De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prof. H. N. Ridderbos reageert op  kritiek op de Proeve van belijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. H. N. Ridderbos reageert op kritiek op de Proeve van belijden

20 minuten leestijd

In twee uitvoerige artikelen heeft prof. dr. H. N. Ridderbos gereageerd op de kritiek, die drs. K. Exalto leverde op de Proeve van belijden, opgesteld door hem en prof. dr. G. C. Berkouwer. Elders in ons blad gaan we nader op deze artikelen in. Hieronder volgt een weergave van de artikelen van prof. Ridderbos, wat betreft de zakelijke punten, die hier in het geding zijn. De uitvoerige inleiding, waarin prof. Ridderbos zich beklaagt over het feit dat uit de hoek van de Gereformeerde Bond zo kritisch op deze proeve werd gereageerd, laten we achterwege, omdat dat in de beoordeling minder relevant is. Dat moest prof. Ridderbos eerst van het hart alvorens hij tot de zaak zelf kwam. Hij vervolgt dan aldus:
En die zaak is, of het waar is, dat deze Proeve, zoal niet in haar bedoeling, dan toch in haar zakelijke strekking een verloochening is van de gereformeerde belijdenis. Ik zal mij er niet af-maken door mij te beroepen op anderen, die wellicht in hun trouw aan de gereformeerde belijdenis bij drs. Exalto meer in achting zijn dan prof. Berkouwer en ik. Toch wil ik gaarne ds. Kooistra citeren, redacteur van het confessionele 'Hervormd Weekblad', die de vorige week óók over de proeve schreef. Hij schrijft — en misschien is het goed dat ook de verontrusten in onze eigen kerk hiervan eens kennis willen nemen: 'Ook nu is wel gebleken, dat het onzinnig is om de Geref. Kerken te beschuldigen van vrijzinnig denken. De Geref. Kerken zijn confessioneler dan vele hervormden denken'. Ds. Kooistra zegt diep teleurgesteld te zijn over de gang van zaken: 'Ik zag mijn ideaal (geïnspireerd door Hoedemaker) in duigen vallen: het herstel van het gereformeerde karakter van de Hervormde Kerk en daardoor de hereniging met de Gereformeerde Kerken'. Er zijn dus ook andere mensen. Dat zal ook wel daaraan liggen, dat niet alle mensen over hetgeen als reformatorisch en als confessioneelgereformeerd in de historische zin van het woord mag gelden, éénzelfde oordeel hebben. Ds. Kooistra schrijft ook over het art. van drs. Exalto en zegt van mening te zijn, dat dit meer het standpunt van de Gereformeerde Gemeenten dan dat van de Geref. Bond vertegenwoordigt. En dat brengt ons dan weer tot de vraag, wie er dan eigenlijk wel gekwalificeerd is om zichzelf de (gereformeerde) erepalm uit te reiken en anderen te diskwalificeren. Ik zal mij in dergelijke beschouwingen niet begeven, maar mij liever houden aan de maatstaf van de gereformeerde belijdenis zelf. Dat wil drs. Exalto immers ook en dat geeft dan op zijn minst een zekere basis van discussie.
Drs. Exalto wil door vergelijking van de gereformeerde belijdenis met de Proeve aantonen hoe on-gereformeerd de laatste wel is. Hij schrijft (ik zal hem uitvoerig citeren):
Nu heeft de gereformeerde religie en hebben derhalve de gereformeerde belijdenissen altijd een paar kenmerkende trekken gehad. Wij denken aan de leer der dubbele predestinatie: verkiezing én verwerping, beide van eeuwigheid; wij denken ook aan de leer van de totale onmacht van de zondaar tot het goede, wat men wel noemt zijn dood zijn in zonden en misdaden; wij denken aan het geloof in het werk van de H. Geest die als Enige bij machte is een zondaar tot Christus en tot het heil te brengen; wij denken aan het erkennen en beleven van het volstrekte goddelijke gezag van het Woord Gods, gegeven in de H. Schrift, die door de Geest geïnspireerd is. Wij denken ook aan de leer van de verzoening door voldoening. Christus heeft, volgens alle gereformeerde belijdenissen, de toorn Gods tegen de zonde gedragen, de schuld der Zijnen verzoend, een schuld die al dateert vanaf het paradijs. Geen belijdenis kan zich als gereformeerd aandienen die deze zaken niet duidelijk en onomwonden uitspreekt. Dan is er een ander verstaan van het Evangelie in het geding. Alleen al door het erover zwijgen. Welnu, leg de nieuwe Proeve hier eens naast. Op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde; in de meeste gevallen een totaal zwijgen erover.
Boude uitspraken, die de argeloze lezer — en ik vrees, dat vele lezers van de Waarheidsvriend het in dit geval wel zullen zijn! — het ergste van de Proeve moeten doen vrezen. Maar laat ons eens nader toezien. Dan blijft er niet zoveel van over.
Drs. Exalto schrijft dat de gereformeerde belijdenissen altijd een paar kenmerkende trekken hebben gehad, en dat geen belijdenis zich als gereformeerd kan aandienen als zij deze zaken niet duidelijk en onomwonden uitspreekt. Als eerste voorbeeld van deze trekken noemt hij dan de leer der dubbele predestinatie: verkiezing en verwerping; beide van eeuwigheid (voegt hij er voor alle zekerheid aan toe). Maar - om ons nu maar tot onze drie formulieren te beperken - zou drs. Exalto mij nu eens willen aanwijzen waar de Heidelbergse Catechismus en waar de Ned. Geloofsbelijdenis van 'de verwerping van eeuwigheid' spreken? Het mag aan mijn onkunde liggen, maar hoewel ik de Heidelbergse Catechismus verscheiden malen heb doorgepreekt, heb ik daarin nooit een enkel woord over deze dubbele predestinatie of deze eeuwige verwerping gevonden. Zij spreekt die in ieder geval nergens 'duidelijk en onomwonden uit'. Kan dus ook de Catechismus en óók de Ned. Gel. Bel. zich niet als geref. aandienen? Zij doen het wél. Maar dus geheel ten onrechte, volgens drs. Exalto? Hier klopt iets niet. Of de Catechismus is dus op de keper beschouwd niet zo gereformeerd als wij wel gedacht hebben; óf de beweringen van drs. Exalto dat een belijdenis, waarin 'de verwerping van eeuwigheid' ontbreekt, niet gereformeerd is, zijn niet steekhoudend en bewijzen alleen, dat hij een verengd begrip heeft van wat als gereformeerd mag gelden. Ik houd het voorlopig op het laatste en vraag dan weer of hij dan eigenlijk wel de man is om niet maar eigen theologische opvattingen ten beste te geven, maar ook zulke loodzware confessionele oordelen óver anderen te vellen als hij in het door mij aangevochten artikel doet. 
Wat nu de Proeve aangaat, deze spreekt over de verkiezing van eeuwigheid in onmiskenbare woorden, nogal wat uitvoeriger dan de Catechismus en misschien ook wel wat 'Dordtser' dan deze. In de Catechismus wordt van de gemeente enkel gesproken als 'uitverkoren tot het eeuwige leven'. Of hier de verkiezing van eeuwigheid bedoeld wordt, blijkt niet uit de bewoordingen zelf, al kan men dit wellicht met recht veronderstellen. In de Proeve echter wordt gezegd, dat 'de gemeente door God is uitverkoren vóór de grondlegging der wereld (Eph. 1: 4). Want de enige en onwankelbare grond van haar bestaan is gelegen in Gods raad en welbehagen om in Christus uit de van Hem afgevallen en vervreemde wereld een nieuwe mensheid te formeren en als Zijn volk tot zich te roepen'. Ik cursiveer enkele zinsneden. Drs. Exalto belieft dit dan te noemen: Op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde'. Ik heb een (geringe) hoop dat drs. Exalto, wanneer hij de Proeve er inderdaad 'eens naast legt' zich zal schamen niet alleen voor de denigrerende toon, waarvan hij zich bedient, maar ook voor de volstrekte zakelijke onjuistheid van zijn beweringen. Als dit dan 'de band met het verleden doorsnijden is', dan eindigt voor mij hier iedere discussie.
Ik ontken uiteraard niet, dat in de Proeve niet van een verwerping van eeuwigheid gesproken wordt, evenmin als in de Catechismus en in de Ned. Gel. Bel., al wordt zij in de Proeve niet bestreden. Ik ontken wél, dat de Proeve door zich in dit opzicht dichter bij de Catechismus en de Ned. Gel. Bel. dan bij de Leerregels van Dordt aan te sluiten, minder gereformeerd zou zijn. Het kon wel eens zijn dat zij daarin de oorspronkelijk reformatorische gedachte, die óók aan de Dordtse leerregels ten grondslag ligt, nl. dat de enige en onwankelbare grond van ons heil gelegen is in de vrije en genadige verkiezing van God, beter bewaard heeft dan wat men, op grond van allerlei niet aan de Schrift ontleende redeneringen (onder invloed van remonstrantse probleemstellingen) gemeend heeft in het negatieve eraan toe te moeten voegen. Ik heb in dit verband echter geen behoefte om daarover te strijden. Ik zou alleen willen weten met welke pretentie iemand óns van verloochening van het reformatorisch belijden zou menen te kunnen beschuldigen wanneer wij ons in de Proeve over de verkiezing hebben uitgesproken zoals wij dat deden
Een tweede punt is dan 'de leer van de totale onmacht van de zondaar', zoals drs. Exalto die beschrijft. Ook daarover zegt hij, dat de Proeve daarvan 'op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde heeft'. Welnu, laat ons zien. De Proeve zegt daarvan het volgende:
'. . . Daardoor (nl. doordat de mens zich van God heeft afgekeerd) heeft vanaf het ogenblik dat de mens onder de bekoring van het kwaad is gekomen en in zonde is gevallen, de geschiedenis van het menselijk geslacht een wending genomen in strijd met haar goddelijke bestemming. Want wel is de mens mens gebleven en is hij van zijn menselijke gaven en verantwoordelijkheid niet beroofd, doch in plaats van deze in de ongestoorde gemeenschap met God te mogen bezitten en uitoefenen, heeft deze kwade keuze als moeder van alle kwaad, heerschappij gekregen in zijn leven. In plaats van het ongedeelde hart is de tweespalt gekomen, in plaats van de vrijheid de aanvechting en de slavernij. Ja zozeer heeft de zonde vaste voet gekregen in het hart van de mens en in heel het menselijk geslacht, dat het goede nergens en nooit bestaat zonder het kwade, dat de zonde een macht is geworden, die heel het menselijk leven, individueel en gemeenschappelijk, doortrekt en bepaalt en dat de mens ook wanneer hij de strijd tegen het kwaad en zijn gevolgen wil aanbinden, een vijand ontmoet die hij niet meer kan overwinnen. Daarom geloven wij, dat de mensen, ieder voor zich, maar ook allen te zamen, schuldig staan voor God, niet in staat zichzelf te verlossen en tot hun bestemming te komen; dat ook geen menselijk ideaal, hoe verheven ook, zelfs niet de wet van God zelf daarin kan voorzien, maar dat alleen in de macht van het bloed en van de Geest van Christus de verzoening en de vernieuwing van het menselijk leven is gelegen.'
Als ik het alles overlees denk ik: het had wel wat korter gekund. Maar als ik van drs. Exalto moet lezen, dat van de menselijke onmacht in de Proeve nauwelijks sprake is; dat zonde en genade nog 'wel genoemd worden', maar 'dat al wat zij erover zegt zo mat en zo vlak is'; dat het heil in deze proeve humanistische trekken krijgt en dat men in deze proeve 'niets, zonder meer niets!' vindt wat tegen de humanisering van het Christendom en de secularisering van geloof en leven zou kunnen dienen, maar dat 'integendeel daaraan voet en voedsel wordt gegeven' (men zal het niet geloven, maar het staat er letterlijk), dan vind ik — met het oog gericht op dit lange citaat uit 'de Proeve' — dat drs. Exalto zijn valse beschuldigingen bij de lezers van 'de Waarheidsvriend' (die van de werkelijke proeve natuurlijk nooit één woord onder ogen hebben gekregen en immers ook niet mógen krijgen) behoort terug te nemen; en dan veroorloof ik mij de opmerking dat als 'de Waarheidsvriend' óók t.o.v. de gereformeerden de waarheid zo lief heeft als in haar vaandel is geschreven, het blad thans wel eens mag overwegen wat haar te doen staat.
Intussen is hetgeen ik boven aan onjuistheden in drs. Exalto's art. moet signaleren nog maar een begin. Als het over de verzoening, de autoriteit van de Schrift en over het humanisme gaat en over het doorgang verlenen aan de vrijzinnigheid, staan de zaken zo mogelijk nog schever opgesteld. Ik wil het uithoudingsvermogen van de lezers niet tot het uiterste brengen. Maar de onderste steen zal nu boven komen.
Behalve de leer van de predestinatie en van de totale onmacht van de zondaar noemt drs. Exalto nog enkele andere punten, waaraan zou kunnen worden gedemonstreerd, hoezeer de proeve de band met de reformatorische belijdenis doorsnijdt. Ik wil mij tot twee centrale punten beperken, nl. de leer van de verzoening en die aangaande het gezag van de H. Schrift. 
Volgens drs. Exalto is de proeve bezig de weg vrij te maken voor een van de geref. belijdenis afwijkende leer van de verzoening. Hij zegt, dat zij daarvoor een kweekplaats schept en hij noemt ook de naam en toenaam voor wie dit zou gelden
Zelf omschrijft hij de gereformeerde belijdenis als 'de leer van de verzoening door voldoening, waarbij Christus de toorn Gods tegen de zonde heeft gedragen en de schuld der Zijnen heeft verzoend'. Leg hiernaast de nieuwe proeve en men zal zien: op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde; in de meeste gevallen een totaal zwijgen daarover. Aldus drs. Exalto. Wat is echter de realiteit?
Om te beginnen wordt in de aan de proeve voorafgaande en als commentaar daarop gekwalificeerde 'bezinning' uitvoerig en expliciet over de toorn van God gesproken, als achtergrond van Het Evangelie. Ik citeer uit dit uitvoerige stuk een aantal op ons onderwerp betrekking hebbende passages:
. . . 'in de verkondiging van het heilig Evangelie wordt de liefde Gods in Jezus Christus onthuld, niet als een tolerantie tegenover de zonde (  ), maar als de radicale veroordeling van het kwaad, in welke gestalte het zich moge vertonen. De diepte van het Evangelie — voor zondaren — wordt getekend tegen de achtergrond van de Goddelijke afkeer van de zonde (  ), zichtbaar in zijn oordeel en toorn over alle ongerechtigheid . . . . Hij is waarlijk vér van de goddeloosheid en van het onrecht (Job 34: 10; Ps. 92: 16), te rein van ogen om het kwaad te zien en die het onrecht niet kan aanschouwen (Hab. 1: 13) en die dan ook te allen dage toornt (Ps. 7: 12). Het is de diepte van het Evangelie, dat (  ) in de verschijning van de genade Gods de schuld der zonde niet vervaagde, maar gedragen en weggenomen werd toen God onze schuld op Christus heeft gelegd en Hem in onze plaats tot zonde heeft gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem (2 Cor. 5: 21).'
Tot zover deze 'Bezinning'. En wat de proeve zélf betreft, deze moet niet alleen in het licht van deze 'Bezinning' worden verstaan, maar zij is ook zelf ten aanzien van de belijdenis der verzoening voor geen misverstand vatbaar. Men leze b.v. wat zij belijdt aangaande 'Jezus Christus, Gods Zoon, onze Heer':
'. . . En niet alleen dit, maar Hij heeft tot onze verlossing ook ons schuldig en aan de dood onderworpen bestaan op zich genomen en Zich voor ons overgegeven, toen Hij, in de diepe vernedering van Zijn lijden en sterven aan het kruis, Zich in onze plaats in het gericht van God heeft gesteld, als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt'.
En over 'rechtvaardiging en verzoening' zelf:
'Wij geloven, dat de door Christus aangebrachte verzoening allereerst betrekking heeft op de verhouding van de mens tot God. (  ) Deze verzoening rust zozeer in Gods genade in Christus, dat de Schrift zegt, dat God de goddeloze rechtvaardigt. Want daarmee wordt niet slechts bedoeld, dat wanneer wij ons tot God wenden Hij ons wil aannemen, maar veeleer, dat God, eer wij tot Hem kwamen of tot Hem riepen, in Christus' zoenoffer het vonnis over onze zonden heeft weggedaan en voor ons de toegang tot Zich heeft ontsloten. Daarom kan ook gezegd worden, dat de mens gerechtvaardigd wordt door het geloof alleen, zonder de werken der wet, om uit te drukken dat de verzoening met God niet rust in onze goede werken of in ons berouw, doch alleen in het volbrachte werk van Christus en dat wij daarvan om niet, door het geloof alleen, deelgenoot mogen worden'.
Ik heb hier en daar enkele woorden aangestreept, niet alsof deze Proeve niet beter, niet vromer, niet wervender geschreven zou kunnen zijn, maar wel om een ieder, die enigszins tot oordelen bevoegd is, te vragen of er dan één woord van waar is, dat in deze proeve de band aan de reformatorische belijdenis der verzoening is 'losgelaten' of 'doorgesneden'. Of zij inderdaad bedoeld kan zijn om 'ruimte te scheppen' voor een leer, die ontkent, dat Christus van Godswege met de schuld van onze zonde werd beladen, ja of zij daarvoor een 'kweekplaats' is; of zij 'op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van de gereformeerde belijdenis bevat, maar in de meeste gevallen daarover zwijgt'. Daarop zou nu eigenlijk voor datzelfde brede front, waarvoor deze beschuldigingen zijn gelanceerd, wel een antwoord mogen komen.
Eindelijk - want er moet een einde komen - wat de proeve zegt over de Heilige Schrift. Laat mij nu de zaak eens omkeren en eerst (gedeelten van) de proeve aan het woord laten en daarna afschrijven wat drs. Exalto ervan maakt. De proeve:
'Wij geloven dat God niet alleen in de geschiedenis van Israël op allerlei wijze de wil en de raad van Zijn verlossing heeft geopenbaard, maar dat Hij ons in de Heilige Schriften van het Oude en Nieuwe Testament door de dienst van mensen het getuigenis van deze Zijn openbaring heeft gegeven als de onbedrieglijke en onwankelbare grondslag voor de kerk om daarop haar geloof te bouwen en te bevestigen.
Want God heeft van oude tijden af mensen geroepen en begiftigd door Zijn Geest om door hun woord Zijn Woord op een duidelijke, betrouwbare en gezaghebbende wijze mee te delen en te vertolken en het voor de kerk aller eeuwen te boek te stellen.'
Aldus de proeve. Nu drs. Exalto's presentatie daarvan:
'De Heilige Schrift heet in dit stuk getuigenis van de openbaring (dat staat er zo niet, maar allez! R.). De openbaring zelf zoekt men in de geschiedenis van Israël (ja, maar niet alleen, zie de tweede alinea van de proeve, R.). Wel heet het (sic, alsof men maar niet moet geloven, dat ze het ook menen! R.), dat God mensen geroepen heeft door Zijn Geest en ze met Zijn Geest begiftigd heeft om door hun woord Zijn Woord mee te delen en te boek te stellen — doch zo'n uitdrukking kan toch niet verhullen, dat dus de Schrift zelf aan de openbaring Gods onttrokken wordt. De Schrift is volgens deze Proeve eigenlijk niet meer dan een woord van mensen, die daarin Gods Woord vertolken.'
Aldus drs. Exalto. Maar ieder kan nu zien, hoe hij ook hier de proeve in haar bewoordingen en bedoeling maltraiteert. Hoe kan hij zeggen, dat dus de Schrift zelf aan de openbaring Gods onttrokken wordt, als in iedere zin God het onderwerp is van de totstandkoming van de Schrift:
'Hij heeft ons die gegeven als onbedriegelijke en onwankelbare grondslag. Hij heeft mensen geroepen en begiftigd om Zijn Woord op een duidelijke, betrouwbare en gezaghebbende wijze mee te delen.' Hoe kan dan ondanks dit alles de Schrift zelf toch (zelfs: dus!) aan Gods openbaringswerk onttrokken zijn? De conclusie dat volgens de proeve de Schrift 'eigenlijk niet meer is dan een woord van mensen', is dan ook zo ongegrond als het maar kan. Zij is dat, als men eerlijk en onbevooroordeeld leest, 'eigenlijk' juist wél.
Het requisitoir vervolgt:
'Bovendien haasten de schrijvers van de proeve zich (waarom toch die tendentieuze suggesties, als zouden wij slechts haast gehad hebben om tot het menselijk karakter van de Schrift te komen?) om direct hierop te laten volgen, dat de Schrift niet alleen wat de vorm, maar ook wat de inhoud betreft tijdgebonden is en wordt het Schriftkritisch onderzoek (dat ook in de Geref. Kerken volop aan de gang is) in bescherming genomen en aangeprezen.'
Ja, zo staat het nu in 'de Waarheidsvriend' afgedrukt. Maar in de proeve staat dit:
. . .' wij verwelkomen alle onderzoek en studie van de Schriften, die ons hun plaats en achtergrond in de geschiedenis, hun aard en doel beter leren onderscheiden.'
En dat is natuurlijk wel héél wat anders! Uiteraard ontken ik niet, dat volgens de proeve de inhoud van de Schrift op allerlei wijze mede bepaald is door de omstandigheden en de tijd waarin de bijbelschrijvers leefden. En daar zal wel een verschil liggen tussen drs. Exalto en mij, dat ik niet als tot nu toe enkel aan het boze oog kan toeschrijven, waarmee hij de hele proeve leest en voor zijn lezers interpreteert. Voor drs. Exalto is de inhoud van de Schrift blijkbaar in het geheel niet mee bepaald door de tijd waarin zij geschreven is.
Het is uiteraard niet mogelijk dit probleem hier in het voorbijgaan te behandelen. Ik denk wel, dat drs. Exalto zich vergist, als hij meent, dat voor hem (wellicht? nog wel de vorm, maar niet) de inhoud van de Schrift niet mede bepaald is door de tijd, waarin zij is geschreven. Ik zou hem wel eens willen horen preken over de oudtestamentische wetten, over de zevende dag als rustdag, over de positie en haardracht van de vrouw, over de getallen in de geslachtsregisters, ook in dat van Matth., om nu maar eens enkele dingen te noemen. Maar ik wil niet suggereren dat hij en ik de Bijbel toch wel precies op dezelfde manier lezen. Ik ontken niet, dat wij hier op een moeilijk punt stuiten, misschien moet men wel zeggen: gevaarlijk punt. Maar de vraag is natuurlijk wel of er binnen een gereformeerde Schriftbeschouwing van zulk een bepaaldheid sprake zou mogen zijn en of daarmee tekort gedaan wordt aan het gezag der Schrift, waarvan de belijdenis zo krachtig getuigt. Voor mijn besef hangt dit af van wat men denkt van het doel waarvoor de Schrift ons is gegeven, van de sleutel van haar uitlegging en van de grond van haar gezag; zaken waarover de proeve zeer expliciet spreekt en drs. Exalto zwijgt. Als hij met inachtneming van deze passages nóg eens over die zg. tijdgebondenheid zou willen nadenken en daarna de krachtige, maar zeer bezonnen taal van de Ned. Geloofsbelijdenis ter vergelijking zou willen aanvoeren, zou hij wellicht tot een andere conclusie komen dan thans. Die conclusie luidt thans:
'Wanneer er in de Proeve tenslotte staat: 'Wij kunnen op geen andere wijze ons geloof in waarheid belijden dan in een eerbiedige onderwerping aan dit Woord en aan dit Woord alleen', dan klinkt ons dat na al wat er tevoren over de Schrift gezegd is als een loze kreet (vetgedrukte van mij, R.) in de oren'.
De proeve daarentegen zegt, nadat zij over het menselijk aandeel in de Schrift gesproken heeft:
'Maar wij verwerpen iedere gedachte, als zou de Schrift, omdat zij aldus door mensen te boek is gesteld, voor ons niet meer het Woord van God zijn. Want de kennis van de ware God komt in haar verlichtende en verlossende werking daarin zo klaar en krachtig tot ons, dat de Schrift geen ander getuigenis behoeft van door God zelf ons te zijn gegeven dan hetgeen zij daarvan in zich zelf bevat. En wij zijn daarvan te meer overtuigd omdat Christus zelf ons aldus de Schriften als het Woord Gods heeft leren verstaan en ontvangen, enz.'
'Loze kreten!' zegt drs. Exalto. Wat kan ik daarop antwoorden? Hier kom ik in de situatie, waarvan ik in het begin gezegd heb, dat ze mij tegen de borst stuit: het tegen elkaar opbieden, wie toch wel het meest Schrift-gelovig etc. etc. is.
Ik zal er niet aan beginnen. Schriftgelovigheid bestaat niet in woorden, maar in kracht. Dat zal ook drs. Exalto met zijn uitspraak wel bedoelen. Maar daarom zal hij, als hij ons ónze eerbied voor de Bijbel wil betwisten en ons de zijne als zoveel beter en echter wil aanprijzen, alvorens ons daarvan te overtuigen, toch eerst onze stukken wat beter moeten lezen en daarvan een wat waarheids-getrouwer getuigenis moeten geven. De kenmerken van het grote liggen nl. meestal in het kleine. En het kenmerk van de waarheid daarin, dat zij nauw(keurig) luistert alvorens haar stem op de straten te verheffen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Prof. H. N. Ridderbos reageert op  kritiek op de Proeve van belijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's