De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eerst zien...?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eerst zien...?

8 minuten leestijd

Zalig, die niet zullen gezien hebhen, en nochtans zullen geloofd hebben. (Joh. 20 : 29b)

Thomas ontbrak toen de discipelen Jezus ontmoetten. Zonder twijfel hebben ze hem in geuren en kleuren verteld van die verschijning. En dat moest genoeg geweest zijn. Althans, voldoende om te geloven. Op die bodem had Thomas met zijn volle gewicht kunnen staan. Dat hij Jezus ook zelf wilde zien en ontmoeten, spreekt vanzelf. Dat kon toen immers. Daar mocht hij het op aansturen. De apostelen nemen een geheel eigensoortige positie in. Ze hebben Christus' heerlijkheid letterlijk aanschouwd en zullen gaan verkondigen wat zij gehoord en gezien hebben, en wat hun handen getast hebben van het Woord des levens. Dat wordt Thomas dan ook niet verweten. Maar hij verlangt niet slechts naar een ontmoeting. Hij overschat haar. Hij verheft haar tot voorwaarde om te geloven. Zonder aanschouwelijk en handtastelijk bewijs zal hij geenszins geloven! Thomas doet alsof niet hijzelf, maar Jezus ontbroken had op die avond van de eerste dag der week. Alsof het getuigenis van de overige apostelen op een luchtspiegeling berustte. Niet dat hij het zo stelt, natuurlijk. Maar toch . . .! Thomas zet de hele orde van het christelijk geloof op de kop. Eerst zintuigelijk waarnemen, en dan pas geloven. Eerst mijn woord en geest, en dan Gods Woord en Geest. Wel, kijk eens goed naar deze Didymus. Zou hij onze tweelingbroer niet kunnen wezen? Twee druppels water! Wat lijken we toch allen sprekend op hem, en op elkaar. De stijfhoofdigheid van het ongeloof is ons mensen aangeboren. En de Heere vindt dat de afschuwwekkendste zonde. Dit is de zonde waarvan de Heilige Geest komt overtuigen: de onbuigzaamheid jegens het Woord. Bij deze zonde verbleken alle andere zonden. Je ontmoet soms mensen (ben ik het zelf niet?) die ellenlange en aandoenlijke verhalen opdissen over hun verdorvenheid. Dat schijnt er nu eenmaal bij te horen. En we hebben daar zwaarwichtige termen bij uitgedacht en het geheel op een gepaste melodie getoonzet.
Onze tekst vonnist ons tot ongelovigen. Allemaal? Wel, laat eens een vingerafdruk nemen! Wonderlijk, dacht u, dat er geen twee gelijk waren? Maar hier wel! Allemaal in de hoek van Thomas geschoven! Vervolgens krijgen we daar één voor één een stempel. Hetzelfde. En wie zo wordt afgestempeld en afgekeurd, is spoedig uitgepraat in dit verband. Zolang dat ongeloof niet door het ontmaskerende werk van de Heilige Geest bloot komt, zijn onze verhalen even saai als bedrieglijk. Nu wil de Heere door heel die opgeblazenheid heenpriemen. Gods Woord sleept ons voor het gericht en delft het graf voor al onze quasi-godsdienstigheid. Ongeloof, dat is de wortel van onze schuld en verlorenheid. Ongeloof, dat is ons bestaan. Niet, dat het nooit anders was. Adam in Gods beeld vertrouwde zijn God. Maar dat vertrouwen is op eenmaal in wantrouwen verkeerd door de verdachtmaking van de duivel: Is het ook dat God gezegd heeft? De knieval voor de duivel ging gepaard met de nekslag aan het geloof. Sindsdien zijn er geen gelovigen meer, op Eén na: Christus. Wie uit zijn krachtbron wordt gevoed via de toevoerkanalen van Woord en Geest, gelooft. Maar los van die krachtcentrale is er niemand die God voor eerlijk en betrouwbaar houdt. Nu zijn die voorraden, in die centrale opgeslagen, verbazend rijk. En hebt u ontdekt dat de rantsoenen die Hij distribueert, niet karig zijn? Het geloof is een royaal geschenk. De Naam des Heeren zij geprezen! Een gave aan en in een straatarm en weerspannig hart. Daarin wordt het gewekt. Daarin ontkiemt het. En daar is de scheppingskracht en het doorzettingsvermogen van de Heilige Geest voor nodig. Niets geringers! Want scheppen uit niets is een wonder, maar scheppen uit de dood niet minder! Wat een taaie weerstanden sluimeren er in ons aan het ongeloof vervallen bestaan. En hoe dichter Gods Woord opdringt, hoe meer die sluimer overgaat in wakkere weerbaarheid. Dé verschansing bij uitstek, die we daarbij met grote vaardigheid en verbetenheid optrekken, is het Thomasverweer: eerst zien. De vorm vertoont vele variaties: eerst een redelijk bewijs, eerst een bijzondere ervaring, eerst een krachtdadige omzetting. De inhoud is constant: Gods Woord van het lijf houden door allerhande voorwaarden. Herkent u het? En erkent u het? Laten we er maar niet op rekenen dat ons zo'n mirakel overkomt. De Heere Jezus wijst ons een andere richting. Nee, de tegengestelde richting. Hij prijst het geloof dat zich met het naakte woord tevreden stelt en steunt op de beloften van God. Wij worden energiek afgemaand om ons geloof te verankeren in bedenksels, gevoelens en gewaarwordingen. Wij worden vermaand tot dat geloof dat van het gevoelen en bedenken des vleses volstrekt onafhankelijk is. Geloven is niet zich grondvesten op wat voor ogen is, maar doordringen tot de onzichtbare hemelse werkelijkheid Gods. Zich verlaten op dat hemelse Woord, dat voor onze lichamelijke zintuigen verborgen is, maar ons niettemin zozeer nabijgekomen is. Het is de luiken dichtklappen en ons blindelings toevertrouwen aan Gods Woord. U zegt: ja, maar Thomas . . .? Goed, Thomas. Heeft die eigenlijk de littekens nog wèl betast toen hij de kans kreeg? We lezen er niets van. Was Thomas wellicht zo overweldigd door Christus' spreken dat alleen dat al geloofwekkend was en genoeg om uit te roepen: mijn Heere en mijn God? In ieder geval mag het Woord van Jezus zo vertaald worden: Hebt gij soms geloofd omdat gij Mij gezien hebt, Thomas? Nee, toch? Zien heeft toch nooit iemand tot geloof gebracht? Hoevelen zagen Hem niet ten voeten uit, zonder Hem gelovig te voet te vallen? Daarom: zalig die niet gezien en (toch) geloofd hebben. Hoe beschamend. Wat wij in onze waan opblazen tot voorwaarde tot het geloof, wordt nu zomaar in één handbeweging als ondermaats overboord geworpen. Nee, Thomas heeft echt niet kunnen leven en sterven uit de ervaring van zijn handen en ogen. Wat zijn immers onze ogen en handen? Een kostbaar bezit. Maar wie kan er zalig mee sterven? Straks drukt men onze ogen dicht. En al wat op het netvlies is verschenen, is niet meer. En onze handen worden gevouwen. Al wat ze ooit omvatten, ligt buiten bereik. En de kennis dan? Die verkalkt met onze hersens, zei eens iemand. Maar het geloof? Dat heeft spankracht tot in eeuwigheid. Hoezo? Omdat het niet óns werk is. Omdat het ook niet in zichzelf gelooft. Omdat het ons vasthecht aan de eeuwige God zelf. Het blikt niet op wat tijdelijk is, dus ook niet op lichamelijke en zielsmatige ondervindingen. Wij zien de Onzienlijke. Wij hangen aan Gods lippen. Wij liggen voor anker in de Schriften van Wet en Evangelie. En deze vervlechting met Gods beloften, in oordeel en vrijspraak, die brengt een ervaring mee die van de Geest is. Want het hoogheilig Evangelie wordt in onze binnenste uithoeken opengevouwen en in ons geweten verklaard. We aanschouwen Christus heden even klaar in het Evangelie alsof Hij levend en lijfelijk voor ons stond. Zijn verzoenend bloed vloeit in de prediking en besprenkelt onze harten. Zijn littekenen laten ons niet in het ongewisse: Hij is het, die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging.
Wel, niets verfoeit onze Meester zozeer dan dat het geloof zou uitgeleverd worden aan de menselijke ervaring vóór en achter het Woord. Wie de grenzen van dat Woord ook maar een haarbreed overschrijdt, heeft op hetzelfde moment opgehouden te geloven. Al onze ingewortelde leerstelligheden die zich bij nader toezien ontpoppen als verdachtmakingen van de klinkklare beloften Gods, staan bij de Heere in een zeer kwade reuk. Kom, onze halsstarrigheid ingeleverd. Al ons wantrouwen overgeheveld. Waar? Op de doorwonde schouders van de Middelaar. Vergeef het hun, riep Hij. En vergeving bracht Hij mee na de opstanding. En wat bleef daar achter in die rotsgrond van Jozefs hof? Mijn ongeloof dat gehuld gaat in mijn vroomheid, hardnekkigheid of deugdzaamheid. Jezus leeft. Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp. Heden, Heere. Want morgen kan ik verbrand of verdronken zijn. En heden hoor ik Uw stem.
Wat, vindt u dat we elkaar zo het geloof opdringen en aanpraten? Ach kom, Jezus dringt zich aan ons op en praat ons het geloof aan. Dat is andere taal. Hoe zouden we anders ooit zalig worden? Wij staan immers niet zo te dringen voor de hemelpoort. Zalig wie slechts een ledige beurs heeft! Kijk eens, goud fonkelt. En laat uw lege emmers maar neer in de waterput van het Woord. Heere, hier is het hengsel en het touw. Put Gij voor mij. Zalig wie niet ziet en niet werkt, maar gelooft. Zó ga ik wat in Hem zien. Omdat Hij wat in mij ziet: striemen en wonden. En wat zie ik in Hem? Striemen en wonden! Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Lieve Heere, doodgeliefd hebt Gij u. Dan zult Gij mij ook wel levend lieven. Mijn Heere en mijn God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Eerst zien...?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's