De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zondag — Gemeente —  Gemeenschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zondag — Gemeente — Gemeenschap

Reacties van lezers

13 minuten leestijd

Op een tweetal onderwerpen, die de afgelopen tijd in ons blad aan de orde werden gesteld, hebben lezers nogal intensief gereageerd. Het betrof het artikel 'Stapje voor stapje', waarin ik inging op het feit dat in de zakagenda's de zondag aan het eind van de week is geplaatst en niet meer 'eerste dag der week' is. En verder het stuk 'Hoe zijn we samen gemeente?' een stuk waarin ik één van de lezers aan het woord liet, die inging op de vraag hoe we in de Hervormde Kerk iets kunnen beleven van het samen gemeente zijn. In het onderstaande geef ik van de reacties op beide onderwerpen iets door.

De agenda
Uit de correspondentie, die ik ontving, blijkt wel hoe allerlei mensen de afgelopen tijd al hebben geprotesteerd bij de uitgeversmaatschappijen van zakagenda's inzake het verschuiven van de zondag naar het eind van de week. Eén van onze predikanten zond mij een antwoord van één van die maatschappijen, waarin gezegd wordt, dat de nieuwe indeling voortvloeit uit de nieuwe officiële Nederlandse norm No. 2772, bevattende een weekindeling beginnend met de maandag overeenkomstig internationale norm.
Een andere lezer wijst er in dat verband op, dat het werken met weeknummers, op commercieel terrein en bij het bedrijfsleven, internationaal gezien wel om bepaalde afspraken vraagt teneinde misverstanden te voorkomen, waarbij 'het logisch gebleken is' de maandag als eerste dag van de (werk)week aan te merken, omdat overal in de wereld de werkweek op maandag begint. Maar duidelijk is — aldus de briefschrijver — 'dat de initiatiefnemers geen rekening hebben gehouden met de christelijke normen'.
Overigens zegt genoemde norm No. 2772 ook, dat 'de norm geldt voor alle gevallen waarin, voor commerciële doeleinden, planning, e.d. een bepaalde week van een jaar van de Gregoriaanse kalender moet worden aangeduid'. Voor commerciële doeleinden dus! Maar men ziet: in onze verzakelijkte en vertechniseerde samenleving wordt een dergelijke norm direct algemeen toegepast. Er is immers nauwelijks een andere norm meer dan een zakelijke, een logische. We mogen ons hier echter geen internationale norm laten opdringen, als deze een niet-christelijke achtergrond heeft. Ook bij dit soort ogenschijnlijk kleine dingen gaat het om de vraag van het recht van de meerderheid óf het recht van de waarheid. In een samenleving, die de sporen van het Evangelie draagt, dient de Bijbel norm te zijn óók voor de weekindeling. En als de meerderheid het dan anders gaat willen, dan moeten we toch maar alles doen wat in ons vermogen ligt om een agenda te behouden, die met de zondag begint.
Te betreuren is — een andere lezer attendeerde daarop — dat ook in het bijbelrooster van het Ned. Bijbel Genootschap (in samenwerking met de Katholieke Bijbel Stichting) voor 1974 de week begint bij de maandag en eindigt bij de zondag en dat daarbij wordt opgemerkt: 'voor de zaterdagen en de zondagen is een psalm aangegeven. Dit in aansluiting bij het veranderende levenspatroon, waarin het weekend meer en meer apart komt te staan'.
Moeten we echter aanpassen aan het veranderende levenspatroon — inclusief het gebruik van het woord weekend — óf moeten we ons laten gezeggen door het Woord? Dat mag zeker wel worden gevraagd aan de bijbelgenootschappen, die uiteindelijk niet anders hebben te doen dan dit Woord door te geven.
Het is overigens verheugend te bemerken, dat menigeen bewust stelling neemt tegen wijzigingen als de onderhavige. Dat móét ook. Als christenen, die bij het Woord willen leven, hun bezwaren tegen verschuivingen als deze niet kenbaar maken, wie moeten het dan doen?
Iemand stelde bij dit alles nog de vraag, of het wel juist is dat christenen de zondag en niet de zaterdag als rustdag hielden. Het vieren van de zondag als rustdag zou pas met het Concilie van Nicea gekomen zijn. Dit punt vraagt een behandeling apart. De briefschrijver is overigens mede verontrust over de verschuiving naar de maandag als eerste dag van de week. Maar het Nieuwe Testament leert dunkt me duidelijk, dat de gemeente op de eerste dag van de week, de dag van de Opstanding, samenkwam rondom het Woord en bij de breking des broods.

Hoe zijn we samen gemeente?
Als gemeente bijeen zijn op de eerste dag van de week! Maar hóé zijn we samen gemeente? Dat is dan het tweede onderwerp. Over dit onderwerp citeer ik enkele brieven uitvoerig. Iemand schrijft, dat we terecht kritiek hebben als in onze 'grote kerk' de zondagse kerkdienst méér en méér vervangen wordt door andere activiteiten. Maar hoe doen we het zelf? Gezegd wordt dan:
de gemeente 'hangt niet 'soms' maar gehéél als los zand aan elkaar. De enige binding is misschien het pepermuntje, dat minzaam tijdens de preek aan de onbekende buurman(vrouw) wordt overhandigd. Voorwaar niet voldoende voedsel voor saamhorigheid in de huidige wereld.'
Toch zijn briefschrijver en ik mede hieraan schuldig, want wij maken deel uit van dat schijnbaar weinig geïnteresseerde kerkvolk. Mogelijk heeft het wel iets met ons karakter te maken, d.w.z. het oer-Nederlandse individualisme, dat inderdaad soms te overdadig door andersdenkenden is verlaten.'
Gesuggereerd wordt door de briefschrijver, dat zaken als deze in gesprekskringen binnen de gemeente wel aan de orde moeten komen. Dat is een goede gedachte, temeer daar een gesprekskring als zodanig gemeenschapsbevorderend werkt.

Hoe zijn we zelf?
Een ander brengt het probleem, dat hier ligt, zó onder woorden:
'Graag wil ik naar vermogen ingaan op het verzoek van onze redacteur om mee te denken met de briefschrijvers die reeds schreven over de vraag hoe we als gemeente leven, vooral in de wat grotere steden. Nu het (aanstaande) 2 april precies zestig jaar geleden is, dat ik werd aangenomen als lidmaat van onze Hervormde Kerk in een middelgrote stad en later tientallen jaren in de hoofdstad woonde, meen ik wel een indruk te hebben van het leven temidden der gemeente, zij het dan uit de aard der zaak een zeer persoonlijke en dus subjectieve.
De schrijver van de brief (schrijfster?) vat de stof samen in de vraag: Leven we wel echt met elkaar mee?
Het is niet zo gemakkelijk, om daar meteen maar met ja of nee op te antwoorden. Toch houd ik, na al die jaren, een gevoel over van kilheid. Maar, bij het ouder worden, ging ik mij hoe langer hoe meer afvragen: was dat wel zo? Hoe kon dat dan zo zijn, en hoe was ik zelf? Met het klimmen der jaren wordt men milder en gaat men inzien, dat er nog andere redenen kunnen zijn dan persoonlijke schroom om zich te uiten of angst door bemoeizucht of loslippigheid na een eens geschonken vertrouwen. Het karakter kan ook een rol spelen. Men kan van huis uit gesloten zijn of wel gemakkelijk zich gevend. Er kan een zondebesef zijn, dat de innerlijke vrede nog in de weg staat en waarvan de littekens nog schrijnen. Ook kan het zijn, en vooral in de grote stad, dat de gemeente bestaat uit mensen, afkomstig uit verschillende streken van ons land, die hun eigen aard meebrengen en dan uit dien hoofde maar moeilijk geaccepteerd worden door een ander. Wie heeft niet ervaren, dat bijvoorbeeld een Groninger zich moeilijker geeft dan een Brabander? Het antwoord kan dan zijn: In Christus is jood noch Griek! Natuurlijk is dat waar! Maar de uitdrukkingswijze van de één verschilt weer zo van die van de ander, dat we ons iedere keer vergissen en denken: had ik het maar weer anders gedaan met mijn poging tot toenadering.'

Hoe vangen we de 'ander' op?
Het slot van deze passage wijst al min of meer in de richting van de vraag hoe de ander, de nieuw ingekomene, ook de vakantieganger in de gemeente wordt opgevangen. Ogenschijnlijk kleine dingen hebben hier toch wel grotere betekenis dan we vaak vermoeden. Het is altijd weer een verkwikkende ervaring als men in den vreemde — of dat nu in eigen land of buitenslands is — de gemeenschap met de gemeente ervaart niet alleen rondom de bediening van het Woord maar ook erna, in gesprekken, in contacten. Iemand schrijft:
'Graag naar aanleiding hiervan een suggestie voor die Bondsgemeenten, die dicht bij vakantiecentra gevestigd zijn (b.v. Veluwe, Twente, Goeree, etc). Bij mijn vorige vacantie in de omgeving van Rijssen overkwam het mij als een plezierige verrassing, dat vanaf de kansel vakantiegasten uitgenodigd werden na de dienst een kopje koffie te drinken. Vele niet hervormde gasten en hervormde leden uit niet bepaald herv.-geref. kringen lieten zich zeer positief uit over deze geste. Waren de dienstdoende dominee en enkele ouderlingen nagebleven dan was het effect m.i. nog groter geweest, in ieder geval verdient dit grote hulde. Hiermee in tegenstelling maakte ik diensten mee, waar gasten eerst moesten wachten op het 'lichtje' alvorens plaats te nemen. Na de dienst ging ieder zijns weegs. Rijssens voorbeeld verdient m.i. navolging. Het kan een zekere waardering geven voor ons gereformeerd beginsel en een bemoediging voor de leden uit de 'verstrooiing'.

Ook in de wéék
Maar de gemeente is er niet alleen 's zondags, ze is er ook in de week. En hoe is er dan nog de band? Iemand schreef naar aanleiding van de brief, die ik overnam in het nummer van 7 maart:
'De vragen, die in deze brief gesteld worden, zijn ook de mijne. Zoals uit deze brief blijkt komen zij voort uit de zegen, ontvangen in de kerk onder de bediening van het Woord. De kernvraag is: Hoe krijgt ook een ander hier deel aan. Hoe bereik ik die ander, die zieke, die bejaarde die niet meer naar de kerk kan, die jongeren, de buitenkerkelijken. Die vraag wordt klemmend in een grote stadsgemeente, waar je, in tegenstelling tot een gemeente in een dorp, elkaar zo weinig kent.
Het probleem van de wijkgemeente speelt hier ook een rol. Je gaat ter kerk bij de dominee, die het Woord bedient, maar je valt eigenlijk buiten zijn pastorale zorg, want je woont buiten zijn wijk. Je doet mee in het kerkewerk maar dat gebeurt dan buiten je eigen wijk. Van de kerkeraad, bestaande uit 16 ouderlingen en diakenen, wonen er slechts 4 in de wijk. 's Zondags heeft iedere predikant zijn eigen mensen uit alle wijkgemeenten. Dat varieert van een stuk of wat mensen in een kerk tot een kerk vol mensen.
Voor het pastorale werk gelden de wijkgrenzen. Voor mensen, die overgekomen zijn uit een kleiner kerkgenootschap, is dit een moeilijke zaak. Ze zijn gewend ouderlingen op huisbezoek te krijgen en verwachten dan ouderlingen van Geref. Bondsrichting, maar deze mensen zijn gebonden aan de wijk en hebben hun handen vol met het bezoeken van mensen in de eigen wijkgemeente.
Het samen gemeente zijn komt dus in de eerste plaats tot uiting in het 's zondags bij elkaar komen in de kerk, waar het Woord bediend wordt. Wat dat inhoudt, bediening van het Woord, geeft prof. Graafland prachtig weer in Gewoon Hervormd. We kunnen niet buiten deze Woordverkondiging. Wat een zegen als we een predikant mogen hebben die dit doet. Wat een zegen ook als onze oren open zijn gegaan voor dit Woord. Dan is er al een band. Daarom acht ik het ook beter dat de predikant zoveel mogelijk in eigen gemeente preekt. Zo wordt de gemeente gebouwd (b.v. één zondag per maand preken in een vacante gemeente).
     * * *
Het bij elkaar komen in kringen is óók een vorm van het samen gemeente zijn. Wij hebben alleen een bijbelkring, waar we met elkaar een hoofdstuk uit de Bijbel bespreken. Je leert elkaar daar nader kennen. Aangezien het heel moeilijk is in de week de mensen bij elkaar te krijgen betwijfel ik of dit uitgebreid zou kunnen worden met een kring, waar over de preek of over het Heilige Avondmaal gesproken zou worden. Hadden de gezelschapsmensen meer tijd of meer behoefte hiertoe? Hoe bereiken we de bejaarden? Ze zijn in onze oude stadswijk rijk vertegenwoordigd. De dominee is zeer trouw in het bezoeken van de zieken onder hen. Verder is er een ouderling aangesteld die speciaal de zorg voor deze mensen heeft. Er is gelegenheid via kerkteletoon of bandrecorder de kerkdienst mee te maken. Verder zijn er dames die hen bezoeken. Deze dames organiseren met de dominee de bejaardenmaaltijden die met Kerst en Pasen worden gehouden. De predikant houdt de meditatie, er wordt veel gezongen, een verhaal verteld of dia's vertoond. Op deze manier worden veel bejaarden bereikt die van de kerk vervreemd zijn.
Hoe wordt de jeugd bereikt? Eenmaal per maand op zondagavond worden de jongeren uitgenodigd aan de pastorie voor een preekbespreking. Ongeveer 40 jongeren bezoeken deze avonden. Het ongedwongen bij elkaar zijn (met huiselijke sfeer) valt blijkbaar meer in de smaak dan het georganiseerde verenigingsleven. (Ik neem aan dat de briefschrijfster dit niet als tegenstellingen bedoelt, v. d. G.). Een van de meisjes, zelf verpleegster geweest, gaat verpleegsters die op kamers wonen bezoeken.
Het is, dacht ik, een goede zaak de jeugd bij het werk te betrekken. Ze willen graag wat doen. Dit is zo het werk binnen de gemeente, waarnaar volgens mij in de eerste plaats onze aandacht moet uitgaan. Er zijn al zoveel mensen buitenkerkelijk geworden door of mede door onvoldoende pastorale zorg.
Dan de randkerkelijken. Predikant en kerkeraad bezoeken alle gemeenteleden, dus ook de randkerkelijken. Die zijn er zeer veel in onze stad. Wil dit werk goed gebeuren dan zou een evangelist nodig zijn, bijgestaan door gemeenteleden die hiertoe bekwaam zijn. Graag zou ik weer mensen hierover horen die op dit punt ervaring hebben.'

Betrokkenheid
Ik meen dat er in deze brieven tal van waardevolle wenken en opmerkingen liggen. De gemeente is — ik weet het — ten diepste niet het resultaat van ons werken, van onze activiteiten maar van het kerkvergaderende werk van de Heilige Geest. En dat gebeurt rondom Woord en sacrament. Maar dat geeft ook gemeenschap en in die oefening van die gemeenschap mogen we als leden van de gemeente ook actief betrokken zijn. Dan kan er niet gauw teveel gebeuren. De gemeenschapsoefening mag in een wereld, die beheerst wordt door het kille, zakelijke, commerciële wel alle aandacht hebben. Wat geeft meer gemeenschap dan het samen bezig zijn in het Woord en de dienst aan het Woord? We torsen inmiddels als volkskerk — als je dat woord nog mag gebruiken — de problematiek van de randkerkelijken en de half-meelevenden mee. Maar dat mag toch de meelevende gemeente niet verhinderen om alles in het werk te stellen om samen gemeente te zijn en dan ook hen, die maar matig meeleven, erbij te betrekken? In het zoeken naar en het bevorderen van echte gemeenschap kan het kerkvergaderende werk van de Heilige Geest toch immers juist ook gestalte krijgen? Overigens, wat de laatste brief betreft, wil ik nog wel opmerken dat het onderlinge gesprek voor het Avondmaal zeer gemeenschapsbevorderend kan werken. De tijd daarvoor mag er bepaald wel afgenomen worden nu er voor zoveel dingen tijd is die van minder waarde zijn. Juist het gemis aan echte geestelijke gesprekken doet het gemeentelijk leven zo verkillen en verzakelijken en dan ook verschralen. Het geestelijk gesprek tussen ouderen, tussen ouderen en jongeren, tussen jongeren en ouderen is meer dan nodig. Gebeurt dit in de gemeente niet, waar moet het dan gebeuren? Dan zou het kunnen gebeuren, dat allerlei groepen aan werfkracht winnen, omdat daar het gesprek over de Bijbel en het leven van het geloof spontaner van de grond komt, met alle gevaren en eenzijdigheden overigens van dien. Maar een gemeente zonder geestelijk gesprek is geen gemeenschap. Als dat gesprek er niet is helpen welke-activiteiten-dan-ook niet om het gemeenteleven als gemeenschapsleven te bevorderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zondag — Gemeente —  Gemeenschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's