Geen deel met Christus
. . . Jezus antwoordde hem: 'Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij'. (Joh. 13 vs. 8b)
Er staat nogal wat op het spel in deze woorden. Gij hebt geen deel met Mij. Geen erfdeel. Het herinnert ons aan Israël, dat na een harde slavendienst, na een rusteloos en moeitevol omzwerven in de woestijn, het land Kanaan mocht beerven. Zij deelden samen in de erfenis van het beloofde land. In de nieuwe bedeling wordt dat heerlijk vervuld. Er zal een ander Kanaan geërfd worden: het hemels Kanaan. De stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Het is een onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis. God zal zijn alles en in allen. Het is het erfdeel, waarin Christus de Zijnen doet delen. Hij is de eerste en eigenlijke Erfgenaam. Hij heeft door Zijn dood en ondergang alles verworven. Het bloed van Zijn verzoening vloeide over alle dingen. Deel hebben met Christus, dat is met Hem lijden om met Hem verheerlijkt te worden. Dat delen met Christus rust in de gemeenschap met Hem. Als wij met elkaar moeten delen in een erfenis, dan komt er al gauw ruzie. Wat een nare en zure erfeniskwesties kunnen er ook in een christelijke gemeente zijn. Delen met Christus dat houdt in met Hem verbonden zijn door de band des geloofs en der liefde. Hij is het, die in dat delen dan ook alleen alles meebrengt. Hij deelt uit met rijke en milde hand, met doorboorde hand. 'Hun zal een schat van zegeningen in Hem ten erfdeel zijn'. Nu nog ten dele, nu nog in onderpand, maar straks volmaakt.
Daarom, er staat nogal wat op het spel. Geen deel hebben met Christus dat is buiten Hem zijn. Dat is de dood en de ondergang. 'Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf'. Wat zijn we vaak druk aan delen in de winst, in een aardse erfenis, aan delen in de populariteit van anderen. Leerde u het belang van dit deel verstaan? Wat rust er dan een enorm gewicht op dat 'Indien'. Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij. Het is dan van het hoogste belang te verstaan, wat Christus hier vraagt.
Allereerst is dat het afzien van al onze wijsheid. Gehoorzaamheid, die wij niet laten afhangen van onze instemming met het gevraagde. De Heere Jezus is plotseling van tafel opgestaan. Ieder had zijn plaats ingenomen om het Paasmaal te eten. Ineens komt Christus overeind. Dat valt op. Dat trekt, de aandacht. Wat gaat Hij nu doen? Met klimmende verbazing zullen de discipelen hebben toegezien. Zie toch aan! Hij legt Zijn opperkleed af, bindt een linnen doek om, neemt een schaal en bukt en begint de voeten van een der discipelen te wassen. Maar dat kan toch niet! Dat is toch ongepast! Die voeten zouden eigenlijk wel gewassen moeten worden, het vuil van onderweg moest worden weggespoeld. Maar dat moet Christus toch niet doen. Dat is het werk van de minste slaaf. Vergist Hij zich niet of vergeet Hij soms zichzelf? Nee dat niet! Hij weet alles. Hij is zich ten volle bewust, wie Hij is. Hij weet dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven heeft. En toch: Hij bukt en wast de voeten der Zijnen. Hij heeft de schande niet veracht. Als de minste der mensen is Hij geworden. Wij zien Hem in gedachten Zijn gang maken. Bukkend aan de voeten van Zijn discipelen. Het is een Middelaarsgang. Heel Zijn leven, heel Zijn werk valt van hieruit open. Bethlehem, Nazareth, Jeruzalem, Golgotha; het is één bukken en buigen aan de voeten van Zijn volk. De Man van smarten, die zichzelf vernederd heeft tot de minste dienst, tot de Middelaarsdienst wordt openbaar. Christus aan de voeten van zondaren.
Intussen is het de vraag, hoe wij op Hem reageren. Petrus neemt het niet. Dat kan zo toch niet! Dat strijdt met al zijn gevoel van wat hoort en niet hoort. Hij hoort Christus de voeten te wassen. Petrus heeft de schijn mee, de schijn van nederigheid. Hij iaat het niet toe, daar acht hij Christus te hoog voor. Dat is toch zeker de rechte ootmoed! En toch, het is zo anders. De rechte ootmoed is gehoorzaamheid, ook al vraagt die gehoorzaamheid iets, dat dwars tegen ons inzicht, tegen ons gevoel ingaat. Daarop doelt Christus als Hij zegt: 'Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan'. Laat het ondanks, dat je er niets van begrijpt, ja, ondanks, dat het juist tegen je begrip ingaat, nu toch maar gebeuren. Petrus weet het echter beter. Christus heeft gezegd, dat hij niet wist en ook niet hoefde te weten op dit moment. Petrus weet echter wel, en hij houdt vol, houdt eigenwijs vol tegen Christus.
Laten we maar geen stenen gooien naar Petrus. Ook onze gehoorzaamheid laten we afhangen van ons begrip. 'Dat kan toch Gods bedoeling niet zijn', zegt er iemand, als hem vanuit het Woord Gods iets naar hem toekomt, dat strijdt met eigen gevoel van wat behoorlijk is. Wij oordelen zo graag en zo veel naar het vlees, tenzij we door Gods genade dat vlees tot in zijn wortels leerden wantrouwen. Christus vraagt om onderwerping zonder meer en tegelijkertijd ook daarin overgave. Overgave in vertrouwen, dat wat Hij doet, goed is. Laat het dan tegen alles wat wij dachten ingaan, het is toch goed, omdat Hij het doet en Hij is goed en vriendelijk en weldadig. Wij moeten Christus laten doen, wat Hij doet, laten zijn, wat Hij is. En wat is Hij dan? Dan is Hij een voetwassende Christus.
Dat is het volgende, dat er in dat indien ligt opgesloten voor Petrus, voor ons. Dat hij Hem een nederige en voetwassende Christus laat zijn. Christus moet niet gediend worden, maar Petrus. De discipelen hadden zo hun beeld van Christus. Een Koning in macht en eer. Een Koning tegen wie de mensen zouden opzien. Zij, discipelen zouden zo eer met Hem inleggen. Toen Hij van de Olijfberg afreed onder het Hosanna-geroep van de schare, toen begon het erop te lijken. Een Christus die lijden ging, daar hadden ze niet mee op. Wij horen allen graag bij de winnende partij. Sommige jongelui richten fanclubs op ter verering van hun ster, maar ze zullen niet iemand nemen, die helemaal niet 'in' is. Wie wil er nu bij zo'n Christus horen. Die geen gedaante heeft noch heerlijkheid, dat wij Hem zouden hebben begeerd. Dat ligt ons zo maar niet. Voor Hem moeten wij ingewonnen worden, in het verliezen van onszelf en onze idolen. 'Zulk een is mijn vriend, mijn liefste'.
Toch blijft Jezus in deze woorden niet bij de voetwassing als teken van nederigheid staan. De woorden van Christus dragen ook een gelijkenis in zich. Wassen dat is gereinigd worden. En Petrus, zo moet je nu gereinigd worden, innerlijk geestelijk, door Mij. Het vuil van de zonde waarmee we ons bezoedeld hebben kan niet blijven, willen we deel hebben aan Christus. Het moet worden afgewassen. Wij kunnen wel doen, als dat jochie dat met zijn vriendjes op straat gespeeld heeft en dat zomaar aan tafel wil gaan. Alsof er geen vuil is! Moeder ziet het wel, en of hij al zegt, dat zijn vriendjes veel vuiler waren, het helpt hem niet. Er moet gewassen worden, goed en degelijk gewassen worden. Delen met Christus, daar is reiniging voor nodig. Scharlakenrode zonden moeten worden als witte sneeuw. Die vuile bron van al onze wanbedrijven moet gereinigd worden tot een nieuw gemoed. Daarom, deel hebben met Christus gaat door het zelfmishagen heen; het vraagt belijdenis van zonden, die David doet uitklagen 'Mijn ziel nu gans melaats'. Het vraagt ook, dat wij alle pogingen tot zelfreiniging hebben opgegeven. Het leverde immers niets op. Integendeel, steeds meer vuil kwam openbaar. Indien Ik u niet was. Van uzelf is het hopeloos en uitzichtsloos. U krijgt nooit deel met Hem.
Wat staat er toch veel op het spel met dit 'Indien'. Petrus moet goed weten, waar het om gaat. Wij moeten goed weten, waar het om gaat, als Christus in Zijn Woord zich voor ons neerbuigt om onze voeten te wassen, om ons te dienen met Zijn liefde tot het einde. Waarmee kan Ik u van dienst zijn? Ik wil u dienen met Mijn bloed, hetwelk een volkomen verzoening is van al uw zonden. Laat uw voeten wassen. Laat u door Mij dienen. Laat Mij aan u Mijn nederige en toch zo hoge en heerlijke dienst verrichten. Laat Mij voor u onder de toorn van God over de zonden doorgaan. Laat Mij u zaligen. Zo dringt Hijzelf door Zijn Woord. Wij bidden u, alsof God door ons bade: 'Laat u met God verzoenen'. Een weigering is fataal. Indien Ik u niet was!
'Ik zal uw deel zetten met de geveinsde; daar zal wening zijn en knersing der tanden'. Voor wie het bloed van Christus onrein acht, is geen slachtoffer voor de zonde meer. Paulus, hij spreekt wenende over de vijanden van het kruis van Christus. Indien Ik u niet was! Aangeboden diensten worden zelden gewaardeerd. Wij willen zo graag zelf, tot het laatste. Wie valt deze voetwassende Christus dan toe? Die aan het eind is, van alle inzicht, van alle gerechtigheid, van alle deugd. Het dodelijk gewonde valt de schutter toe. 'Ja, maar de voorwaarden dan', zucht iemand. O zit u daar niet over in. Ziet u Hem niet voor u staan? Christus met Zijn doorboorde handen nodigend naar u uitgestrekt en voor u neerbukkend om u te dienen. Hij zelf brengt alles mee. Hij vervulde alle voorwaarden zelf. Hij gaf alle eigen wijsheid over aan de Vader. Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Hij was gehoorzaam tot de dood des kruises. Hij vernederde zich. Zijn bloed is een fontein tegen de zonde en de ongerechtigheid. Zijn Geest breekt ons willen en wensen stuk en reinigt ons gemoed.
Christus, Hij is ons geworden, wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking, en verlossing, opdat wij zouden zijn erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus. 'Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij'. 'Ziet hier ben Ik. Ziet hier ben Ik'. Alle dingen zijn gereed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's