Waarlijk
'de Heere is waarlijk opgestaan'. Lucas 24 vs. 34
Paasavond. Twee mannen zijn op de terugweg van Emmaüs naar Jeruzalem. O nee, dat waren ze helemaal niet van plan geweest, maar nu reppen zich hun voeten, omdat het hart er hen toe dringt. Ze hadden Christus ontmoet. Hij was met hen mee gewandeld. Samen hadden ze de maaltijd gebruikt en wat reeds schemerde werd toen zonneklaar tot zekerheid: het is de Heere. De brandende harten hadden nog blinde ogen, nu worden die geopend en de vlam van de vreugde laait hoog op. Ze gaan terug, vanavond nog, om de vrienden deelgenoot van die vreugde te maken, om hen te vertellen, dat ze Jezus zijn tegengekomen levend en wel.
Verrassend is de ontvangst. Vóór zij de gelegenheid krijgen hun verhaal te doen, ruist de groet van de tekst hen tegen: De Heere is waarlijk opgestaan. De paasgroet, die sindsdien in de samenkomsten van de gemeente gewisseld wordt. De Heere is opgestaan! Hij is waarlijk opgestaan. De dood is verslonden tot overwinning.
De dood. Een hard woord, de werkelijkheid is nog wreder en ieder komt ermee in aanraking. Nee, niet de goede dood. Nooit en nergens verlost de dood ons, steeds moeten wij van de dood verlost worden. Soms zeggen de mensen: het leven is eruit en ze bedoelen dan dat de laatste adem werd uitgeblazen. Ach, het leven is er al lang uit, wij liggen middenin de dood. Want de bezoldiging der zonde, is de dood; u weet het wel. Er is sprake van de macht die de dood over ons heeft en het recht dat de dood op ons heeft, en het een is zo vreselijk als het ander.
Die vreselijke, die diep ingrijpende dood is Jezus gestorven. Hij heette Jezus; Hij verlost van de zonde en van de dood. Hij kon niet buiten het machtsgebied en het rechtsgebied van de dood blijven. Daar vond Hij hen, die Hij wilde redden. En zodoende kwam Hij binnen het bereik van de dood. Dat is het ontzettende van de dood van Christus: de dood heerst over Hem! Is Zijn zending dan mislukt?
Hoort het tot uw verwondering: De Heere is opgestaan. De dood kan het niet tegenspreken, hij moest Hem loslaten, laten gaan! De grote kracht van God is werkzaam geworden; daar was de dood niet tegen opgewassen, dus moest hij het onderspit delven. Opgewekt, opgestaan. Gód zegevierde over de dood. De Heere overmeesterde de dood. Het leven lag onder het beslag van de dood; Hij haalde het eronder vandaan. Het eeuwige leven bracht Hij aan het licht. Opgestaan. Het licht is opgegaan, het paaslicht.
Zo'n getuigenis ontdoet de dood van haar laatste ernst. Wij moeten laatste ernst maken met de Heere Jezus! U kunt niet beweren: Er is iemand opgestaan, en dus loopt het zo'n vaart niet met de macht van de dood. De Héére is opgestaan. Zonder Hem bent u aan de dood vervallen. Wie is Hij voor u? Dat is beslissend voor leven en dood. Uw Heere, die gestorven is om uw zonden, Die zich u zo tot eigendom maakte. Wat van Hem is, neemt Hij mee, al moet Hij het uit de klauwen van de dood rukken. Maria klaagde: ze hebben mijn Heere weggenomen. Het leven van mijn leven. Als dat waar is, dan . . . Maar het is niet waar! De Heere is opgestaan. Er was voor de dood, en voor de duivel, die het geweld des doods heeft, geen houden aan. Dan richt de wereld met al haar moorden, de dood met al zijn doden, de duivel met al zijn vondsten niets meer tegen hen uit, die des Heeren zijn. Verheugt u in die Heere. Het leven is kwijt, het is voor eeuwig kwijt. Wie het in Hem en bij Hem zoekt, krijgt het terug. Leven voor leven, dood voor dood. Pasen. De Heere is opgestaan. Die groet daagt de dood uit. Voor die groet deinst de dood terug.
Nu heeft de dood geen trouwer bondgenoot dan de twijfel. Als de groet weerklinkt, sterft ze weg in de twijfel. Hoort u het: De Heere is opgestaan, dan wekt dat de twijfel; is het ook niet ongelofelijk? Twijfel is de schaduw die de dood werpt in verstand en hart, velen zitten in de schaduw van de dood, als het Pasen is. Dat bleek op de eerste paasdag. Christus had de dood overwonnen. Maar de twijfel handhaafde zich; de hele dag ging Hij die te lijf. Daarom staat er in de tekst: De Heere is waarlijk opgestaan In dat 'waarlijk' wordt de twijfel bezworen. Eigenlijk staat er: Wel, werkelijk opgestaan is de Heere. Dat roepen de elven en die met hen waren deze twee toe, ze leerden het geloven. Dat ging niet een, twee, drie. Ons levenspatroon is met de dood verweven, het wordt met Pasen uiteengerafeld, de rafels van de twijfel hangen erbij.
Vieren wij Pasen? Er komt zoveel tegenop. Redelijke bedenkingen. Daar is ons leven niet mee gemoeid. Redelijk is nooit doodernstig. Maar de onzekerheid: Leeft Hij? We nemen het aan, maar het doet geen kracht en het draagt geen vrucht. Het wil geloofd worden! Zij verstonden de Schrift nog niet, moet dat niet van menigeen gezegd worden. Het is alsof de Heere gestorven is en begraven. Hij was het, maar . . . Geen teken van leven is er te bespeuren. Ik voel mij zo verlaten en verloren, alles is zo doods. U schuwt het licht van het Woord, want wat u wordt toegevoegd: De Heere is opgestaan, komt in de kraam van de dood niet te pas, en in de kraam van uw doodsheid. Wij hebben de neiging om de Heere mee te nemen in onze dood. Als wij het zijn, is Hij het ook. Maar Hij wil ons meenemen in Zijn dood, opdat wij een opstandingsleven zouden kennen! Dat is de paasgroet: Waarlijk. Daarin is met uw twijfel gerekend en er wordt mee afgerekend.
De Heere verandert de doodschaduw in de ochtendstond. Hij weet weg met die hardnekkige twijfel. Hij geeft zich alle moeite om zich levend te vertonen, aan allen die van hoop beroofd, niet zonder liefde zijn. Hij zoekt ze op. Hij wekt ze op. En Hij doet dat heden door Zijn Woord. Door de prediking, door het gesprek, door zo'n enkel woord: waarlijk! Verzekerd van de waarheid belijden we die dwars tegen alles in. Dit waarlijk is niet lichtvaardig, het is echt gemeend. Het wordt ons als een hart onder de riem gestoken. Geen krachttermen doen het, maar de kracht van het Woord, die door de Geest gebruikt wordt. Goed is het, dat men elkaar groet, bemoedigend is het, en tintelend van leven. Laat het u niet verdrieten. Dat kan. We worden wat wrevelig als anderen zo overtuigd zijn, en wij het niet geloven, niet geloven kunnen, niet geloven willen.
Zegt niet: ze hebben makkelijk praten. Gaat het maar na: ze hebben 's morgens getwijfeld en 's middags getwijfeld, en telkens dreven de wolken van het ongeloof voor de zon van Pasen. Maar de zon won aan kracht, de wolken werden verdreven, ze losten zich op in het paaslicht: De Heere is waarlijk opgestaan. Bijt u niet vast in de twijfel. Waarlijk! Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ik ben zeer bedrukt geweest, ik zei in mijn haasten: alle mensen zijn leugenaars.
Weinige en nietswaardige dingen vertelt iemand ons; wij geloven hem en vertellen het verder. Hoeveel te meer dan dit waarachtige, dit gewichtige. In dit waarlijk van Pasen ligt al het heil opgesloten. de rechtvaardiging, de heiliging, de volkomen verlossing. Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. En Hij komt die te hulp in deze hartelijke en zakelijke groet: De Heere is waarlijk opgestaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's