De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De prediking

Prediking in een tijd van woord-devaluatie 1

9 minuten leestijd

Het thema
Elk van de artikelen, die tot nu toe in deze serie verschenen, konden uitgaan van het feit dat de prediking tot de wezenlijke taak van de kerk behoort en als zodanig tot op zekere hoogte welkom is. De kerkganger mag van de psalmverzen niet op de hoogte zijn, hij mag de tekst meestal niet kennen wanneer hij zich naar Gods huis begeeft, hij mag verrast zijn door een bepaalde afkondiging, hij mag een nieuw gezicht onder zijn medegemeenteleden ontdekken. Eén ding verwacht hij zeker, en dat is de preek. Er moet gepreekt worden. De fundamentele eerste vier artikelen van deze reeks hebben dat nog eens onderstreept.

De woord-ontwaarding
Nu is het juist de woord-devaluatie of laat ik zeggen: de woord-ontwaarding op elk terrein, die ook dat vaststaand gebod: Er moet gepreekt worden, omkeert en tot een vraag maakt: Moet er werkelijk gepreekt worden? Is dat nu werkelijk week aan week nodig? Zijn er niet krachtiger middelen om de Boodschap van God tot uitdrukking te brengen? Wat is in een naam? vraagt de Engelsman zich af, en een groot deel van ons volk hecht meer aan woorden dan aan daden. Wat zit er in woorden? Of wanneer men zich zo algemeen niet afvraagt: Zijn er geen krachtiger middelen? dan kunnen zich toch situaties voordoen, met name onder het heidendom verweg of dichtbij, waar de verlokkende vragen zich opstapelen: Moet hier niet iets anders gebeuren dan prediking? Moet dit volk niet eerst genezen worden van tropische kwalen? Moet hier niet eerst een sociale structuur doorbroken worden en veranderd door één, die meer recht doet aan de evangelische gerechtigheid? Wij hebben vaak onze orthodoxe antwoorden klaar, omdat we niet wezenlijk met dit soort noden te maken hebben, maar je zult maar staan onder en tegenover een volk dat er van kind tot grijsaard toe aan lijdt . . . ! En om dicht bij huis te blijven: heeft niet nagenoeg ieder van ons weleens het gevoel binnen de gemeente en gezeten onder een preek of staande op een preekstoel: Hier zou meer moeten gebeuren dan het uitgieten van woorden. Hier zou een stuk doodsheid moeten weggevaagd worden door een wonder van God, rechtstreeks uit de hemel. Hebben wij die gevoelens nooit? Ik laat de inhoud en de waarachtigheid of onwaarachtigheid ervan voor wat ze zijn, ik constateer slechts dat deze gedachten vaker leven dan wij ze uitspreken.

Oorzaak en gevolg
Hoe komt dat, hoe komen zulke gevoelens bij ons op? Mijns inziens omdat zes dagen van het leven van velen onzer zich afspelen in het 'volle leven', waarbij veel woorden gesproken worden zonder inhoud, die men bij voorbaat naast zich neerlegt. Ook veel woorden mét inhoud, waar men alleen beleefdheidshalve naar luistert. En waarin alleen klinkende munt wordt uitbetaald voor woorden, die op papier te zetten zijn, die te controleren zijn, die zinnig te bewijzen zijn, die in plannen en m daden omgezet kunnen worden. Daardoor hebben wij een wel verstandige, doch hoogst eenzijdige manier van luisteren ons eigen gemaakt. Wij luisteren slechts zelden vrijmoedig, vol overgave, meestal kritisch, omdat wij al luisterend de vraag stellen: Zit er wat in? En zo ja, wat zit erin, dat ik gebruiken kan? Helpt het me verder? En wat ik niet rechtstreeks gebruiken kan, gooi ik merkbaar of onmerkbaar als ballast overboord. Dat is de invloed die de produktie- en consumptiemaatschappij op ons luisteren uitoefent.
Maar nu nog een tweede factor. Er is door communicatiemiddelen als bijvoorbeeld de tv, een heel sterk verband ontstaan tussen horen en zien. Zelfs als er bij de nieuwslezing niets te zien is, dan mag toch het beeld niet wit blijven. Een tekeningetje verlucht het beeld of u zit te kijken naar het gezicht van de nieuwslezer. Ik wil gelijk weer van dit voorbeeld afstappen, omdat ik de tv een schadelijk voorbeeld vind van samengaan tussen wat je hoort en wat je ziet. Maar dat is het nu juist. Je hoort wat je ziet, en je ziet wat je hoort. Ze beïnvloeden elkaar, want je kunt eigenlijk alleen zeggen wat je prompt als een bewijs, als een zichtbaar bewijs op het beeld kunt laten zien. En je ziet alleen dat stukje van de werkelijkheid wat je hoort toelichten met die en die woorden. Je hoort dus alleen het zichtbare, bewijsbare. Dat beperkt en verarmt de woordenschat. Elke luxe is er vreemd aan, het moet zo kort mogelijk alleen maar illustreren wat je als bewijs met je eigen ogen kunt zien. En omgekeerd: al wat je ziet, is alleen maar dat stukje concrete werkelijkheid dat voor je uitgekozen is. Nu zult u zich afvragen wat dat met de prediking in een tijd van woord-ontwaarding te maken heeft. Laat ik dit voorbeeld nemen: wanneer het Evangelie naar Johannes zo vaak onderscheid maakt tussen zien en (aan)schouwen, dan zult u het wel met me eens zijn, dat dat onderscheid niet uit te beelden is. Ik kan het u niet bewijzen. Ik kan u niet laten zien wat aan de grenzen van het zichtbare zich afspeelt. Maar toch daagt daar heel die werkelijkheid die hemels is, die de toekomst en de eeuwigheid raakt, die de verblijfssfeer en de troon van God de Vader en de Zoon raakt, met al wat daar nog bijkomt. Wanneer nu zo'n tekst de tekst voor de preek is, dan ontstaat er een scheiding. Wie zijn erin geïnteresseerd, wie hebben er belang bij, en wie niet? Laten u en ik zes dagen van de week, op enkele uren huisgodsdienstoefening na, ons hele bestaan regeren door dat zichtbaar waarneembare, en horen wij om ons heen geen andere taal dan de taal die aan dat zintuigelijk waarneembare ontleend is? Dan zullen wij een gevoel van ergernis niet kunnen onderdrukken bij een woordenschat die zaken onder woorden brengt, welke niet te 'bewijzen' zijn, en bovendien nog zaken waar wij niet de vraag aan kunnen stellen: wat heb ik eraan, kan ik het gebruiken?
Zo zijn wij in een tijdvak terechtgekomen waarin in het hart van Londen (het conservatieve, welopgevoede, Engelse Londen!) naar schatting vierhonderd woorden de hele omgangstaal van de mensen op straat uitmaken. Een platte taal dus, uitgehold en zonder nuancering. En ik denk, dat de schatting van de omgangstaal in Amsterdams of Rotterdams binnenstad niet veel hoger ligt. Trouwens, waar wel? Is onze taal nog levend? Leeft zij wel? Of is zij een hulpmiddel geworden om je in een hoognodig geval verstaanbaar te maken? Om een kop koffie te bestellen, en om een krabbelt je te maken voor de melkboer? Een zinloze taal, in twee betekenissen: 1. omdat wij meer korte en rake woorden uiten, dan zinnen uitspreken; 2. omdat de taal op zichzelf nauwelijks meer in haar schoonheid gebruikt kan worden, want een groot deel van die taal slaat niet meer op wat wij om ons heen zien en wat wij voor vast en bewezen houden. Je moet het immers kunnen zien, tasten, eventueel opeten!
We hebben nu dus twee factoren onder ogen gezien. De ontoereikendheid van woorden in geval van nood, en de beperking van de taal tot gebruik van die woorden die absoluut nuttig en nodig zijn in hun verband met wat je ziet en tast en op kunt eten, kortom, wat onomstotelijk vaststaat.
Ik moet er nog een derde factor aan toevoegen. Dat merkbare ongeduld dat je ook in een kerk kunt signaleren, wanneer dingen gepreekt worden, die niet direct te consumeren zijn en die bovendien van de hoorder een verbondenheid in het geloof met het Woord en de werkelijkheid van God vergen, werpt de vraag op: Moeten wij nog langer zo doorgaan met de prediking? Haalt het nog wel iets uit, die stroom van woorden over een 'andere wereld', dan die waarin de kerkganger in het gemiddelde werkdag na werkdag leeft? Daar komt nog bij dat wat de kerkganger — zo redeneren velen — interesseert, ook geestelijk interesseert, die grote vraagstukken zijn van vrede, onvrede en oorlog, van gerechtigheid en ongerechtigheid, van welvaart en armoede, van lijfelijk leven of lijfelijk sterven, van leed en ziekte, van de grenzen der vermoeidheid en wat eraan te doen, en van de volksziekten en hun verloop en schadelijke uitwerking; van de bevolkingsaanwas en de vergrijzing van ons volk, en ga maar door. Zo redeneert men, zei ik. Zo denkt men. Wie denken er zo? Laat ik eerlijk zijn en zeggen, dat deze gedachtengang bij menige collega ontstaat. Hij denkt, dat 'men' zo denkt; al denkt m.i. een groot deel van het kerkvolk zo niet. Tot de veronderstelling van menig collega dat het zo ligt zal mogelijk het uitblijven van resultaat van de prediking-in-woorden wel bijdragen. Men ziet er niets van, en het schouwen van wat wij niet zien, is ook bij velen van ons pastoraal ver te zoeken. Bovendien ondergaat nagenoeg ieder het conflict tussen de wereld der prediking en de wereld waarin wij bestaan. De dienaar van het Woord wordt geacht de vertegenwoordiger van die wereld der prediking te zijn, dus ook in zijn eigen leven kan er gemakkelijk een conflict tussen die twee werelden ontstaan. En tenslotte komen velen de onzeker geworden dienaar te hulp met de verzekering dat hij nu eenmaal ook niet alles kan weten. De wetenschap heeft zo'n vlucht genomen, en de wereld ontwikkelt zich op bepaalde punten zo snel, dat dominee nu eenmaal niet langer de onbetwiste kundige man is op alle fronten. Bij de tiende bijdrage in deze serie, die zal handelen over actuele prediking, zullen deze dingen wel opnieuw aan bod komen, dus ik ga eraan voorbij.

De dialoog
Maar ik blijf staan bij het resultaat van dit alles. Er komt een dialoog, een tweegesprek tussen de gemeente en de voorganger. Wat hiervan te denken? Is zij niet heilzaam? Lost zij niet veel proble­men van deskundigheid of onkundigheid op? Kunnen de gemeenteleden op deze wijze de dienaar niet tot een hand en een voet zijn, zoals het toch in de gemeente betaamt? Komt er ook niet wat meer kleur en fleur aan de dienst? Wordt de tijd niet doorbroken voor hen die niet gewend zijn om zonder zich hinderlijk te bewegen anderhalf uur op een stoel of bank te zitten? Onstaat er ook niet wat meer gemeenschap tussen de mensen? Leren zij elkaar niet kennen als gemeenteleden?
Kamerik

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's