Aanvaardt gij de roeping . . .?
Een omstreden gebeuren
Een artikel te schrijven met het oog op hen die op Palmzondag of op Eerste Paasdag in het midden van de gemeente belijdenis wensen af te leggen van hun geloof is een niet zó eenvoudige opdracht.
Vooreerst is de bevestiging van nieuwe lidmaten - beter gezegd: de openbare belijdenis van het geloof - historisch gezien een nogal omstreden gebeuren. In de tijd van de Reformatie was er al verschil over. Luther hield vast aan de 'Confirmatie', zoals deze was gegroeid in de Middeleeuwse Kerk, zonder deze echter het karakter van een sacrament te geven. Calvijn daarentegen greep bewust terug naar de praktijk van de Oude Kerk, die de nadruk legde op kennis van de leer, èn geloof van het hart. De vaderlandse Kerk van de 17de en 18de eeuw volgde theoretisch de lijn van Calvijn, maar praktisch zwakte ze de belijdenis af tot een instemming betuigen met de waarheid, lidmaat worden van de 'uitwendige kerk'. Bovendien kende men tot omstreeks 1800 niet de openbare belijdenis, maar slechts de toelating tot het Heilig Avondmaal door de kerkeraad.
Een tweede probleem, dat met het eerste verband houdt, is het karakter van de openbare belijdenis. Doen we belijdenis van het geloof of van ons geloof? Met andere woorden zeggen we alleen met onze mond 'ja' op de waarheid van het Woord Gods, of zijn we daar met ons hele hart bij betrokken? En onlosmakelijk hieraan vast zit dan uiteraard de vraag naar de deelneming aan het Heilig Avondmaal. In het eerste geval, dus als we slechts belijdenis zouden doen van ons 'historisch geloof', is het Avondmaal een tamelijk vrijblijvende zaak. In het tweede geval, wanneer het gaat om het geloof van het hart, dan kunnen we moeilijk om de Avondmaalstafel heen . . .
Nu is er in het verleden over al deze vragen in allerlei toonaarden gesproken en geschreven. Daarom leek het me juister dit keer aandacht te vragen voor een ander facet van het belijdenis doen, een facet dat ook in de tweede belijdenisvraag wordt belicht: 'Aanvaardt gij de roeping om als lidmaat van de gemeente, die God Zich in Christus ten eeuwigen leven verkoren heeft, door Zijn genade tegen de zonde en de duivel te strijden, uw Heiland te volgen in leven en sterven, Hem te belijden voor de mensen en met blijdschap te arbeiden in Zijn Koninkrijk?' Het gaat dus bij het belijdenis doen onder meer om het aanvaarden van een roeping.
De roeping
Er ligt dus een roeping. Daarover behoeft geen onzekerheid te bestaan. Er wordt niet gevraagd: 'Gelooft ge dat ge geroepen zijt . . . ?' — maar: 'aanvaardt ge de roeping . . . ?' Dat wil dus zeggen — en op zichzelf is dat al een ontdekking! — dat we geroepen zijn. Vele mensen, ook trouwmeelevende mensen, zijn zich dat vaak helemaal niet bewust. Het is evenals in het gewone leven: als ik op straat geroepen word, dan kan ik verschillende houdingen aannemen.
Ik kan doen alsof ik niets hoor. Ik kan mezelf wijsmaken dat een ander bedoeld wordt. En ik kan in ieder geval gewoon doorlopen. Het is echter maar de vraag wie er roept. Word ik door een willekeurig iemand op straat geroepen, dan kan ik dat desnoods nog negeren. Maar stel dat een jongen van bijna 20 jaar een oproep krijgt voor de militaire dienst. In die oproep staat dat hij dan en dan, daar en daar moet verschijnen. In de naam van de Koningin. Als die jongen zich daar niets van aantrekt en gewoon thuis blijft, of naar zijn werk gaat, wie staat dan in voor de gevolgen?
Toch doen velen zo met de oproep van de Koning der koningen. Ze willen 'ergens' tot het Koninkrijk behoren. Ze leven binnen de omheining van het Verbond der genade, ze brengen hun kinderen ook op het erf van het Verbond, ze komen trouw op onder de bediening van het Woord. Maar ze beseffen eigenlijk niet, dat ze zelf ook geroepenen zijn en dat de Koning om antwoord vraagt en op antwoord wacht.
Het is geen eenvoudige zaak, zulke mensen bewust te maken van hun roeping. Een jongeman, die ik eens de vraag stelde of hij er niet aan dacht belijdenis te doen, zei het letterlijk: 'Ik geloof niet dat ik daartoe geroepen ben . . .' Met de nadruk op ik, dus een ander misschien wel . . . Ouders die hun vierde of hun vijfde kind lieten dopen, bleken er nog nooit bij stilgestaan te hebben, dat ze nu al voor de vierde of voor de vijfde keer belijdenis hadden gedaan . . . Wél geroepen hun kinderen te laten dopen, niet geroepen om belijdenis te doen . . .
Toch kunnen prediking, catechese en pastoraat - in de middelijke weg - hier wonderen doen. In een gemeente waar het doen van belijdenis uitzondering is, zal met klem verkondigd moeten worden, dat de Heere roept en dat we die roeping niet naast ons néér kunnen leggen. Daar zal op de catechisatie telkens weer het onderwerp 'belijdenis doen' ter sprake moeten komen. Daar zal ook op huisbezoek, doopbezoek, e.d. telkens weer moeten worden herhaald dat er een keuze moet worden gedaan. Kortom, op allerlei wijze zal moeten worden herhaald dat er een keuze moet worden gedaan. Kortom, op allerlei wijze zal moeten worden benadrukt wat onze belijdenis zegt, 'dat een ieder schuldig is zich bij de ware kerk te voegen' en ook dat allen die zich 'niet daarbij voegen, doen tegen de ordinantie Gods'.
Net zolang tot jongeren en ouderen er niet meer onderuit kunnen. En dat is uiteindelijk niet het werk van de predikers, maar dat is de kracht van het Woord. 'Want hoe vaardiger wij ons ambt doen', zeggen de Dordtse Leerregels, 'des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, die in ons werkt en Zijn werk gaat dan allerbest voort . . .'
Geroepen, waartoe?
Waartoe worden we geroepen? De tweede belijdenisvraag geeft hierop een viervoudig antwoord. Lidmaten der gemeente van Christus zijn geroepen tot strijden, tot volgen, tot belijden en tot arbeiden.
Het valt ons aanstonds op dat het nieuwe lidmaten niet gemakkelijk wordt gemaakt. Wie de belijdenis-catechisatie en de daarop aansluitende 'aanneming' ziet als het behalen van de eindstreep, kan bij deze tweede belijdenisvraag niet terecht . . .
We worden dus allereerst geroepen tot strijden. Het leven is strijd, het leven van het geloof is strijd. We zijn immers in de strijdende kerk. Een veel gebruikte tekst bij het doen van belijdenis is het woord van Paulus aan Timotheüs: 'Strijdt de goede strijd des geloofs'. Dat is nodig, want een christen heeft vele vijanden, van wie er hier slechts twee genoemd worden, maar dat zijn dan ook de grootste: de zonde en de duivel. Tegen deze en andere vijanden moet een strijd gevoerd worden op leven en dood. Belijdenis doen is dienst nemen in het leger van Koning Jezus, de volle wapenrusting Gods aantrekken.
Het tweede waartoe we geroepen worden is volgen. De Heiland te volgen in leven en sterven. Vele malen heeft de Heere Jezus gezegd: 'Volg Mij'. Maar de weg achter Hem is geen opgaande lijn. De weg achter Hem is de weg van de vernedering, van de smaad en van de schande. Hem volgen, dat wil in vele gevallen zeggen: Vervolgd wórden. Dat kunnen we alléén volhouden, ziende op Hem, de Overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Die het kruis heeft verdragen en schande veracht. En door te leven uit Zijn belofte: 'Wie Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben'.
We worden ook geroepen tot belijden. Hem te belijden voor de mensen. We belijden Hem dus niet alleen op de belijdeniszondag. De openbare belijdenis van het geloof is nog maar een begin. We worden geroepen tot een voortgaand belijden. Niet .................................................... deren eveneens belijdenis hebben afgelegd. Maar ook voor de mensen, buiten de gemeente, misschien in de kring van de familie, misschien in de omgeving waar we wonen en werken mogen.
Tenslotte worden we geroepen tot arbeiden. En met blijdschap te arbeiden in Zijn Koninkrijk. In het Koninkrijk Gods worden geen renteniers geduld. Daar worden we aan het werk gezet. Dat werken kan heel verschillend zijn, al naar gelang we tijd, gaven en talenten van de Heere gekregen hebben. Sommigen van de nieuwe lidmaten zullen binnen korter of langer tijd geroepen worden tot het ambt van ouderling of diaken. 'Van de gemeente en mitsdien door God Zelf geroepen'. Maar behalve dit bijzonder ambt zijn er allerlei andere taken. Er is in de gemeente veelal een zendingscommissie, een evangelisatiecommissie, een zondagsschoolcommissie. Er zijn mensen nodig voor het jeugdwerk, voor het ophalen van de vrijwillige bijdrage, voor het bezorgen van de bandrecorder. Het is zomaar een willekeurige greep. Maar niemand in de gemeente hoeft werkeloos te zijn. Wordt er dus vroeg of laat een beroep op ons gedaan, dan zal het niet eenvoudig zijn, een geldige reden te vinden om daarvan ontslagen te worden. We hebben immers de belofte gedaan met blijdschap te zullen arbeiden in Zijn Koninkrijk?
Door Zijn genade
Misschien dat een jongere (of een oudere!) die dit leest en op het punt staat belijdenis te doen, geschrokken is en bij zichzelf denkt: 'Wordt dat allemaal van me gevraagd? Moet ik dat allemaal beloven? Wie is tot deze dingen bekwaam?' Het klonk ook allemaal wat aktivistisch:
'We moeten dit en we zullen dat . . .' Laat ik het dan anders zeggen: We mógen . . .' Dat zit trouwens ook in die tweede belijdenisvraag: 'Door Zijn genade strijden, volgen, belijden en arbeiden'. Door Zijn genade! Het is dus genade dat we ertoe geroepen worden. De Heere wil ons — en wie zijn wij? — in Zijn dienst nemen. Hij wil ons gebruiken. Wij mogen Zijn medearbeiders zijn! Dat is trouwens niet van vandaag of gisteren. Was het geen genade dat we geboren werden in een christelijk gezin? Dat we mochten opgroeien op het erf van het genadeverbond? Dat we de zondagsschool, de christelijke school, de catechisatie hebben bezocht? Dat we tenslotte naar de belijdenis-catechisatie zijn gegaan?
Of - als we er niet bij opgevoed waren - dat we met Zijn Woord in aanraking zijn gekomen? Dat we - misschien wel op later leeftijd - toch nog de stap deden naar de belijdenis-catechisatie?
Zouden we dan de moed nog hebben die roeping niet te aanvaarden? De moed hebben niet te willen beloven dat we door Zijn genade willen strijden, volgen, belijden en arbeiden? Aanvaardt gij de roeping?
Van ons uitgezien zouden we moeten zeggen: 'Nee, ik kan het niet'. Ziende op Hem mogen we zeggen: 'Door Uw genade: ja!' En het klinkt als een eed, het is trouwens ook een eed: 'Zo waarlijk helpe mij God Almachtig'.
Ridderkerk W. van Gorsel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's