De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Prediking en politiek
De vragen van kerk, prediking en politiek blijven voortdurend aan de orde in de kerkelijke pers. Wat dat betreft is het Getuigenis nog volop actueel (en niet alleen wat dat betreft!). Het is goed dat we ons rekenschap geven van de motieven van hen die een sterk geëngageerde politieke prediking bepleiten. Want u hebt het kunnen merken aan de jongste synodezitting: de dingen werken door, tot in synodebesluiten toe (Guinee-Bissau). Nu moet het in elk geval duidelijk zijn, dat het er niet om gaat dat de kerk geen politieke uitspraken zou mogen doen. Het Woord Gods — denk aan de profeten — gaat ook over overheden en volkeren. En de kerk is geroepen Gods rechten en inzettingen te verkondigen ook in het volksleven. Maar dan: Gods rechten. En niet een of ander partijpolitiek programma.
De politieke partijkeuze blijft de keuze van de christen zelf. Bovendien is er onderscheid tussen kerk en chr. politieke partij. Terecht heeft ds. S. Kooistra onlangs opgemerkt dat de kerk als kerk niet moet kiezen voor bepaalde actiegroepen. Nu heeft in het nummer van 9 februari van het blad Woord en Dienst prof. dr. K. Strijd zijn ongenoegen en teleurstelling uitgesproken over de preken die hij gedurende de kerstdagen tijdens zijn ziekte via radio en tv beluisterd heeft. Prof. Strijd had bij het horen van al die preken het gevoel in een ouderwetse trein te zitten met gescheiden compartimenten. In de kerstpreken van kerstfeest 1973 ging het over Jesaja, Lucas, Johannes, de gemeente, de enkeling, maar de coupé: 1973 bleef gesloten. Hij acht dit symptomatisch voor de prediking.
De predikers die aan het woord waren zullen in hun theologisch denken allen wel ernst maken met de incarnatie. Maar wat gezegd werd in de preken werd niet geïncarneerd in het jaar 1973. Met wat in onze tijd gebeurt, met wat in 1973 gebeurd is, in onze reële, materiële wereld, in onze geschiedenis, werd op geen enkele wijze ernst gemaakt. Letterlijk: op geen enkele wijze. De oude ketterij van het docetisme tierde welig. En dat terwijl het gelaat van onze aarde zich aan het veranderen is. Over — om maar dicht bij huis te beginnen — de oliecrisis, de energiecrisis, met z'n achtergronden en gevolgen — een diep-ingrijpende zaak — werd gezwegen. Over Suriname en z'n niet voor ons en door ons fraaie problematiek werd gezwegen. Over Nederlands beschamende houding in de V.N. met betrekking tot de erkenning van de zelfstandigheid van Guinee-Bissau (we vergisten ons met 'neen' — maar dat werd in de kranten gecorrigeerd: we onthielden ons van stemming!) werd gezwegen. Over het met geweld kapotmaken van het socialistische experiment in Chili werd gezwegen — er klonk één ingewikkeld klinkende zin in al die kerkdiensten over Chili, maar die kon door de kerkbezoekers, ook al door de vermoedheid bij 'het gehoor' ontstaan door rijen vaak moeilijke bijbelperikopen, onmogelijk begrepen worden. Over de beslissingen op de laatste, in de adventstijd plaatsgevonden hebbende, NATO-besprekingen — en wat een consequenties zijn daaraan verbonden — werd gezwegen.
Maar ik ga zo niet door — dan zouden Israël en Vietnam en nog meer genoemd moeten worden. Het gaat er natuurlijk niet om dat al deze onderwerpen tegelijk aan de orde zouden moeten komen. Maar 1 of 2 zaken hadden in elk geval de wereld concreet in de kerk moeten brengen. Maar er gebeurde niets. Hoe is dit mogelijk, heb ik mij afgevraagd. Het boek met profeten en apostelen ligt nota bene geopend vóór ons in de kerken! Incarnatie! Heil en vreemdheid, troost én universaliteit van het kerstfeest, maar niet in de zin van wat Karl Barth heilsegoïsme noemde. Een duidelijke keus vóór de vernederden en de vertrapten, een zich niet stellen aan de kant van de verdrukkers en de rijken zij worden 'van de troon gestort' en 'ledig weggezonden' — . . . allemaal legitieme kerstaspecten.
Niets ervan in de prediking. Wel af en toe werd één en ander ver-individualiseerd toegepast: de enkeling in onze neo-kapitalistische maatschappij werd getroost en bemoedigd, maar 'de rest' werd terzijde gelaten: geen kwaad woord over die maatschappij. Men kon daar bij het burgerpubliek dat voor de stichting en het sentiment ook eens in groten getale ter kerke getogen was, blijkbaar niets mee beginnen. Het compartiment '1973' was gesloten. Potdicht. En dat in een tijd waarin humaniteit te gronde gaat.
Karl Barth heeft in een toespraak in maart 1939 in ons land gehouden (men leze de hele gênante entourage: Barth mocht zich niet met politieke vragen bemoeien) gewezen op 'de schijn van de deemoed', in welks beschutting men zich terugtrekt in de goddeloosheid van een neutralisme, dat geen beslissing inhoudt. Het ging toen over de houding tegenover het nationaal-socialisme — men denke aan de 'dankbaarheid' ook bij veel christenen over het verdrag van München. Men organiseerde hier en daar kerkdiensten — 'Kerk en Vrede' hield een openbare protestbijeenkomst tegen het onrecht van München. Maar dit tussen haken. — 'Schijn van deemoed' — het was naar veler mening in de kerken met de problemen rond Hitler en München alles zó ingewikkeld . . .
Er is in die 34 jaren blijkbaar nog niet zoveel veranderd. Iets dergelijks als in 1938-1939, gebeurde in de prediking door radio en tv van 24—26 december 1973. En, moet ik erbij zeggen, werkelijk niet alleen daar. Het geschiedde in diezelfde dagen in alle mogelijke kerken — om maar bij onze eigen N.H. Kerk te blijven: van gereformeerde-bonders tot vrijzinnigen. Schijn van deemoed! Op allerlei vragen weten wij wel een antwoord in de kerk. Maar als het over de NATO en over Chili, over de oliecrisis en Suriname, enz. gaat, worden we plotseling deemoedig. De problemen zijn dan zo 'ingewikkeld'. Het roept herinneringen op aan veel wat in de Duitse kerken indertijd gebeurde.
Intussen — en dat is pastoraal zo onverantwoord — laten we de mensen die in de kerk komen in hun Telegraaf-ideologie én dito theologie voortleven (dit aantal is, lijkt mij, groter dan velen denken). Er komt vanuit de kerk in al die kerstdiensten (waarvan men dan vooral zegt, dat ze 'zo mooi' en 'zo vol' waren) geen enkele verheldering, geen enkel alternatief, geen enkele oproep tot omkeer. En dat terwijl wij van Jezus' komst in de wereld getuigen, dat Hij kwam om de wereld radicaal te veranderen. Wat betekenen zulke woorden nog, als het gebeuren in 1973 nergens aan het woord gelaten wordt, wanneer nergens duidelijk wordt, wat dit nu te betekenen heeft. Of heeft het niets te betekenen? De 'Schein der Demut' kan ons niet excuseren. De feiten en gebeurtenissen eisen een antwoord, allereerst van de christelijke kerk, getuigt iets van 'het Licht der Lichten' te hebben gezien.
Dat het anders kan blijkt gelukkig ook nog wel eens. Verleden jaar (1972) was er een kerstnachtdienst - ik meen in Schiedam - onder leiding van dr. Van den Heuvel. Hij deed aan het eind van de dienst een oproep, in de kerstdiensten op lijsten handtekeningen te plaatsen als protest tegen de misdadige bombardementen van Amerika op Noord-Vietnam. Dat sprak velen aan. Er kwam ook bij velen protest. Men moet nu, een jaar later, die anti-protesten eens wegen. Bijbels wegen, ze confronteren met het geluid der profeten. Dan blijft er niet veel van over. Slechts één ding: Schijn van deemoed. Conformisme met, capitulatie aan de Telegraaf-traditie. Ik vraag: Waarom knoopte niemand van hen die ik via radio en tv hoorde, aan bij wat de Wereldraad van Kerken heeft gedaan en nog doet met betrekking tot de hulp aan bevrijdingsbewegingen in zuidelijk Afrika? Bij het kerstfeest komen verdrukten en vertrapten in het licht van de bevrijding. Dat had toch in de kersttijd van 1973 best te merken mogen zijn. We moeten niet vergeten: het is nog mogelijk iets samen met 'de gemeente' te doen. Ik weet dat dit mogelijk is — in de 25 jaren dat ik het 'gewone' predikantswerk deed (maar hoe ongewoon, hoe buiten-gewoon is het) heb ik het meer dan eens gemerkt.
Velen laten tegenwoordig op liturgiebladen tikken, waar vroeger over 'prediking' gesproken werd: 'uitleg'. Ik raad hen aan daar voortaan een jaartal achter te zetten. Het is op de dag waarop ik dit schrijf net 1974 geworden. Wij hoeven niet een nieuwe 'schijn van deemoed' uit te vinden en te zeggen: de gemeente zal, wat in de 'uitleg' ter ore komt, zélf wel 'toepassen'. Dat kunnen en mogen we niet verwachten, want de gemeente is daartoe niet wakker gemaakt. Zij leefde in een prediking waar de scheiding der compartimenten heerste.
In de treinen is het nu veranderd. Er is in de meeste gevallen nu één ruimte. Men komt van het ene compartiment in het andere. Zo moet het ook zijn: in het komen van 'uitleg' tot 'politiek'; in het gaan van 700 voor Chr. naar 1974 na Christus; van het woord dat gesproken wordt naar de actie die met de gemeente gepland en gedaan wordt, van de Avondsmaalwijn naar de Angola-koffie.
Met opzet heb ik het grootste deel van dit artikel dat door deze kerkelijke hoogleraar als discussiestuk bedoeld is, geplaatst. Ik weet niet, hoe het u vergaat, maar wat mij frappeert is dat in het lijstje voorbeelden: Israël nagenoeg ontbreekt. En dat waar juist in de afgelopen maanden vele predikers vanuit de overmacht van het bijbels getuigenis inzake Jezus Christus, de aan Israël beloofde, en vanuit het feit dat het heil uit de joden is, wel degelijk de situatie van 1973 doorlicht hebben in de prediking. Prof. Strijd spreekt over de oude ketterij van het docetisme. Voor de duidelijkheid zij erbij gezegd dat de doceten het waarachtig mens-zijn van Jezus ontkenden; de Zoon van God zou volgens hen slechts een schijnlichaam hebben gehad. Dat is natuurlijk een ernstige dwaling. Het Woord is immers, zo lezen we in Joh. 1: 14 vlees geworden. Jezus Christus is de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Echter, prof. Strijd maakt er a.h.w. van: het Woord is 1973 geworden, als ik hem goed begrepen heb. Ik heb altijd gemeend Joh. 1: 14 zo te mogen verstaan dat Heere Jezus ingegaan is in onze aardse werkelijkheid van zonde en schuld, lijden en dood. Dat is m.i. wat anders dan dat we Jezus mogen spannen voor het karretje van onze politieke opvattingen. Of, dat we Jezus partijganger der armen mogen noemen. Dr. De Ru wijst er in zijn mooie boekje De verleiding der revolutie (dat ieder ter lezing aanbevolen zij) op dat Jezus God met-ons is, niet in de zin om ons aan een menswaardig bestaan te helpen, maar om ons met God te verzoenen en onze eigenlijke armoede, het leven buiten God, weg te nemen.
Ik heb de indruk dat prof. Strijd het heil opvat als een binnenwereldse politieke categorie. Kan men zeggen: Jezus kwam om de wereld radicaal te veranderen? Dat is m.i. eerder Marx dan het Evangelie.

Reacties
Uiteraard zijn de reacties op dit artikel niet uitgebleven. Reacties waarin enerzijds gepoogd wordt de verbinding te leggen vanuit het Evangelie naar de werkelijkheid van vandaag, anderzijds terecht erop gewezen wordt dat het lijstje voorbeelden van prof. Strijd bepaalde — linkse — trekken vertoont, en daarom gevaarlijk ideologisch is. Een van hen die in het nummer van 9 maart reageren is Strijds collega, de Utrechtse kerkelijke hoogleraar prof. dr. H. Jonker. Prof. Jonker, mede-opsteller van het Getuigenis, schreef het volgende:
De redactie vraagt om een reactie op het artikel van prof. dr. K. Strijd in 'Woord en Dienst' van 9 februari 1974. Over dit artikel zou ik vier dingen willen zeggen.
Volgens de schrijver zaten de radio- en televisiepredikers Kerst 1973 in een gesloten compartiment, omdat in hun prediking nl. niet gesproken werd over de politiek anno 1973, niet over de oliecrisis, de energiecrisis met al zijn achtergronden en gevolgen, niet over Suriname, niet over Guinee-Bissau, niet over het socialstisch experiment in Chili, niet over de NATO-besprekingen, niet over Israël en Vietnam enz.
Mijn eerste reactie was: Wat - om in de stijl van het artikel te blijven - een compartiment-artikel! De schrijver legt zijn partijpolitiek preekmodel als norm aan voor de gehoorde kerstprediking en sluit zich volkomen af voor de discussie, die sinds 1971 met het Getuigenis — 70.000 reacties! — is losgekomen over de politieke en de verpolitiekte prediking. Zijn partijpolitieke preekvisie staat model voor alle prediking! En daarmee uit! Over fundamentele bezwaren tegen zulk een preekmodel met theologische en pastorale achtergronden stapt de schrijver onverstoorbaar en met oogkleppen op heen en veroordeelt alle preekwijzen en personen ('de zogenaamde christelijke gemeente'), die met zijn visie niet overeenstemmen. Hij bevindt zich in een compartiment met potdicht gesloten deuren. Neen, hij heeft zich teruggetrokken in de kleinste ruimte van een spoorwegwagon, waar de deuren van binnen gesloten worden en de ramen van matglas zijn voorzien.
In de tweede plaats gaat het artikel niet over de eventuele inbreng van de wereldpolitiek in de prediking maar louter en alleen over partijpolitieke prediking. Dat blijkt uit het aangehaalde lijstje van voorbeelden. Afgezien van de vraag óf en hoe het een en ander een plaats moet hebben in de prediking, het lijstje is niet volledig, het had nog aangevuld moeten worden met de volgende politieke kwesties: de in 1973 opgevoerde militaire macht van Rusland en Oost-Duitsland, het geval Solzjenitsyn, de vastgelopen discussie tussen marxisten en christenen, het leed onder de terreur van bevrijdingsbewegingen enz. Over het laatste heb ik nl. ook informaties ontvangen. Wil men politieke infor­matie in de prediking, dan ook volledig en niet eenzijdig, met alle pro's en contra's, met alle ideologische analyses en wereldlijk-politieke machinaties, met alle verzwegen doeleinden en niet uitgesproken achtergronden. Och arme, ik beklaag de predikers, die zo het Evangelie willen of moeten brengen en niet werkzaam zijn op het departement van buitenlandse zaken, noch deel uitmaken van de fractie van een politieke partij.
In de derde plaats mis ik in het artikel een verantwoord kerkelijk besef en pastoraal inzicht, want dan zou de schrijver anders geschreven hebben dan hij geschreven heeft. Op laagdunkende en hautaine wijze wordt er gesproken over 'de zogenaamde christelijke gemeente', over 'het burgerpubliek dat voor de stichting en het sentiment ook eens in groten getale ter kerke getogen was', over 'de mensen die in de kerk komen in hun Telegraaf-ideologie én dito theologie', over 'capitulatie aan de Telegraaftraditie'.
Wanneer een humanist, atheïst of communist spreekt over 'de zogenaamde christelijke gemeente', dan laat mij dat onberoerd, omdat zij het geheim van de christelijke gemeente niet kennen.
Wanneer een kerkelijk hoogleraar aan wie door de gemeenten van de Ned. Hervormde Kerk via classicale afgevaardigden in de synode het vertrouwen en de opdracht geschonken is om predikanten op te leiden, dan neem ik het als lidmaat niet dat die gemeenten door hem worden aangeduid als 'zogenaamd christelijk'. Ik neem dat niet, omdat de gemeenten zo christelijk zijn — dit gepraat laat ik aan buiten-kerkelijken over — maar omdat bij al ons gebrek Jezus Christus door Woord en Geest naar het belijden der Ned. Hervormde Kerk werkzaam in de gemeenten is. Vanuit dit belijden is het ontoelaatbaar dat een kerkelijk hoogleraar spreekt over 'de zogenaamde christelijke gemeente'.
Pastorale bewogenheid mis ik in de uitdrukking 'burgerpubliek', een typische uitdrukking uit het socialistsch kamp, maar niet bijbels. De Bijbel kent slechts de uitdrukkingen: mensen, zondaren, beminden.
Een andere gedachte heb ik over de eenzame mens, de mens in levensnood en gezinszorgen, die het nu juist op Kerstavond zo moeilijk krijgt en besluit toch maar eens naar de kerk te gaan om iets te horen van 'het Koninkrijk dat niet van deze wereld is' (Joh. 18: 36). Mogen ze? Of is dat 'docetisme'? Dan is Hij die de laatste woorden uitsprak ook 'doceet' geweest met de apostelen.
Ik lees — zo nu en dan — 'De Telegraaf'. Ik lees — ook zo nu en dan — 'Vrij Nederland' en heb over beide bladen zo mijn eigen oordeel. Ik wens door predikers niet betutteld te worden over de bladen die ik lees. Prof. Van Niftrik heeft in de novembervergadering 1971 van de synode tegen deze betutteling al ernstig gewaarschuwd.
In de vierde plaats het beroep op Karl Barth. Dit beroep is ten onrechte en suggereert precies het omgekeerde van wat Barth met de prediking bedoelt. De 'schijn van deemoed', terugtrekking op neutralisme toentertijd in 1939 is heel wat anders dan het door de schrijver beoogde politieke model van prediking, waar het artikel over gaat. Barth zegt over de prediking in verband met de concrete situatie precies het tegengestelde: 'Het is goed denkbaar, dat een prediker, die zijn prediking geheel exact exegetisch opgebouwd heeft en helemaal geen toespeling op de tegenwoordige tijd maakt, diens hart echter overvol is van duizenden noden van de tegenwoordige tijd, de werkelijke 'Lebensnahe', contact met het leven heeft.
Men veronderstelle toch niet steeds, dat de gemeente zo wereldvreemd en levensvreemd is, dat zij de nood van de tegenwoordige tijd niet kent. Zij kent het leven al te goed en ze heeft werkelijk de oriëntering door de dominee niet nodig. Daarom houden wij het grote gevaar van het direct spreken en toespelingen steeds in het oog.' (Homiletik, Zurich, 1966, S. 97). Op blz. 102 lees ik: 'Daarbij vergeet men, dat de gemeente helemaal geen tijdanalyse van de dominee verlangt. Dit zijn dingen, die de hoorder misschien vertrouwder zijn dan de dominee en die zeker in de prediking niets te zoeken hebben'. Deze woorden van Karl Barth geef ik graag door aan de door de schrijver bekritiseerde radio- en televisiepredikers anno Kerst 1973.
Slotconclusie: Als ik als gemeentelid vooraf zou weten dat er een prediking in het door de schrijver gesuggereerd model zou worden gebracht, dan mag de prediker reeds vooraf weten dat ik bij zulk een prediking niet aanwezig zal zijn. Zeker niet op Kerstavond.
Het is — alweer — een wat lang stuk, maar terwille van de duidelijkheid willen we het u in zijn geheel doorgeven. Onnodig te zeggen, dat Jonkers stuk de hartelijke instemming van uw persschouwer heeft. Met een variant op Groen van Prinsterer zouden we kunnen zeggen: Tegen de ideologie het Evangelie — zeker op de kansel!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's