Uit de pers
Naar aanleiding van de verkiezingen
Hoewel ons blad geen politiek orgaan is en deze rubriek zich met name richt op de kerkelijke pers, willen we in deze aflevering toch een gedeelte overnemen van een artikel dat zich bezighoudt met de uitslag van de verkiezingen voor de Provinciale Staten enkele weken geleden. Immers in het politiek bestel van ons land tellen we partijen die van een confessionele basis willen uitgaan. Partijen die bij alle verschil van inzicht ergens Evangelie en politiek willen verbinden, al zal de ene partij gemakkelijker spreken van christelijke politiek dan de andere, en al zijn er binnen die partijen ook stemmen die de band tussen christelijk geloof en politiek vrijwel losmaken en hooguit aan het Evangelie wat inspiratie voor hun handelen willen ontlenen. Prof. Veenhof uit Kampen wijst er in Opbouw van 5 april op dat de verkiezingsuitslag van 1974 laat zien, dat die partijen die uitspreken dat zij in de politiek met het Woord van God willen rekenen weer zijn achteruitgegaan, in vergelijking met de Statenverkiezingen van 1970 meer dan 10%. Veenhof gaat in zijn artikel allereerst in op ontwikkelingen binnen de KVP en de ARP.
Vlak voor de verkiezingen verklaarde nota bene de voorzitter van de KVP, De Zeeuw, dat voor de televisie nog nadrukkelijk. Als trouw partijlid volgde hij wel de gedragslijn van de meerderheid van de partij die onder de enthousiaste leiding van prof. Steenkamp een CDA wil die als geheel door het Evangelie wordt 'geïnspireerd'. Maar persoonlijk prefereerde hij een 'open volkspartij' 'in het midden'.
De Nijmeegse hoogleraar Duynstee schreef over de situatie in het KVP-blad het volgende: 'Wat de KVP betreft, deze blijft te veel verdeeld over de te volgen koers: prevaleert de samenwerking met de PvdA of prevaleert de christen-democratische samenleving?
De voorzitter van de KVP, de heer De Zeeuw, heeft in zijn optreden voor de televisie jongstleden zaterdag na de partijraadsvergadering van zijn partij voor het eerste gekozen en bovendien de kracht van het christen-democratisch appèl ongeloofwaardig gemaakt. Binnen de KVP zijn duidelijke tegenkrachten, maar door de KVP te stemmen weten deze kiezers niet of zij stemmen voor de richting De Zeeuw dan wel voor de richting Steenkamp-Andriessen.'
En hoe staat het in dit opzicht met de ARP? Deze partij werd onder de invloed van Groen van Prinsterer gekenmerkt o.a. door twee dingen. Wat het religieuze uitgangspunt betreft gold met grote kracht: In ons isolement, d.i. in onze zelfstandigheid, in onze beginselvastheid, ligt onze kracht. Maar wat de concrete politieke desiderata betreft zijn we bereid tot samenwerking met iedere democratische partij waarmee dat mogelijk is. Wat dat laatste betreft gold het: het is lood om oud ijzer. Ik ben, zo schreef Groen eens, wat de beginselen betreft volstrekt exclusief, omdat ik anders geabsorbeerd wordt. Maar voorts werk ik graag samen met de conservatieven in het behouden van alles wat waarlijk goed is en met de progressieven in alles wat werkelijk vooruitgang betekent.
Op schitterende wijze bleek dat b.v. bij de grondwetsherziening van 1848. Radicaal wees hij de beginselen af van Thorbecke en de zijnen die deze grondswetsherziening tot stand brachten. En Groen kritiseerde niet minder de wijze waarop deze herziening tot stand kwam. Want ook die was naar zijn overtuiging revolutionair. Maar de concrete veranderingen die door deze grondwetsherziening tot stand werden gebracht aanvaardde hij. Hij sprak met het oog daarop zelfs van een hervorming die daardoor in het staatsleven was gerealiseerd.
Ten gevolge van deze stand van zaken had men in de ARP steeds een meer 'conservatieve' vleugel — men denke aan Fabius en zijn geestverwanten. En dan ook een meer 'progressieve'. Een vooraanstaande figuur daarvan was b.v. Talma. Kuyper sprak met het oog daarop van een 'droite' en een 'gauche'. Maar het gemeenschappelijk beginsel hield allen samen. En leidde, soms na veel moeite, tot één beleid en tot cordiale samenwerking.
De vraag komt nu op, is deze situatie er in de ARP nog? De stijlloze gang van zaken bij de laatste kabinetsformatie maakt dit dubieus! Het heeft er alle schijn van dat vele 'principiële' anti-revolutionairen nu óf voor de CHU, óf voor de SGP, óf voor het GPV hebben gestemd. En zij die de band aan de beginselen minder belangrijk achtten, voor zover ze 'progressief' waren, voor de PPR en de PvdA.
In een televisie-uitzending werd meegedeeld, dat van de leden der Geref. Kerken 56% op de CDA had gestemd, 8% op de PvdA, 6% op de PPR en 11% op de VVD.
Interessant is in dit opzicht de verkiezingsuitslag in de gemeente Bunschoten. Er was een tijd dat in die gemeente 90% van de kiezers a.-r. stemden. Het was een 'bolwerk' van die partij. Biesheuvel begon er in 1972 zijn verkiezingscampagne! Nu stemde slechts 23% van de kiezers op de ARP — in 1972 40, 4% ! De CHU klom er van 1, 5 tot 4, 9%. Het GPV ging met 0, 9% achteruit. De SGP met eenzelfde percentage vooruit. Maar de PKU (PvdA, D66, PPR) klom van 6, 7% tot 9, 9%. En de VVD zelfs van 6, 4% tot 14, 6%.
Eenzelfde beeld vertoonde Urk. De ARP daalde van 46, 8 tot 35, 2%. De CHU klom van 7, 1 tot 18, 3%. De SGP en het GPV gingen eveneens, al was het maar resp. 0, 9% en 1, 2% vooruit. De PvdA en de VVD tellen daar nauwelijks mee.
Destijds schreef Van Niftrik al dat het de-confessionaliseringsproces niet alleen beïnvloed wordt door invloeden van buitenaf, vanuit de wereld, maar ook veroorzaakt wordt door de weifelende en onvaste houding van velen binnen de christelijke partijen. 'De deconfessionalisering der zg. confessionele partijen bestaat hierin, dat zij het Woord Gods, het Evangelie, de Openbaring gedegradeerd hebben tot een inspiratiebron voor een politiek, die nooit meer spreekt over de 'ere Gods', maar alleen en uitsluitend over de belangen en de rechten der mensen.' En ook: 'De christelijke partijen zullen pas weer interessant worden, wanneer zij zonder schaamte weer echt confessioneel zijn en handelen en dus wat wereldvreemder worden, dan zij op het ogenblik zijn, nu zij zich beijveren om iedereen duidelijk te maken dat zij ook gewone politiek bedrijven' (Van Niftrik, Kroniek in Kerk en Theologie, juli 1971). Ik meen dat hij gelijk heeft en dat zijn woorden ook voor 1974 van toepassing zijn. Wij zien enerzijds een heilloze verbrokkeling en een verkerkelijking (GPV) die we afkeuren, anderzijds een wazig-worden van beginselen dat voor niemand interessant is. Wat betekent de C in de CDA? En velen hebben bovendien hun keus voor radicaal-links al gemaakt.
Het meest spectaculair — en verontrustend! — waren de uitslagen in de Uilenstede. Dat is het studentenwooncentrum in Amsterdam, waarin ongeveer tweeduizend studenten van de V.U., plm. achthonderd van de Stedelijke Universiteit en driehonderd leerling-verpleegkundigen van de School voor Verpleegkundigen van de V.U.-school voor Verpleegkundigen wonen. Van de kiezers uit dit centrum stemde 19, 3% op de PvdA, 31% op de PPR, 15, 2% op de PSP (in heel het land behaalde deze partij 1, 1%), 6, 2% op de CPN en 3, 2% op D 66. Het CDA kreeg 10, 8%. Dat wil zeggen van al deze studenten stemde slechts ongeveer een tiende deel op een christelijke partij! Volgens een analyse kwam de winst voor de PSP vooral uit de kring van de V.U.-studenten. Onder hen ging het aantal van deze stemmers zelfs met 8, 3% vooruit.
Uit deze cijfers blijkt wat wij van de toekomstige intellectuele leiders uit de 'christelijke', de 'gereformeerde' wereld hebben te wachten. Prof. Firet, hoogleraar in de theologie aan de V.U. verklaarde onlangs in een interview dat de toekomstige generatie van de gereformeerde predikanten vooral zal bestaan uit mannen die lid zijn van de PPR en van de VPRO! Het heeft er alle schijn van.
Toen ik deze uitslag las dacht ik aan een woord van Lenin. Die verklaarde eens dat pacifisten, radicalen, anarchisten, salon-revolutionairen, e.d. 'onze nuttige idioten' zijn, omdat ze in het Westen de wereldrevolutie van het communisme op effectieve wijze voorbereiden.
Men vraagt zich na deze verkiezingen met te meer klem af: zal er nog een radicaal-christelijke polemiek in ons land blijven?
Zal het nog komen tot een herleving van de 'antirevolutionaire of christelijk-historische richting', volledig ingesteld op de situatie, de problemen van onze tijd — 'exclusief' als het aankomt op de levende band aan het Woord en bereid tot zakelijke samenwerking met wie ook als het om 'goede' praktische projecten gaat?
Eén ding staat wel vast: Van een 'christelijke' regering, steunend op een 'christelijke' meerderheid in het parlement, zal wel nooit meer sprake zijn.
Het blijkt dat het neo-marxisme velen in zijn ban heeft. Is het niet meer dan nodig dat met name ook onze jeugd wordt voorgelicht op een duidelijke wijze, hoe heilloos deze linkse ideeën zijn en volkomen in strijd met het Evangelie. Er zijn uiteraard boeken genoeg over deze gedachtenwereld. Maar wat we bijzonder nodig hebben zijn geschriften waarin op een ook voor niet-filosofisch geschoolden verstaanbare wijze de gedachtenwereld van mensen als Marx, Marcuse, radicaal-linkse groepen etc. geanalyseerd en kritisch bezien worden vanuit het Evangelie. Opdat ons volk weerbaar gemaakt worde en niet stilzwijgend toezie.
Begrafenismaal of vreugdemaal?
Aldus de titel boven een artikel van dr. C. Bezemer in zijn rubriek Van maand tot maand in het Hervormd Weekblad van 4 april. Bezemer maakt hierin een aantal opmerkingen naar aanleiding van een opmerking over de viering van het Avondmaal in Purmerend.
In Purmerend, waar — zoals ik reeds opmerkte — 'de kindercommunie sinds anderhalf jaar officieel erkend is', is sprake (naar ik in het Persbulletin las) van een veranderde viering en beleving van het Avondmaal, hetgeen de belangrijkste aanleiding was tot deze 'officiële' erkenning. Het accent is, zo wordt opgemerkt, o.a. verlegd van begrafenismaal naar vreugdemaal. Ik moet zeggen, dat deze accentverlegging bij mij wel enkele vragen oproept.
Allereerst deze vraag: Sinds wanneer staat het Avondmaal bekend als begrafenismaal? Ik heb dat nog nooit gehoord. Of het moet zijn, dat men het tot nu toe als zodanig in Purmerend gevierd heeft, maar dat was dan inderdaad fout. Maar met de aanduiding 'begrafenismaal' kan men nog verschillende kanten uit. Wordt er misschien mee bedoeld, dat de mensen — zoals dan gezegd wordt — met begrafenisgezichten aan het Avondmaal gaan? Zo ja, dan is dat sterk overdreven, om niet te zeggen volkomen onjuist. Even onjuist als de nog wel eens op de kerk geuite kritiek, dat de mensen met begrafenisgezichten in de kerk zitten. Een dergelijk spreken over de kerkgang en de kerkgangers acht ik weinig zinvol. Je kunt kwalijk om beurten 'halleluja' lopen roepen en met lachende gezichten aan het Avondmaal gaan.
Er is echter ook de mogelijkheid, dat het woord 'begrafenismaal' bedoeld is als maaltijd, gericht op het lijden en sterven van Christus. Maar van die gedachte wil men blijkbaar af. Het accent moet meer gelegd worden op het 'vreugdemaal'. Er wordt nog aan toegevoegd, dat het accent verlegd moet worden van Goede Vrijdag naar Pasen.
Naar mijn mening een volkomen onjuiste opvatting. Mogelijk dat deze voortkomt uit het feit, dat men (overigens terecht) verband legt tussen het Avondmaal en de joodse Pesach-viering. Of deze Pesachviering in de nacht van de uittocht in alle opzichten een vreugdemaal is geweest, blijft nog de vraag. Maar nog afgezien daarvan moeten we wel bedenken, dat de christelijke gemeente geen Pesach viert, maar Avondmaal, dat wel heel duidelijk betrokken is op het lijden en sterven van Christus. Brood en wijn zijn tekenen en zegelen van 'Zijn gebroken lichaam' en 'Zijn vergoten bloed'. Paulus vermaant de gemeente van Corinthe 'de dood des Heeren te verkondigen totdat Hij komt'. In het Avondmaal wordt niet de opstanding van Christus verkondigd (hoewel Zijn sterven en opstanding niet van elkaar los te maken zijn), maar Zijn dood. Daarom ook is een verschuiving van het Avondmaal van de Goede Vrijdag naar Pasen geheel en al fout.
Opmerkelijk is het, dat men soms de kleinste bijzonderheden 'bijbels' wil argumenteren als het past in het straatje, dat men graag wil lopen. Maar als het gaat om het doorvoeren van 'eigen' en eigentijdse opvattingen, dan is er weinig of geen behoefte meer aan bijbelse argumenten. Christus heeft bepaald geen staande of lopende Avondmaalsviering (wat een term!) ingesteld. Ook geen viering met kaarsen, bloemen en . . . tafelmuziek. En dat alles blijkbaar om er een vreugdemaal van te maken. We moeten ons langzamerhand wel gaan afvragen: Waar gaan we naar toe? Helaas moet ik zeggen, dat op deze wijze de Avondmaalsviering voor mij persoonlijk een goddeloze zaak wordt.
Men mene echter niet, dat ik zou willen ontkennen, dat het element van vreugde ook in de Avondmaalsviering aanwezig moet zijn. Daarom is het ook goed aan Tafel te zingen uit het 'Hallel', zoals oorspronkelijk ook gebeurde. En hoeveel Avondmaalsgangers zullen er niet zijn, die de vreugde van de gemeenschap met Christus in de Avondmaalsviering ervaren?
Daarom: de genoemde accentverschuiving is niet alleen onbijbels (en daarom onjuist en onlogisch), maar ook de wijze van benadering van de Avondmaalsviering, zoals in Purmerend en mogelijk ook in andere gemeenten, is er volkomen naast.
Mijnerzijds de volgende opmerkingen:
a) Steeds weer blijkt hoe bepaalde kreten het goed doen in allerlei kerkelijke kringen. Ook de kreet Begrafenismaal blijkt aan te slaan. Maar terecht is opgemerkt dat men dit nergens in de belijdenis van de kerk terugvindt.
b) Prof. Ridderbos heeft in de Komst van het Koninkrijk in een mooi hoofdstuk over het Avondmaal erop gewezen hoe eenzijdig het is om het eschatologisch aspect te beklemtonen ten koste van de verbinding tussen Avondmaal en kruislijden. Zeker, de verbanden met Pasen en de wederkomst zijn er. De vreugde mag er zijn. Avondmaal is voorsmaak van de bruiloft des Lams. Maar voorsmaak! Wij staan nog in het strijdperk!
c) Ik meen dat zich ook hier een theologia gloriae verraadt die niet bijbels is. De vreugde is immers niet ongebroken. Dat wordt door hen die zo vurig pleiten voor een vreugdemaal vergeten. En bovendien: Waar is hier nog ruimte voor de bijbelse gedachte van de geloofsversterking als zo alles gezet wordt op de kaart van een opgeschroefde en oppervlakkige vreugde.
Persoonlijk heb ik wel de neiging om te zeggen dat in de klassieke formulieren het aspect van de wederkomst wat weinig tot uitdrukking komt (hoewel het niet ontbreekt) maar ook wanneer we dit aspect zijn legitieme plaats geven mogen we toch de betrokkenheid op het kruislijden niet verwaarlozen.
Daarvoor spreekt de Schrift een te duidelijke taal. Wij verkondigen immers aan het Avondmaal de dood des Heeren totdat Hij komt. Ook in de visie op het Avondmaal werkt de opvatting inzake de verzoening en verhassing door. En wat de vreugde betreft, is de bron van die vreugde niet gelegen in Hem, die de vloek op zich genomen heeft om ons met Zijn zegen te vervullen. De gemeenschap met Hem bewerkt vreugde. En deze vreugde is een vrucht van de Geest die verslagen zondaars door Woord en sacrament heenleidt tot de Heere Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's