Wat ons te doen staat
Antwoord aan prof. dr. H. N. Ridderbos
In het Gereformeerd Weekblad (Kok, Kampen) heeft prof. dr. H. N. Ridderbos scherp gereageerd op het artikel van drs. K. Exalto over de Proeve van belijden, opgesteld door hem en prof. dr. G. C. Berkouwer. Het laat zich verstaan dat de reactie van prof. Ridderbos scherp is geweest. Tenslotte was het artikel van drs. Exalto ook scherp, zij het op zakelijke punten. Bovendien heeft dit artikel, doordat de hervormde synodeleden het in hun bezit hadden, mede de discussies op de synode bepaald.
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond voelt zich geroepen op de artikelen van prof. Ridderbos nader in te gaan. In de eerste plaats omdat prof. Ridderbos in zijn artikel het geheel van de Gereformeerde Bond betrekt. In de tweede plaats omdat het hoofdbestuur voor het artikel van drs. Exalto medeverantwoordelijkheid draagt. Op verzoek van het hoofdbestuur schreef drs. Exalto zijn stuk. Het passeerde vóór het aan de synodeleden werd verstrekt de bestuurstafel. En het werd geplaatst in het orgaan van de Gereformeerde Bond, zodat het ook daarom onder verantwoordelijkheid van redactie en bestuur valt, hoezeer het verder ook uiteraard het stempel heeft van de scribent.
Wij laten bij onze beantwoording buiten beschouwing allerlei opmerkingen in het artikel van prof. Ridderbos, die zacht gezegd, een persoonlijke geraaktheid en irritatie verraden. We zullen ons beperken tot de zakelijke inhoud, waarvan we de weergave in een apart stuk in dit nummer van ons blad hebben gegeven.
Wij willen in deze beantwoording ook niet opbieden Wat betreft de vraag wie het gereformeerdst is, of wie zich nu het meest heeft ingezet voor het gereformeerd belijden in het geheel van de kerk. Vragen als: 'wat hebben zij dan ooit ondernomen als het erom ging niet maar zichzelf en eigen groepering genoeg te zijn, maar om de verscheurde en gehavende kerk van de Reformatie in Nederland en het verstrooide volk van God weer samen te brengen op de grondslag van een ondubbelzinnig christelijke (en dat is voor mij: gereformeerde) belijdenis?', blijven in onderstaand stuk onbeantwoord. Zulk opbieden zint ons niet. Uitstalling van eigen deugden ligt ons niet. Zo we roemen, wij zullen het óók alleen doen in onze zwakheden, in het lijden aan de kerk van Christus ook, die ons lief is en die we van heler harte willen dienen.
Waarom was onze reactie zó?
Zij hebben, zegt prof. Ridderbos, alles gedaan wat zij konden 'om — met inderhaast afgedrukte en nog niet gepubliceerde stukken — de stemming in de synode tegen de Gereformeerde Kerken in te nemen.' Wat is in werkelijkheid het geval? De Proeve had als ondertitel: 'een mogelijke weg tot een nieuw belijden'. Dat is een titel met een hoge pretentie. Daarom was het eigenlijk onverantwoord dat de hervormde synode aan deze zaak aandacht ging besteden zonder grondige voorbereiding, zonder de synodeleden ook gelegenheid tot grondige voorstudie te geven (de synodeleden kregen het stuk enkele dagen voor de zitting pas onder ogen). Vóóraf was er geen gelegenheid om over één en ander te schrijven. En bij een zaak als deze mag er toch bepaald ook wel beraad vooraf zijn? Gegeven de tijd, die ons vóór de synode restte, heeft één onzer een artikel over deze zaak geschreven, — niet metterhaast overigens — het werd afgedrukt en aan de synodeleden verstrekt. De publikatie kon niet eerder dan na de synodezitting plaats vinden. Bedoelden we daarmee stemming te maken tegen de Gereformeerde Kerken? Integendeel. Het ging om 'een mogelijke weg tot een nieuw belijden'. Kennelijk voor beide kerken, de Gereformeerde Kerken — waar het stuk al behandeld was — en de Hervormde Kerk waar het nu óók behandeld werd in het kader van de beweging Samen op Weg. Het raakt ons dus allen. Wanneer het dan over een zo belangrijke zaak als het belijden gaat mag de synode dan ook met een stem uit de kerk geconfronteerd worden, die neen zegt tegen een nieuw belijden als dit als onvoldoende wordt gevoeld?
Meer dan een aantal signalen geven was intussen niet mogelijk. Die signalen werden gegeven met het oog op de behandeling in de synode. De bedoeling was niet de proeve in z'n geheel grondig te bespreken — daar hadden wij overigens voor wat langere termijn al een andere scribent voor gevraagd — maar om de vraag onder ogen te zien of deze Proeve als nieuw belijden integraal aanvaardbaar was. Als prof. Ridderbos dan ook stelt dat de lezers van de Waarheidsvriend 'van de werkelijke proeve natuurlijk nooit één woord onder ogen hebben gekregen en immers ook niet mogen krijgen' dan is dat in de eerste plaats onjuist — er had bovendien al een korte samenvatting in ons blad gestaan — en in de tweede plaats niet fair, omdat het duidelijk was dat het stuk gericht was op de behandeling op de synode.
Verloochening
Het heeft de toorn van prof. Ridderbos opgewekt, dat aan het eind van het artikel van drs. Exalto gesproken werd over 'verloochening van wat de kerk op grond van het haar toevertrouwde Woord Gods door Zijn genade en Geest in het verleden heeft mogen belijden en wat zij nóg dient te belijden.' De zin ervóór laat prof. Ridderbos bij deze citering weg: 'een dergelijke proeve kunnen wij onmogelijk als belijden aanvaarden'. Dat zou voor óns verloochening zijn van het oude belijden.
Als wij de proeve zouden aanvaarden in de plaats van de oude confessie dan zou dit betekenen dat wij enkele fundamentele elementen, behorend tot de reformatorische confessie, zouden prijsgeven. Nu kan men over een woord twisten, maar welk woord moeten we hanteren als het erover gaat, dat er iets prijs gegeven wordt wat niet mag en kan worden prijsgegeven? Als punten verzwegen worden mogen we dan vragen: wat zit daarachter? Als dingen anders gezegd worden, mogen we dan vragen: worden er wellicht geen andere dingen gezegd? We hadden best kunnen stellen, en hebben er geen moeite mee om dat alsnog te doen, dat de proeve goede passages bevat, authentiek gereformeerde noties, waar we van harte amen op zeggen. Maar we weten ook, er zijn vanuit de historie gezien drie concentrische cirkels, de christelijke, de protestantse en de gereformeerde; al weten we ook dat er eigenlijk geen wezenlijk verschil tussen deze drie kan bestaan en het gereformeerde alleen ontstaan is vanwege afwijkingen in het christelijke. Maar gegeven deze onderscheiding wensen we een confessie niet op haar algemeen christelijk karakter te toetsen hoezeer we daarin de dingen, die gezegd worden, zouden kunnen beamen, maar op haar gereformeerd karakter. In kerken die een gereformeerde confessie hebben dient een nieuw belijden op dit gereformeerd karakter getoetst te worden. Bij beoordeling van de Proeve zagen wij er in dat licht nog geen vervanging van de oude confessie in.
Is ter inleiding van de Proeve op de hervormde synode niet door de opstellers gezegd, dat men in de Gereformeerde Kerken zo langzamerhand wat is komen te 'zitten' met de oude confessie? Wij voor ons zitten met die oude confessie niet, zij het dat de vertolking ervan in elke tijd de aandacht vraagt en voor problemen stelt. Maar wij zitten niet met de inhoud. Integendeel, wij willen daar staan, waar de oude confessie staat.
Er is nog een ander punt. Een nieuw belijden staat tegen de achtergrond van eigentijdse ontwikkelingen en dwalingen. Een duidelijke afwijzing van die dwalingen vinden we in de Proeve niet. In onze tijd wordt het gereformeerd belijden tot in de fundamenten aangetast, het christelijk belijden gaat door de maalstroom van de moderne theologie heen. Kan in een actueel belijden daarover gezwegen worden? Moet het belijden niet geactualiseerd worden met betrekking tot eigentijdse dwalingen, die in de kerken, of het nu de Hervormde Kerk of de Gereformeerde Kerken betreft, gesignaleerd worden? Het hervormde Getuigenis van 1971 bedoelde geen nieuw belijden te zijn maar gaf wel signalen óver en een duidelijke afwijzing van die theologieën, die het wezen van het christelijk geloof in de kerken ondermijnen (waar bleef toen overigens die 'éne uitgestoken vinger' van de gereformeerden?). Van die signalen vinden we in de Proeve weinig terug. Daarom ervaren we de proeve enerzijds als een reductie van het oude belijden, wat voor ons gevoel iets anders is dan concentratie, en tevens als een negatie van die punten die momenteel 'zozeer omstreden en verzwegen' worden (Getuigenis). Daarom willen we kort ingaan op die reductie en die negatie.
Dubbele predestinatie
Gewezen is op het feit, dat in de Proeve de dubbele predestinatie ontbreekt. Prof. Berkouwer heeft er ter hervormde synode op gewezen dat dit bewust is gedaan. Prof. Ridderbos zegt nu dat het leerstuk van de verwerping van eeuwigheid ook in de Nederlandse Geloofs Belijdenis en in de Heidelbergse Catechismus ontbreekt maar slechts in de Dordtse Leerregels voorkomt. Als diegenen — zo stelt hij verder — die de belijdenis van de 'verwerping van eeuwigheid' niet aanvaarden, niet gereformeerd worden genoemd dan is dit een verengd begrip van wat als gereformeerd mag gelden. Wij achten dit een onjuiste probleemstelling. De belijdenis is één. Het is onjuist om het ene belijdenisgeschrift te isoleren van het andere. De Nederlandse Geloofs Belijdenis is van 1559, de Heidelbergse Catechismus van 1562 en de Dordtse Leerregels zijn van 1618/1619. Wat in de eerste twee belijdenissen niét stond, stond in de derde wél, tegen de achtergrond van de remonstrantse dwalingen. Het argument van prof. Ridderbos zou sterker geweest zijn als deze leer van de dubbele predestinatie wel in de eerste twee geschriften zou zijn beleden en in de derde was weggelaten.
* * *
Met erkenning van de pastorale vragen, die aan het vraagstuk van de dubbele predestinatie zitten, aanvaarden wij van harte toch de Dordtse Leerregels, waarin het souvereine van Gods verkiezing — en wat is verkiezing zónder verwerping? — ondubbelzinnig wordt beleden. Loslating van die belijdenis achten we niet niets. Integendeel! De Gereformeerde Belijdenis is voor ons wel de belijdenis inclusief de Dordtse Leerregels. En dat temeer omdat de urgentie van de leer van Dordt in onze dagen in niet minder sterke mate aanwezig is dan in de dagen van de Dordtse Synode. Wij worden overspoeld door remonstrantisme. Wij staan opnieuw voor dit dilemma: een brug willen slaan tussen een semi-pelagiaans gevoelen enerzijds en de leer van de vrije genade anderzijds, óf het remonstrantisme van onze dagen met duidelijke woorden weerspreken.
Men kan weten, dat het juist de remonstranten waren, die in Dordt de voorstanders van de leer van vrije genade wilden vastpinnen op verkeerde gevolgtrekkingen, die men zou kunnen maken uit deze leer. Dat heeft de Dordtse vaderen er echter niet van weerhouden om duidelijke taal in deze te spreken, integendeel het heeft hen juist geprikkeld om dat te doen. Prof. Ridderbos beweert nu in zijn artikel, dat de Proeve dichter bij de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofs Belijdenis staat dan bij de Dordtse Leerregels en dat zij de genadige en vrije verkiezing van God beter bewaard hebben dan wat men in de Dordtse Leerregels, met allerlei niet aan de Schrift ontleende redeneringen, gemeend heeft daar in het negatieve aan te moeten toevoegen. Men mag het ons kwalijk nemen als wij zeggen dat datgene, wat de Dordtse vaderen 'in het negatieve gemeend hebben te moeten toevoegen' altijd weer aan de orde komt als men op bijbels verantwoorde wijze over de verkiezing denken en spreken wil? Kan men het ons euvel duiden, dat wij in het geweer komen, als juist een dergelijke redenering als van prof. Ridderbos in onze kerk steeds weer bleek te functioneren als het ging om het indragen van een heilsobjectivisme en een eliminering van het particuliere van het heil uit prediking en pastoraat?
De Heilige Schrift
De Proeve zegt: 'Maar ook de inhoud van de Schrift is op allerlei wijze mede bepaald door de omstandigheden, waarin de bijbelschrijvers leefden'. Prof. Ridderbos moet toegeven dat daar wel een verschil zal liggen tussen drs. Exalto en hem, dat hij niet enkel aan 'het boze oog kan toeschrijven'. Dat is natuurlijk geen onbelangrijke zaak. Voor wie de Bijbel de enige kenbron is van het heil, is het van het grootste belang hoe men ten aanzien van de Schrift belijdt. Wat hebben de opstellers met bovenstaande zinsnede bedoeld? Dat vinden we in de Proeve zelf niet uitgewerkt. Is het dan illegitiem om deze uitspraak te leggen naast visies, die de laatste jaren ook in de Gereformeerde Kerken opgeld deden? Wat moeten we aan met deze zinsnede als we daarnaast leggen de visie die prof. Baarda ontwikkelde ten aanzien van de historische betrouwbaarheid van de Evangeliën? Wat moeten we aan met deze zinsnede als we daarnaast leggen de publikatie van prof. Kuitert 'Verstaat gij wat gij leest?' Hebben deze visies vrij baan met deze Proeve? Maar ook prof. dr. G. C. Berkouwer, één van de opstellers van de proeve heeft in zijn Dogmatische studiën één en ander over de Schrift gezegd. Toen enkele jaren geleden ds. G. Boer in ons blad het deel van de dogmatische studiën over de Heilige Schrift (deel II) besprak schreef hij: 'Heel het boek van Berkouwer geeft ons een diepe indringende studie over het menselijk karakter van de Heilige Schrift maar weinig over de openbaring. Hoe ook de weg van het ontstaan van de Schrift precies geweest is, het goddelijk karakter van de Schrift staat in de Bijbel voorop. Prof. Berkouwer ontkent dit allerminst, maar het functioneert niet in zijn overtrokken aandacht voor het menselijk karakter van de Schrift . . . . Daarbij valt het op, dat krasse uitdrukkingen in eigen kring door de auteur niet weersproken en niet bevestigd worden. Wegen lopen ergens heen. De vraag mag worden gesteld: Waar gaan wij met de kerk heen? Waar gaan wij met de belijdenis van de Schrift als het Woord van God heen? Dit is geen overbodige vraag. Wij hebben in de Hervormde Kerk te veel meegemaakt om niet uiterst beducht te zijn voor een ontwikkeling, waarin ook deze boeken van Berkouwer een fase kunnen zijn'.
* * *
Hier zitten we bij de kern van de kwestie. Is deze proeve ten aanzien van het belijden aangaande de Schrift ook niet een fase op een weg? Op die weg zal de één verder zijn dan de ander, maar de vraag is of in feite de poorten niet openstaan voor allerlei Schriftkritische visies, die in onze tijd welig tieren. Is nadruk op de tijdgebondenheid van de Schrift overigens niet altijd een invalspoort geweest voor de Schriftkritiek? Dan kunnen de opstellers zeggen: dat bedoelen wij niet. Maar de vraag is niet wat bedoeld wordt maar wat de Proeve zegt. Wij weten echt wel dat met name prof. Ridderbos stelling genomen heeft tegen uitspraken van prof. Baarda over de betrouwbaarheid van de Evangeliën en gezegd heeft dat zonder die historische betrouwbaarheid het met het christendom niets is gedaan. Maar anderzijds lezen we óók bij hem, dat het mensenwoord in dienst van God participeert aan de autoriteit en onfeilbaarheid van het Woord Gods en dat de Schrift een menselijk inadequaat werktuig is. Wordt ook hier niet het goddelijk en het menselijk karakter van de Schrift teveel uiteengelegd?
* * *
Maar genoeg hierover. Mag men het ons kwalijk nemen als wij, bij alles wat in de laatste jaren uit de Gereformeerde Kerken over de Schrift is gezegd — waarbij dan de één weliswaar verder op een bepaalde weg is dan de ander — op onze hoede zijn voor formuleringen, waarin telkens maar weer de nadruk wordt gelegd op tijdgebondenheid van de inhoud van de Schrift? Prof. Berkouwer stelde al dat wat in de Proeve over de Schrift wordt gezegd niet losstaat van wat de Gereformeerde Kerken hebben besloten ten aanzien van de leerbesluiten van de synode van Assen. Zouden daar dan toch de wegen wel eens niet fundamenteel uiteen kunnen gaan? En zouden op het punt van de Schrift niet de fundamentele beslissingen vallen? En zouden daar per consequentie ook niet ingrijpende gevolgen liggen voor de soteriologie?
De verzoening
Het moet wel opvallen, dat enerzijds prof. Ridderbos in zijn reactie op het artikel van drs. Exalto zo fel is maar dat hij anderzijds op twee zwaarwegende punten van de inhoud van de kritiek de critici in het gelijk stelt. Niet alzo echter ten aanzien van de verzoening. Drs. Exalto heeft gezegd dat de proeve op z'n best een vage aanduiding heeft in de richting van de gereformeerde belijdenis over 'de leer van de verzoening door voldoening, waarbij Christus de toorn van God tegen de zonde heeft gedragen en de schuld der Zijnen heeft verzoend'. In zijn reactie daarop verwijst prof. Ridderbos dan allereerst naar de 'Bezinning' op de Proeve, zoals die in een deputatenrapport aan de Gereformeerde Kerken werd voorgelegd. Inderdaad wordt daar over de toorn van God gesproken. Maar in de Proeve zelf niet, al ligt er wel een aanduiding in die richting. Maar waren we geroepen de Bezinning op de Proeve te beoordelen of de Proeve zelf? Als een dergelijk stuk als de Proeve als nieuw belijden zou gaan fungeren dan wordt later niet gevraagd: wat bedoelden de opstellers in hun bezinning maar wat schreven zij in de Próéve? En moet dan ook hier niet gezegd worden dat, gegeven de discussies over de verzoening én in de Hervormde Kerk in de zaak-Smits én in de Gereformeerde Kerken in de kwestie-Wiersinga, duidelijker gesproken had moeten worden? Toegegeven, de Proeve bevat hier passages waarmee we van harte instemmen — laat dat dan hier ook gezégd worden — maar men kan de waarheid aangaande de verzoening door voldoening, aangaande het stillen van de toorn Gods behalve door deze te weerspreken óók geweld aandoen door de loochening ervan niét te weerspreken. Ligt achter dit alles niet de inhoud van de zondagen 4 t/m 6 van de Heidelbergse Catechismus? En wordt nu in de Proeve werkelijk duidelijk hoe ten aanzien van de verzoening, ten aanzien van het stillen van Gods toorn beleden wordt? Dit temeer als we bedenken hoe de inhoud van de Heidelbergse Catechismus op deze punten wordt aangevochten en dat niet voor het éérst in de geschiedenis? Daarom zeggen we ook hier: niet zozeer wat in de Proeve staat als wel wat er niet staat roept ons verzet op om deze Proeve louter als een concentratie van de oude confessie te zien.
Negatie
We stelden dat de Proeve — welke goede elementen deze op zich mag bevatten — niet alleen op essentiële punten een reductie is maar ook op andere punten een negatie. Wanneer we in onze tijd, waarin de fundamenten van het christelijk geloof zozeer bedreigd worden, moeten komen tot een nieuw en actueel belijden, moeten dan de worteldwalingen van onze tijd niet worden blootgelegd? En is één van de aberraties van het christendom in deze tijd niet het politiek messianisme? Had deze stroming in het theologisch denken, die zich momenteel zo breed maakt, niet duidelijk weersproken moeten worden?
Het Getuigenis heeft ondubbelzinnig afgewezen de gedachte als zou het Koninkrijk Gods zich baanbreken langs de weg van de evoluties en de revoluties in de wereldgeschiedenis, en gesteld dat de geschiedenis als zodanig ons het heil niet brengen kan. Bij alles wat het Getuigenis hierover zei is scherpe oppositie losgekomen, niet in het minst ook uit de Gereformeerde Kerken. We denken aan de bijdrage van prof. Verkuyl in het boek Wat vindt u van het Getuigenis? Hoe kan men deze dingen in een proeve van nieuw belijden negeren, terwijl het hier gaat om de omstreden punten van onze tijd, waarin al de andere momenten van het belijden — ook die ten aanzien van de verzoening en de gerechtigheid — ook in het geding zijn? Hier zwijgen is óók spreken. Maar verder nog: laat de Proeve in feite deze visies niet ongemoeid? Waarom gaat prof. Ridderbos niet in op de opmerkingen van drs. Exalto, dat in deze Proeve de wending, die de theologie heeft genomen ten aanzien van de komst van het Rijk Gods, ook doorklinkt? Herlezing van de passages over het Rijk van Christus, van kerk en wereld en van de toekomst des Heren deden ons dat temeer beseffen. Want bij alle spreken over 'het leven in de hoop op het komende Rijk van God' over 'het op weg zijn naar de toekomst des Heren' ontbreekt déze centrale notie, dat de komst van het Rijk naar bijbels belijden plaatsvindt door het gericht aan het eind van de tijd heen, door de breuklijn aan het eind van de geschiedenis heen en dat in Zijn toekomst alleen diegenen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde beërven, die Hem door een waarachtig geloof zijn ingelijfd.
En weer zeggen we: worden die stromingen, waarin het Rijk zo centraal staat en die de komst van het Rijk (mede) afhankelijk stellen van onze activiteiten, niet ongemoeid gelaten? Het geeft ons te denken dat, bij de behandeling van de Proeve in de Gereformeerde Kerken, zo duidelijk adhesie met de Proeve werd betuigd, ook door diegenen die zich al even duidelijk tegen het Getuigenis hadden gekeerd, met name op het punt van het politiek messianisme. Dat geeft ons te denken.
Ten besluite
We hebben ons in deze beantwoording gericht op datgene wat ons op inhoudelijke punten deze Proeve doet afwijzen. Intussen gaat het er ons ook niet om om de Gereformeerde Kerken in een bepaalde hoek te zetten. Wij willen ook daar met en voor de broederen het goede zoeken, maar dat mag eerlijke positiekeuze niet verhinderen. Door deze discussie willen wij niet bijdragen aan een vervreemdingsproces tussen twee kerken, die dezelfde belijdenis als grondslag hebben (Runia). We hebben door de jaren heen congenialiteit gevoeld met de theologie van de oude gereformeerde theologen in het bijzonder van Kampen. Thans vindt echter een wezenlijke ombuiging plaats in de theologie van de Gereformeerde Kerken die velen in deze kerken weinig meer doet verschillen van de midden-orthodoxie in onze kerk. Daarmee is naar ons gevoel wel een fundamentele vraag aan de orde gesteld inzake de oorzaken van het vervreemdingsproces. Wat ons met de Gereformeerde Kerken blijft verbinden is niet slechts de overtuiging dat we dezelfde belijdenis als grondslag hebben maar ook het besef dat velen in die kerken een — naar ons gevoelen vaak eenzame — strijd strijden tegen een oprukkend modernisme.
In dat opzicht hadden we graag een Proeve van nieuw belijden gezien die in deze strijd duidelijke(r) taal zou hebben gesproken.
Het hoofdbestuur van de Geref. Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's