Een Stukje geschiedenis afgesloten
Dezer dagen namen wij in de besloten kring van het hoofdbestuur afscheid van twee bestuursleden, die vertrekken gaan, nadat zij vele jaren deel uitgemaakt hebben van het bestuur: ds. Jac. Vermaas en dr. H. Bout. Tijdens die bijeenkomst zei één van hen: de Bond was een stuk van mijn leven! Die opmerking moeten we wel op de juiste wijze taxeren, want als de Bond er niet terwille van zichzélf maar terwille van de kerk is, dan hebben allen, die in de Bond bezig zijn, de kerk op het oog. Van de scheidende bestuursleden mag worden gezegd, dat ze vanuit een gróte betrokkenheid op en zorg vóór het welzijn van de kerk de helft van hun leven en verreweg het grootste deel van hun werkzame leven gegeven hebben aan het werk van de Gereformeerde Bond en daarin voluit aan de kerk. En we beseffen, dat met hun heengaan een klein stukje geschiedenis wordt afgesloten, een geschiedenis die in de vooroorlogse jaren is begonnen.
* * *
De Bond was in de dertiger jaren door grote spanningen heengegaan. Het reorganisatie-ontwerp van de verenigingen Kerkopbouw en Kerkherstel, welke in 1937 heeft geleid tot reorganisatievoorstellen van de synode, brachten verdeeldheid in de gelederen van de Geref. Bond. De moeilijkheden resulteerden in het aftreden van prof. dr. H. Visscher als hoogleraar vanwege de Geref. Bond, het aftreden van ds. M. van Grieken als voorzitter, het aftreden van dr. J. G. Woelderink als bestuurslid, terwijl er polemieken over en weer waren. Toen in 1938 prof. dr. J. Severijn — in 1937 als hoofdbestuurslid gekozen — een referaat hield over de reorganisatievoorstellen en in de discussie iemand stelde, dat bij aanneming van dit reorganisatieplan, de Hervormde Kerk tenminste weer een mond zou hebben, antwoordde prof. Severijn: 'Wat beste vriend, de kerk moet niet alleen een mond hebben, maar bovenal een hart hebben en dat mist ze.' En toen een ander vroeg, of we maar niet net als Abraham, het met God wagend, naar een vreemd land moesten gaan, zei de referent: 'Dat advies mag gegolden hebben voor een zendeling, die hier bij de Batavieren kwam, maar dat is niet van toepassing op ons, die zulk een rijke kerkhistorie achter ons hebben.' Op de toen gehouden jaarvergadering bleken uiteindelijk toch slechts weinigen achter de reorganisatievoorstellen te staan. Maar inmiddels waren er heel wat schermutselingen geweest.
En dan vermeldt ds. J. J. Timmer, de toenmalige secretaris van de Bond, heel kort in het Gedenkboek Gereformeerde Bond 1906—1956 onder het jaar 1939: 'Op de jaarvergadering werd in de vacature ds. J. G. Woelderink met grote meerderheid van stemmen ds. J. Vermaas gekozen. De moeilijkheden bleven . . .' (wat natuurlijk niet sloeg op de komst van ds. Vermaas). En in 1940 luidt het: 'Velen hebben gemeend, dat het heengaan van prof. dr. H. Visscher, ds. M. van Grieken en ds. J. G. Woelderink een onherstelbaar verlies zou zijn voor de Gereformeerde Bond. Toch niet. In de vacature ds. M. van Grieken werd op de jaarvergadering van 25 april 1940 gekozen ds. H. Bout. Ds. Van Grieken werd bij acclamatie benoemd tot erevoorzitter van de Gereformeerde Bond. De voorzittersplaats werd ingenomen door prof. dr. J. Severijn.' En dan vervolgt de geschiedschrijver: 'Ik, die de geschiedenis van de Gereformeerde Bond vanaf 1928 als lid van het hoofdbestuur heb meegemaakt en op enkele maanden na de functie van secretaris vijfentwintig jaar heb vervuld, mag naar waarheid zeggen, dat er onmiddellijk onder de leiding van de nieuwe voorzitter een nieuw tijdperk is aangebroken. Onder zijn voortreffelijke leiding mochten we van de aanvang af bespeuren, dat de leiding in een vaste hand was. Er was nu grote eensgezindheid in het hoofdbestuur. En dit is vanaf 1940 gebleven tot op de huidige dag. Het standpunt van hen, die zich tegen het reorganisatie-plan gekant hadden, is het standpunt geworden van het hele hoofdbestuur. Wij zijn er allen van overtuigd, dat we leven in een tijdperk, waarin van uitbouw van de belijdenis, hoezeer ook gewenst, geen sprake kan wezen. Het is in deze verwarde tijd geboden datgene te bewaren, wat de vaderen ons aan kostelijke en geestelijke schatten hebben nagelaten . . . Met het jaar 1940, een droef jaar, omdat toen die geweldige oorlog uitbrak, breekt voor de Gereformeerde Bond een nieuw tijdperk aan. Nu komt weer de tijd van samenbinding, de tijd van het dempen van kloven tussen mensen, die bij elkaar hoorden, maar door broedertwist van elkaar waren gescheiden.'
Samenbinding
Men ziet, de beide scheidende bestuursleden zijn op een snijpunt in het bestaan van de Gereformeerde Bond in het bestuur gekomen en zij beiden hebben in niet geringe mate bijgedragen aan 'het nieuwe tijdperk' en de 'samenbinding', waarover de oud-secretaris sprak. Met hun heengaan verdwijnen in het bestuur nu, de laatsten, die de oude tijd met z'n spanningen nog hebben meegemaakt, maar die ook aan de opbouw van de Gereformeerde Bond hebben mogen bijdragen in de oorlogsjaren en de jaren daarna tot hier toe, de één 34 jaar en de ander 35 jaar lang. Prof. Severijn werd opgevolgd door ds. G. Boer als voorzitter, ds. Boer werd opgevolgd door ds. W. L. Tukker, bestuursleden gingen en kwamen, maar dr. Bout en ds. Jac. Vermaas zorgden door de jaren heen voor continuïteit en stabiliteit in het beleid van de Gereformeerde Bond. Ik ga hier hun deugden niet opsommen, maar uit de bovengenoemde opmerking, dat de Gereformeerde Bond een deel van hun leven was geworden, blijkt de totale inzet voor het werk dat hen lief was, een werk dat ook voor beiden koninklijk onderscheiden werd. In grote eendracht is de jaren door gewerkt. Aan de grote eensgezindheid in het hoofdbestuur, waarover ds. Timmer schreef, hebben de beide broeders in niet geringe mate bijgedragen en schrijver dezes, die in vergelijking met deze oud-gedienden nog slechts korte tijd deel heeft uitgemaakt van het hoofdbestuur, kan onder die eensgezindheid alleen maar een dikke streep zetten.
In de verwarring van ons kerkelijk leven is het telkens weer een verkwikking om in de kring van de broeders in grote eenparigheid bijeen te zijn en te ervaren dat het een geestelijke band is, die ons samenbindt en die samenbindt in de kerk allen, die met ons voor de gereformeerde belijdenis willen staan, hetgeen blijkt op vergaderingen met predikanten, ambtsdragers, de leden op de jaarvergadering.
Door de stormen heen
Wie de kroniek van de Gereformeerde Bond leest constateert, dat ons nimmer in de kerk een beschutte plaats is geboden. We zijn door de stormen van ons hervormd kerkelijk leven heengegaan en hebben in die stormen door de jaren heen op een onbeschutte plaats gestaan. Maar in die stormen mocht er bij alle verscheidenheid die er is een stuk eendracht groeien die we als een groot goed ervaren. Onder de druk was er toch ook grote zegen. De jaren door waren de vragen en de moeilijkheden dezelfde en steeds weer drong de vraag naar voren: hoe kunnen we voluit gereformeerd zijn in de Hervormde Kerk, hoe zien we de weg naar herstel van onze kerk? En telkens weer hebben ds. Vermaas en dr. Bout mede hun bijdrage gegeven in deze telkens herhaalde vragen, in de telkens gewijzigde omstandigheden. En tot hier toe zijn ze 'fris en groen' blijven meedenken in deze vragen, bij al het organisatorische werk dat er óók gebeuren moest. Telkens weer moest worden gereageerd op nieuwe ontwikkelingen: Gemeente-opbouw, nieuwe kerkorde in 1951, de kwestie van de vrouw in het ambt, de theologische strijd om de verzoening. En telkens weer bewogen zij zich, met het geheel van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk tussen hoop en teleurstelling, tussen gewetensconflict en blijdschap om zegen, die God ondanks alles wilde geven.
De werkzaamheden van zowel ds. Vermaas als van dr. Bout voor de Gereformeerde Bond zijn ten einde. Dat zal voor hen beiden ongetwijfeld een weemoedige gedachte zijn. Zo ervaren we het zelf ook en we zeggen het met een Frans gezegde: scheiden is een beetje sterven. Het werk zal doorgaan en moet in het kader van de Gereformeerde Bond helaas doorgaan, waarbij ik met helaas bedoel, dat het werk van een Gereformeerde Bond in een zich hervormd noemende kerk nog steeds nodig is, vanwege de aantasting van een gereformeerd belijden.
Fronten
Toen ds. Jac. Vermaas een referaat hield op de vijftigste jaarvergadering van de Gereformeerde Bond — een vergadering waarin hij om zijn werk voor de Bond tevens genoemde koninklijke onderscheiding kreeg — zei hij, na opgemerkt te hebben verheugd te zijn — maar dan met beving — dat God de Heere de Gereformeerde Bond vijftig jaar heeft laten bestaan en werken, enkele dingen, die nu ook nog zo gelden. Hij zei: '
Het is allerminst een tijd, dat we op eventuele lauweren zouden gaan rusten en met voldoening zouden kunnen zeggen: Ziezo, dat is gebeurd. Het is geschied. We hebben het doel bereikt. We worden ook op deze dag tot vernieuwde strijd geroepen. Een strijd in onderworpenheid aan het Woord, niet voor een eigen standje, maar voor het geheel der kerk, tot verheerlijking van Gods Naam.
Waar de fronten liggen, kan u duidelijk zijn. We hebben de geesten te onderkennen. En de geesten, in welk schoon gewaad ook gehuld, die niet uit God zijn, hebben we met het zwaard des Geestes, dat is, met het Woord, te bestrijden. Overal waar we daartoe maar enigszins in staat zijn. We zullen ons daarbij onze gereformeerde belijdenis niet hebben te schamen. Tenslotte heeft alleen deze belijdenis recht in onze Hervormde Kerk, zó, dat naar Schrift en belijdenis wordt geleefd en gehandeld. Hier ligt een geweldige roeping, juist voor de Gereformeerde Bond, voor allen die de gereformeerde belijdenis zeggen lief te hebben. Bij de gecompliceerdheid van het kerkelijk vraagstuk belijden we toch van harte, dat terugkeer uit het slop, waarin we gekomen zijn, onder de heerschappij des Woords naar de belijdenis onzer kerk, voorwaarde is voor gezondwording van het kerkelijk leven. Hier ligt voor ons allen een taak . . .
Het gevaar is er om meegetrokken te worden in de bewegingen, die beslist niet de kerk als gereformeerde kerk kunnen en willen herstellen. Anderzijds dreigt het gevaar van traditionalisme en verstarring. We kunnen ons kerkelijk zo gedragen, dat wij aanleiding geven dat anderen ons als partij of wilt ge als secte typeren. Temidden van dit alles hebt ge te staan in de juiste Schriftuurlijke, gereformeerde kerkelijke houding met het oog op het geheel der Hervormde Kerk en haar taak in ons volksleven. In de eerste plaats is daarvoor nodig met volharding de Schrift te onderzoeken en in te duiken in de schat der kerk, ons overgeleverd in de gereformeerde belijdenisgeschriften.'
We willen deze woorden ook bij het heengaan van ds. Vermaas en dr. Bout graag ter harte nemen. Zij hebben sporen getrokken in het geheel van ons kerkelijk leven en door Gods goedheid en genade de kerk mogen dienen, een kerk die hen en ons lief is en waaraan wij om des gewetenswil vaak zo sterk lijden. We zullen hun werk niet vergeten, niet wat betreft het organisatorische — het accuraat beheren van de penningen, de vele correspondentie, het vele administratieve werk, de vele besprekingen, — maar vooral hun geestelijk, theologisch, kerkelijk leiding geven. We hopen dat onze goede God, die hun de krachten en de gaven gaf, hen nog zegenen mag in de komende jaren en dat wij hun vriendschap mogen blijven ervaren en van hun inbreng, zij het van terzijde, nog mogen profiteren. En God vergeet de arbeid der liefde niet die aan Zijn Naam bewezen werd (Hebr. 6: 10).
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's