Daarbij laat Comrie de reële mogelijkheid van het mee kunnen bidden zwaar wegen. Dat geldt in het gezin thuis en ook in het grote huisgezin van de gemeente. Daar zijn heel wat gebeden, zo zegt Comrie, 'die zonder formulier, zonder orde, zonder verstaanbare spreekwijze, uit de geest geschieden, die de toehoorders, die mee zouden bidden, menigmaal zijn als een gebed in een vreemde taal'. Zo is het, volgens hem, zelfs als iemand door gave of oefening zich wonderschoon en krachtig in het bidden weet uit te drukken'. Hij heeft veel goeds te zeggen van de inhoud en het geestelijk karakter van de formuliergebeden uit de tijd van de Reformatie, gebruikt de gebeden voor en na de predikatie niet woordelijk, maar blijkbaar wel als leiddraad, terwijl hij de gebeden uit de formulieren voor Doop en Avondmaal wel in z'n geheel leest. Hij kan, zo zegt hij, met veel meer stichting meebidden, 'wanneer iemand die opleest, dan wanneer sommigen door alle Loei communes (hoofdstukken) van de beschouwende en betrachtende Godgeleerdheid lopen en veel oprammelen, het komt te pas of niet'.
Comrie verwijst naar de moeilijkheden in Engeland (hij was zelf een geboren Schot) rondom het Book of common prayer, door hem een overblijfsel van de pauselijke sleurdienst genoemd. Maar Comrie staat daarmede niet aan de zijde van de reeds eerder genoemde, tegen alle formulieren gekante, Brownisten, die volgens hem 'om het misbruik het gebruik hebben weggenomen'. Comrie zegt: 'Ik ben geenzins van zulk een smaak. Ik weet, waartoe de formuliergebeden nuttig zijn, en dat die dienen om te leren bidden, en wat men van God naar Zijn wil te bidden heeft om verhoord te worden'.
Ik ben hier wat uitvoerig op in gegaan en herhaal grotendeels wat ik vroeger reeds geschreven had (Amen en beamen bl. 173-175), vanwege de hardnekkigheid, waarmede vaak de gemeente de gebeden bij Doop en Avondmaal als niet-werkelijke gebeden blijkt te beschouwen. Hier ligt een misverstand, dat ik graag uit de wereld zou willen helpen.
Samenvattend zou ik willen zeggen: het vrije gebed zij regel, maar men houde in het bidden sterk rekening met de gemeente, opdat deze medebiddend tot den Heere nadere. Het formuliergebied zij uitzondering maar worde niet als minderwaardig beschouwd.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's