De prediking
Bevindelijk preken 3
Na de Bijbelse verkenning ten aanzien van het woord bevinding en een uiteenzetting over wat moeten worden verstaan onder bevindelijk preken, komen we tenslotte tot een afronding van het geheel. Enkele practische dingen komen daarbij aan de orde. Vooraf echter nog enkele opmerkingen uit een artikel van prof. dr. A.A. van Ruler, dat hij in 1950 schreef in Kerk en Theologie over de bevinding.
Van Ruler en de bevinding
Hij pleitte daarin voor een positieve waardering en inschakeling van wat de Gere formeerde Bond ca. wil in de Nederlandse Hervormde Kerk.
De allerbeste elementen van de Reformatie en van de geestelijke traditie van de Nederlandse Kerk leven, naar het oordeel van Van Ruler, voort in deze gemeenten en groepen, zij het vaak wanhopig bedolven onder partij fanatisme, kortzichtigheid en cultuurschuwheid en verwringing van de waarheid. Alles in de kerken, alles in de theologie zal een bevindelijke gloed moeten hebben.
Bij Calvijn, schreef Van Ruler, valt het reeds meteen op, dat het christologische en pneumatologische gezichtspunt (de leer van Christus en van de heilige Geest) als twee scharnieren zijn, waarop de deur van zijn theologie draait. Bij de reformatie voltrekt zich het eigenlijke van Gods heilshandelen in Christus en door de Geest; de prediking en de sacramenten staan daar ten volle in; maar het hart doet er even wezenlijk in mee: de beslissing tussen God en de mens valt op Golgotha en in het laatste oordeel, in de preek (praedestinatie-uitverkiezing) en in de sacramenten (het verbond, maar ook in het hart en in het (dagelijkse) leven.
Van Ruler noemt in dit artikel de Nadere Reformatie daarom meer dan een reactie tegen de verstandelijke verstarring der Hervorming. Het gaat niet alleen om de leer, maar netzogoed om het leven, het hart. Als kenmerken voor de gereformeerde bevinding noemt Van Ruler dan onder meer:
a) het respect voor de historische daden Gods in Christus Jezus. In de gereformeerde mystiek moet men de Middelaar en Zijn werk nodig krijgen. Men moet Hem en Zijn verdiensten gaan zien. Men moet gelijktijdig met Golgotha worden. De Synode van Dordt heeft dat scherp gezien.
b) Er is altijd het 'tegenover' in de heilsbeleving. Men kan volgens de gereformeerde bevinding God niet in het diepste van zichzelf vinden. Men moet bekeerd, wedergeboren worden. De genade van God komt niet gelijk in de oud-katholieke mystiek langs allerlei bemiddeling naar beneden druppelen tot in de laagste treden van het zijn, maar zij wordt door Godzelf, nl. door God de heilige Geest opgericht en verheerlijkt in het hart en leven van een mens.
c) Er is een grote voorliefde voor het Oude Testament. De klachten en kreten (van schrik en verrukking) van de Oud-Testamentische profeten en psalmisten zijn zeer belangrijk. Men heeft voorkeur voor het zingen van de psalmen.
Dit mystieke in het historisch Calvinisme staat volgens Van Ruler niet in tegenstelling tot de activistische lijn. De bevindelijkheid en de politiek-culturele activiteit zijn ten hoogste de twee polen van het gereformeerde leven; zij behoren echter noodzakelijk bij elkaar.
Van Ruler gaat dan nog wat door op de gedachte, dat in de gereformeerde bevinding God en mens elkaar eigen worden. Dat geschiedt nooit geheel. Een mens moet zichzelf steeds meer leren kennen in zijn diepe en totale verdorvenheid. Er is de verwondering en ontroering in 'het uur der minne', als God Zich over die zondaar ontfermt, maar gewoonlijk brengen wij onze jaren en dagen door in geestelijke dorheid en in doodsheid onzer ziel, opdat wij het geloof zouden leren en in alle eenvoud er alleen maar zouden zijn. Maar inmiddels wordt toch (en dat is het volstrekt ondoorgrondelijke) de zondaar in de gereformeerde bevinding in zijn bestaan op de drieënige God geworpen. Dat gebeurt in de prediking en sacramenten, maar het gebeurt ook heel persoonlijk door de heilige Geest. De vastheid daarvan ligt in de Raad Gods. De zekerheid ervan ligt alleen in de (door Gods Geest gewekte en geschonken) conscientie.
Hoewel men een verkeerde kant op kan met de zogenaamde kenmerken (men moet geen grond maken van zijn bevindingen), gaat het in dit alles toch niet om de subjectiviteit op zichzelf. De mens moet juist van zichzelf bevrijd worden. Het moet met hem een afgesneden zaak worden. Dan leert hij zichzelf opgeven, zodat alle zelfhandhaving in deugd, in orthodoxie, in bevinding radicaal doorbroken wordt. En zo wordt hij op God geworpen. Daarmee is een complete worsteling gegeven. Voordat de mens inderdaad God Zelf nodig gaat krijgen en Zijn genade! Wanneer men alleen maar zegt: 'Geloof het Evangelie!' Of: 'Vertrouw op de Heere!' Of: 'Neem Gods beloften aan!' dan is dat natuurlijk een zuivere prediking en zeer bepaaldelijk de enige zuivere prediking, maar als deze prediking nu inderdaad het levende, levenwekkende Woord van God tot en in de mens wordt, dan gaat de grote worsteling om de verbrijzeling van het harde hart pas goed beginnen. De bevinding is de worsteling van de mens met het oordeel Gods, dat schiftend en scheidend door het hele bestaan zijner werkelijkheid heen gaat. Dat alles is een hoogst actuele zaak in onze moderne wereld. Hoe zal de kerk ooit tot de moderne mens, beheerst als deze is door 't existentialistische en psychoanalytische 't evangelie kunnen verkondigen, wanneer zij niet de echte en volle bevindelijkheid terugvindt en dat zo, dat deze haar gehele bestaan gaat doortrekken? Van Ruler wijst er daarom tenslotte op dat in de zuiverste vormen van de gereformeerde bevinding altijd ook sterk de nadruk gelegd is op de reformatie van de zeden, niet alleen van het hart.
De gereformeerde bevindelijkheid moet gestalte krijgen in het aardse leven, waarin God gediend wordt, tot in 't staatkundige toe. Later zijn deze nationaal-politieke uitzichten der gereformeerde bevinding zeer wazig geworden. Zoals bij Rome Godzelf opgesloten zit in de kerk, zo dreigde het gevaar, dat onder ons God werd opgesloten in het christelijk hart. Terzake van de kerk werden in de negentiende eeuw de consekwenties daarvan getrokken in de Afscheiding; terzake van het persoonlijke leven en de maatschappij in het Réveil; en terzake van de cultuur en de staat in de Doleantie en het neo-calvinisme. Toch is gelukkig de puriteinse geest er ook nog, waarin men de dingen van het leven tot in de finesses op het bevel van God betrekt. Van Ruler verwijst dan naar de wat hij noemt gestolde vreugde van het puriteinse leven op de Veluwe. Men heeft er bij dagen en nachten een permanent innerlijk vermaak over de Heere, Zijn heil en rechten, Zijn goedheid en heerlijkheid; men weet alleen, dat het Wezen Gods in Zijn overvloed nooit tenvolle is uit te drukken in enige vorm van het mens-zijn; daarom neemt men de meest eenvoudige vorm, die van de burgerlijkheid, leeft in geestelijke armoede en in een honger en dorst naar de gerechtigheid en is dusdoende zalig.
Gevaren en uitzichten van de bevindelijke prediking.
Om het vele behartigenswaardige, dat in het artikel van wijlen prof. Van Ruler gezegd is, meende ik er goed aan te doen, de hoofdgedachten daaruit weer te geven. Dat wil niet zeggen, dat ik niet mijn bedenkingen overhoud. Ik weet bv. niet, wat ik me precies moet voorstellen bij partij fanatisme, waaraan de Gereform. Bond zich vaak schuldig maakt. Dat zullen anderen me wel kunnen uitleggen, denk ik. En ik weet ook, dat zoiets bestaat. Maar ik ervaar ook nog wel eens, dat dit woord te pas en te onpas gebruikt wordt, bv. wanneer in onze kerk door de gereformeerde richting met klem een pleidooi gevoerd wordt voor een prediking, waarin 't hart op een Bijbelse manier meedoet. Als het erop aankomt, is dat geen kwestie van: zo kan het ook. Als het erop aankomt is er sprake van 'n goed Bijbels recht en een Bijbelse noodzaak om bevindelijk te preken. Daarom houd ik ook niet van het woord experiment, dat Van Ruler op een gegeven ogenblik gebruikt ten aanzien van de Nadere Reformatie. En zo zou er nog wel het een en ander te noemen zijn. De lijn van de bevinding naar de cultuur bv. is vanwege de doorzuring van de schepping door de zonde in sterker mate een breuklijn dan we soms zouden denken, als we de gedachten van prof. Van Ruler op ons laten inwerken.
Inmiddels ligt hier toch wel een gevarenzone bij de bevindelijke prediking. Uit het overzicht, dat we voor ons kregen over het woord bevinding in het Nieuwe Testament is ons gebleken, dat de bevinding inderdaad te maken heeft met heel de breedte van het leven. Het bevindelijke leven maakt zich waar in de stroom van het lijden, van aanvechtingen van satan, van strijd tegen dwaalleer. Daar wordt een proeve van Christus gegeven. Daar zal het moeten blijken, wie beproefd is in Hem. Als wij in de worsteling met God als een 'afgesnedene' op God geworpen zijn, dan heeft Hij het voortaan ook alleen voor het zeggen in de pracktijk van ons dagelijks leven. Dan zullen wij 't Hem welbehaaglijke, toetsend en beproevend, moeten uitkiezen elke dag weer. Daarom moet een pleidooi voor een bevindelijke prediking ook tegelijk een pleidooi zijn voor een prediking, waarin gewezen wordt op de gevaren van de geest van onze tijd en waarin Gods kind als het ware bij de hand genomen wordt om zijn weg te vinden in zijn dagelijkse handel en wandel, in een praktijk van godzaligheid. Het gaat er tenslotte om, dat God aan Zijn eer komt in ons leven. In de bevinding wordt de victorie Gods gevierd over de machten der duisternis. Dat betekent, dat Gods kind in de wereld mag staan met de volle overtuiging, dat er geen terrein is, waarvan Christus niet kan zeggen: Het is van Mij. Maar 't betekent ook, dat de Christen critisch in om niet te zeggen haaks op de wereld staat. De overwinnaar Jacob ging na Pniël kreupel door 't leven. En hij bleef een vreemdeling in het land der belofte. Mij dunkt, dat een bevindelijke preek daarop ook altijd weer de nadruk moet leggen. 'Ik heb God gezien van Aangezicht tot Aangezicht en mijn ziel is gered geweest'. Dat is het hart der bevinding. Maar het 'beproeft alle dingen; behoudt het goede', dat is de gestalte van de bevinding. Het gaat erom, dat God Zijn eer uit Zijn schepping terugkrijgt. Daarom moet o.a. ook de catechismuspreek, die handelt over de tien geboden (het stuk der dankbaarheid) een bevindelijke preek kunnen heten.
Wel zeg ik dat alles onder het eerder genoemde voorbehoud, het voorbehoud van het laatste oordeel, dat dreigend nadert, zeker in onze tijd. Een bevindelijke preek en een optimistische humanistische mens- en wereldbeschouwing verdragen elkaar nooit. Alles hier op aarde draagt het karakter van de voorlopigheid. Wij zijn er nog niet. Wij moeten veel eer door veel verdrukkingen het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Bevinding betekent lijden. Het betekent op God wachten. Daarom kent een bevindelijke preek het woord revolutie niet. Met de bevinding komt men, als 't goed is, midden in de kerk en midden in de wereld te staan. Maar we staan er wel als vreemdelingen op de aarde. En het is mede een stuk van het lijden, dat we daarom ook altijd, helaas vaak ook in de kerk, als vreemdelingen worden behandeld. Dat is dan ook de reden, waarom de hunkering en het heimwee naar de laatste dag één van de meest wezenlijke kenmerken van de bevindelijke prediking is: 'Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods in Jezus Christus, onze Heere (N.G.B., art. 37).
Wageningen C. den Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's