Adrianus Hasius en zijn Geestelyck Alarm
Minder bekende oude schrijvers
Een feestelijke dag in de meimaand 1648. In Leeuwarden wordt, evenals elders in het land, een dankdag gehouden. De Staten-Generaal hebben deze dankdag uitgeschreven. Eindelijk is er een einde gekomen aan de langdurige en bloedige oorlog met Spanje, een oorlog die de geschiedenis is ingegaan als de tachtigjarige. Het volk stroomt naar de kerken, het is in deze tijd nog trouw. Op de kansel van de Grote Kerk in Leeuwarden staat een predikant die ongeveer in het midden van deze oorlogstijd is geboren, hij is 47 jaar of wordt het binnenkort.
Op welsprekende wijze heeft hij uiting weten te geven aan de dankbaarheid die in veler hart leefde op deze dag. Zijn tekst is een psalm, de 124ste, waarin door de dichter gewaagd wordt van wateren die dreigden te zullen overstromen, zelfs van 'stoute wateren' die over de ziel gegaan zijn. Was de Heere niet bij ons geweest, zegt de dichter, toen de mensen tegen ons opstonden, zij zouden ons niet minder dan levend verslonden hebben. Doch, Gode zij dank, het is niet gelukt, want 'onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvanger; de strik is gebroken en wij zijn ontkomen' (vs. 7).
Uit de tijd van de gevleugelde doodsboden
De toepassing ligt voor de hand. Ds. Adrianus Hasius, hij is nl. de voorganger in deze dienst, haalt uit het verleden op hoe benauwd het is geweest in de jaren die nu tot het verleden behoren; vooral in de beginjaren van de oorlog, in 1566 en 1567. Nederland dreigde in die tijd verslonden te worden. De 'verslinder', waar de tekst over spreekt, is een naam die toepasselijk is op de Spaanse bloedraad. Koning en paus spanden samen hun strikken. De paus heeft de kerk, hier in de Nederlanden, willen vernietigen. Als 'gevleugelde doods-boden' vlogen de bloedplakkaten door het land. Had God het niet verhoed, dan waren onze voorouders slaven en slavinnen geworden van de koning van Spanje. Hoe donker zag het eruit toen Alva hier kwam, en er al dadelijk slachtoffers vielen als de graven van Egmond en Hoorne. Maar zie, wat van Israƫl kon gezegd worden door David, immers hij is volgens Hasius de dichter van deze psalm, kan thans door ons gezegd worden van Nederland, te weten dat de Heere bij ons was. Hij verwekte de prins van Oranje, Willem van Nassau, de 'eerste auteur van onze vrijheid'.
Na bange jaren daagde er hoop. Den Briel viel in de handen der onzen. Den Briel . . . Hasius heeft deze naam niet kunnen noemen zonder te denken aan eigen verleden; immers niet minder dan 9 jaren was hij er predikant geweest. Hij heeft in die jaren in Den Briel onder de ouden van dagen nog velen kunnen ontmoeten die als ooggetuigen hem konden vertellen hoe in hun jeugd de stad bij verrassing door de Lumey genomen was. Na aldus aan Den Briel te hebben herinnerd en ook aan andere steden in Holland, die alle de zijde van de Prins kozen, kan hij niet nalaten ook te gewagen van de moord der Spanjaarden op de weerloze en onschuldige burgers van Zutphen en Naarden. De kansen in deze oorlog wisselden steeds, en toch: wij hielden de overhand! Na Willem kwam Maurits en na Maurits Frederik Hendrik. En thans zijn wij zover gekomen dat onder een nieuwe Willem, Willem II, de koning van Spanje uit eigen beweging wat hijzelf noemt 'een eeuwige vrede' ons heeft aangeboden. De tijden zijn waarlijk wel veranderd, de Heere zij geprezen!
Een lofzang op de Nederlanden
En dan breekt Hasius uit in een lofzang, allereerst op God, maar toch ook op de Nederlanden. Hij vergelijkt Nederland met Kanaan. God heeft ons hier in dit Nederland geplant, zegt hij, als in het tweede land Kanaan, een land als een aards paradijs. Al is het een klein land, men kan er alles in aantreffen. Hier heeft Gods kerk een herberg gevonden, hier worden grote geleerden voortgebracht, hier worden allerlei kunsten uitgevonden, hier kan men het oorlogvoeren leren, hier worden zeelui gevormd, er is onder de zon geen gezegender land dan ons vaderland.
De lof is hooggestemd. Voor het gevoel van de 20ste-eeuwse Nederlanders wellicht wat al te hoog, maar laten wij het deze oude vaderlander niet kwalijk nemen. Een beetje meer vaderlandsliefde zou ook ons wel passen.
Hasius is evenwel nog niet uitgesproken, wij geven hem opnieuw het woord. 'Wy hebben de Zee, by maniere van spreken bezaayt met onse Schepen, wy hebben vele heerlijke Rivieren, den Rhijn, de Maas, de Waal ende de Yssel, wy hebben daer toe (= bovendien) ook veele Vischrijke Meyren en Inlandsche wateren'. En dan volgt een vraag, een retorische vraag, waar de bewoners van Leeuwarden, een stad gelegen temidden van weilanden en vruchtbare akkers, niet anders dan een bevestigend antwoord op hebben kunnen geven: 'hebben wy ook niet alhier de schoonste landsdouwen, die men zoude konnen met oogen aanschouwen?' De spreker zelf geeft het antwoord: 'gewisselyk ja; siet eens aan de groene Beemden en Weyden, siet aan het Koorn op het Velt, siet aan de Boomen, hoe datse in dese Landen, met hare vruchten zo geladen staan, datse de takken daar van somtijds qualijk dragen konnen'.
Men kan bemerken dat het de meimaand is waarin deze preek is gehouden; het is alsof de voorjaarsgeuren zijn binnengedrongen in het grote, oude kerkgebouw waarin deze herdenkingsdienst werd gehouden.
En nog is Hasius niet uitgesproken. Hij gaat een vergelijking treffen. Het is waar, zegt hij, ons land brengt geen wijn voort, en dan zal hij wel gedacht hebben aan zuidelijker landen, als Frankrijk en Spanje, maar Hasius ziet daarin geen nadeel, immers de wijn, zegt hij, wordt hier minstens zo overvloedig gevonden als elders. Of Hasius daarin alleen maar voordeel gezien heeft? Wij betwijfelen het. Dronkenschap was een veel voorkomend kwaad in die tijd. Ons land, zegt hij verder, brengt ook geen diamanten, paarlen, goud, zilver, koper enz. voort, toch is het volop aanwezig. En onze schepen voeren notemuskaat, peper, gember, kaneel en andere specerijen aan, zo overvloedig dat wij er ook andere landen van kunnen voorzien. Niet helemaal ten onrechte, dunkt ons, is Hasius trots geweest op zijn land. In de gouden eeuw is Nederland waarlijk groot geweest.
De vrede van Munster
Een modern historicus (B. W. Schaper) heeft de vrede die te Munster tot stand is gekomen, welke een einde maakte aan de 80-jarige oorlog, genoemd de schoonste vrede die Nederland ooit in zijn geschiedenis heeft gesloten. Allang was er een haken naar vrede, aan Spaanse maar ook aan Staatse kant. Om de handel, maar ook om politieke overwegingen. Ofschoon, er waren er ook die liever hadden doorgevochten. Hiertoe behoorde niemand minder dan de stadhouder Willem II zelf.
De vraag blijft open hoe de Friese tak van het Oranjehuis erover gedacht heeft. Uit de preek van Hasius is op te maken dat althans Willem Frederik, de Friese stadhouder, de dankdienst in de Grote Kerk te Leeuwarden heeft bijgewoond. Hij kreeg een woord apart, Hasius heeft hem aldus aangesproken: 'Gy Excellentie Willem Frederik, met u gesegende Huys van Nassou . . . verheft u selven daarin niet, dat uwe wapenen soo gelukkig en voorspoedig sijn geweest, maar geeft God de eere, offert Gode dank, en betaalt de Alderhoogste uwe geloften . . . trekt de kroone van eygen lof, van u (= uw) hooft en werptse voor de Throon Gods.'
Dit is geen vleitaal, dat hoort ieder. Gereformeerde predikanten als Hasius waren geen vorsten-vleiers, ook al hielden zij de overheden hoog. Zowel voor vorstenhuis als voor volk hebben zij het licht, een hoger licht, laten schijnen ook over gebeurtenissen als het sluiten van een vrede. De vrede van Munster is, naar beweerd wordt (H. A. Enno van Gelder), niet tot stand gekomen zonder heel wat politieke intriges, maar zij is door Hasius, en andere gereformeerde predikanten uit die tijd, ver boven al dit menselijke uitgeheven en geprezen als een verlossingsdaad van God. Wee het volk dat daar geen oor meer voor heeft, dat de profetie versmaadt.
Dankzegging tot God
Tot slot is door Hasius nog een dankgebed uitgesproken. Het is, althans op papier, een lang gebed, maar ook een indrukwekkend gebed. De gereformeerde predikanten van de 17de eeuw zal men nooit geheel naar waarde kunnen schatten als men van hen niet ook gebeden heeft gelezen. In deze gebeden spreekt zich uit een diepe, waarachtige vroomheid; men bemerkt daarin ook hoe ruim van hart zij zijn geweest. Wij doen uit dit gebed een paar grepen: Grote God, vriendelijke Vader in Christus Jezus, doe onze harten ontbranden en open onze mond opdat wij U loven en danken voor uw ondoorgrondelijke weldaden die Gij aan ons, meer dan aan andere volken, bewezen hebt. O Heere, wij danken U dat Gij ons uit de duisternis van het pausdom hebt verlost, wij danken U voor het licht en de vrijheid van het Evangelie, waarin Gij ons geopenbaard hebt het grote werk der verlossing door Christus Jezus. O Heere, hoe groot is uw goedertierenheid over ons gezegende vaderland.
Met het oog op de pas gesloten vrede bidt Hasius het volgende: Och Heere, zegen toch de vrede met Spanje, laat het een vaste vrede zijn, die gepaard gaat met waarheid en gerechtigheid, laten wij gewaar mogen worden, dat deze vrede van U komt en dat Gij haar ons niet gegeven hebt in toorn en grimmigheid. Heere, laat ons ook gevoelen vrede te hebben met U, vrede met Christus, vrede in het geweten. Voeg bij Uw tijdelijke, Uw eeuwige zegeningen.
Hasius doet verder ook voorbede voor bepaalde personen en instanties. Zegen de dienaren des Woords, maak hun dienst vruchtbaar, laten zij met vreugde getuigen mogen zijn van de groei van Uw kerk, niet alleen in aantal maar ook in heiligheid en godzaligheid des levens. Zegen de overheid die Gij over ons gesteld hebt. Zegen de Heren Staten-Generaal. Zegen de Prins van Oranje, laat hij een bekwaam instrument mogen zijn in Uw hand tot welzijn van het vaderland en tot bevordering van de ware religie. Zegen ook onze stadhouder Willem Frederik, geef hem een goede regering. Wij bidden U voor de Gedeputeerde Staten van deze provincie, voor het Hof van Justitie, voor de magistraat van deze stad. Geef dat wij een stil en gerust leven mogen leiden in godzaligheid en eerbaarheid.
Nog ruimer wordt de kring die door Hasius in zijn voorbede wordt betrokken. Kom te hulp Uw verdrukte kerk; erbarm U over de kerk in Duitsland, waar zij zoveel heeft te lijden. Wij bidden U ook voor Engeland en Ierland, laat Uw werk daar toch niet ten ondergaan, nu er zoveel verwarring heerst.
Tenslotte komt in Hasius de pastor boven. Wij bidden U ook voor alle zieken. Gij kent hun zwakheid, hun nood. Leg niemand een zwaarder kruis op dan hij kan dragen; geef een genadige uitkomst in leven en sterven. Ja Heere, zegen ons met alle geestelijke zegeningen in Christus Jezus, en laat ons altijd, ook in de ure des doods, gevoelen die geestelijke vrede des harten die alle verstand te boven gaat . . . Hierna volgt dan nog het bidden van het Onze Vader. Al met al een waardige herdenkingsdienst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's