'Hebt goeden moed...'
De uitdrukking 'goeden moed hebben' komt niet zoveel voor in de Bijbel. In het Oude Testament alleen als raad aan mensen gegeven: 'Hebt goeden moed', slechts elf keer. In het Nieuwe Testament als een raad aan mensen, drie keer.
Het woord goeden moed hebben, als een gezindheid, als een gesteldheid, komt maar twee keer voor en dan nog in twee achtereenvolgende verzen. Het is in 2 Corinthe 5, de verzen 6 en 8, dat de apostel Paulus zegt: 'Wij hebben dan altijd goeden moed'.
Het is in de christelijke kerk een weinig geciteerd woord. Het is ook een weinig voorkomende zaak, dat de christenen vol goeden moed zijn, dat ze ook zeggen vol goeden moed te zijn. Wel is bij het gereformeerde volk een gaarne gezocht goed de ootmoedigheid. Dat is ook een in de Bijbel geboden zaak om ootmoedig te wandelen met zijn God. Ootmoed ontsiert een mens geenszins. Kleinmoedigheid is ook een goed, dat nogal eens gecultiveerd wordt onder ons. Het gevoel voor eigen kleinheid, zondigheid en onwaardigheid zal ook zeker wel alle aanleiding kunnen geven om alle hooggevoeligheid te doen slinken. Toch zijn hoogmoed en overmoed geen denkbeeldige zonden in het kerkelijk leven, ook niet in een gereformeerd kerkelijk leven. Het sadduceïsme zal dan eerder aan een andere zijde der kerk gevonden worden, het farizeïsme moet toch wel bepaald gezocht worden daar, waar een rechtzinnig gevoelen is. Hoogmoed en een christen passen toch wel allerminst bij elkander. Hoogheid van gevoelen is het eerste kwaad op de aarde geweest en zij is dan ook de Heere een gruwel. Heeft men in goede rechtzinnigheid een kerkelijk leven weten te scheppen, dat er zijn mag en dat gezond functioneert, dan is ook het kwaad van overmoedig zijn niet denkbeeldig. Het is zo'n kwade zaak, als men van de kerk, die toch 'des Heeren' zegt te zijn, zo de eigen kerk maakt, als men zo trotselijk spreekt van 'onze' kerk. Nu geeft de vaderlandse kerk sedert jaar en dag niet veel gelegenheid om daarover overmoedig te roemen, en ook óns zijn in de kerk, al zoeken wij oprecht gereformeerd daarin te zijn en te leven, zal ons geenszins oorzaak tot roem geven. Daarvoor zijn wij met te veel banden gebonden in de kerk door allerlei; wat ons in ons geweten beklemt en zelfs beschuldigt. Er ligt ook op onszelf als hervormd gereformeerden teveel schuld aan de situatie, waarin de kerk zich bevindt, dat wij ons zouden op de borst slaan, als waren wij in de kerk de getrouwen en alsof wij in de kerk echt een kerk in de kerk konden voorstellen. Dan ligt er teveel historische schuld aan de kerk in onze voorgeslachten. Het zou niet moeilijk zijn dat aan te wijzen. Beter echter doen wij als wij deze schuld aan de Koning der kerk en onderling als leden der kerk beleden. Ons past bepaaldelijk de belijdenis uit psalm 106: 6: 'Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld.'
Maar hoe zullen wij dan elkander troosten en goeden moed inspreken in het kerkelijk leven van déze tijd en voor de toekomst? Snel neemt de ontkerkelijking toe in de steden en in verschillende provincies. Men mag dan zeggen, dat in plaats van traditioneel kerkelijke vroomheid er een buitenkerkelijkheid ontstaat, die bijvoorbeeld van het bijbellezen veel werk maakt. Vooreerst merken wij van buitenkerkelijk Schriftgebruik niet veel en al even weinig van buitenkerkelijk gebedsleven, maar dan ook wordt van bekering tot God, van een met God verzoend zijn door Christus, van een getuigenis van de Geest met de geest van hen, die buiten de kerk leven, toch maar niet gehoord. En wat blijft er over van de opdracht van de Heere Jezus: Predikt het Evangelie?
De kerk verliest snel haar plaats in het volksleven en tevens haar aangezicht. Deze snelle ontkerkelijking grijpt om zich heen en laat ook ons, onze gezinnen, onze gemeenten niet onberoerd. Zal men daar tegenin moed hebben? Zal dat niet ijdele moed zijn? Als wij zien wat theologisch geboden wordt in de kerken, niet het minst ook in de Hervormde Kerk en als wij zien hoe weinig weerwerk daartegen gegeven wordt, zullen wij dan niet veeleer ontmoedigd worden?
Bedenken wij dan nog wat er politiek, sociaal en economisch gaande is, waarop wij nu uiteraard niet ingaan, dan moet wel de vrees onze harten vervullen, of niet de voorspelde grote afval aan het komen is.
Toch heeft de Heere Jezus gezegd: Hebt goeden moed. Toch heeft de apostel gezegd: Wij hebben dan altijd goeden moed. Het is mij natuurlijk niet onbekend, dat het woord uit 2 Cor. 5: 6 en 8 slaat op de hoop der eeuwigheid en dat wij het hier hebben over het kerkelijk leven hier en nu. Maar met het Woord van Christus uit Joh. 16: 33 op de achtergrond, mag het moed hebben ook wel kerkelijk gezien en gezegd worden. En dat is wat wij u dan heden graag willen zeggen: 'Wij hebben dan altijd goeden moed'.
Die goede moed mag er zijn zelfs in de meest decadente kerkelijke situatie. Wij weten, dat de zeven gemeenten van Klein-Azië te niet zijn gegaan. Dat kan ook geschieden met de kerk in ons land, duidelijk ook met de Hervormde Kerk. Maar dit kan niet, dat de kerk, deze kerk, deze gemeenten te niet gaan, als men God God laat zijn, de Christus, de Christus laat zijn, de Geest de Geest laat ziin, als men het Woord het Woord laat zijn, de sacramenten de sacramenten, de ambten de ambten en de gemeente de gemeente. Dit kan niet, als men zich houdt aan de spreekregel der kerk en aan het geloof der kerk. In een verborgen omgang met God, zomaar stilweg, dan zal de kerk niet teniet gaan, ook niet kwijnen. Wij hebben dan altijd goede moed. Laat ons God vrezen. Laat ons God dienen naar Zijn Woord. Laat ons niet afzakken naar links. Laat ons niet afzaknen naar rechts. In het geloof ligt onze moed.
Die goede moed mag er zijn, als wij zien op Christus, onze Koning, die nooit zonder onderdanen zal zijn. Daar mogen wij Hem aan houden, daar mogen wij ook op rekenen, als wij zelf, onze kinderen, onze gemeenten God in Christus dienen. Daar is zo'n groot offer gebracht door Hem. Daar moet een kerk op rusten. Daar moeten wij op rusten als kerk. Hij heeft zo'n duur verworven Geest aan Zijn gemeente gegeven. Het kan niet zijn dat daar geen gemeente bij is. Het mag niet zijn, dat wij die gemeente niet zijn. Daar is zoveel vaderlijke gunst door Christus verworven. Die zal niet ongeschonken blijven aan Zijn gemeente. Die mag dan niet ongeschonken blijven aan ons!
Daar ligt een levend woord, daar ligt ook een levende belijdenis in deze kerk. Die beide altijd hun kiemkracht, hun levenskracht bewezen hebben. Daarom hebben wij goede moed. Zij worden ook onder ons bewezen, ik moet zeggen, op een wonderbaarlijke wijze, vaak zelfs onzes ondanks. God heeft ons doen wassen in dit land. Wij mogen maaien, waar wij niet gezaaid hebben. Wij mogen maaien, wat óók ons voorgeslacht, wat onze voorgeslachten gezaaid hebben — dat zijn er inmiddels al weer drie na de oprichting van de Bond — dat zijn er al zo velen, die in deze kerk gewerkt hebben, ver voor het ontstaan van de Bond, die uit vorige eeuw met ons eensgeestes waren. Wij hebben goede moed in de kerk en voor de kerk als wij zien, wat onze goede God ons geeft, gegeven heeft en geeft. En dan is die goede moed niet in onze trouw, maar in de Zijne, niet in ons woord, maar in Zijn Woord, niet in ons werk, maar in Zijn werk. Wij hebben dan goede moed, wij hebben dan altijd goede moed.
(Openingswoord gesproken door ds. W. L. Tukker, op de jaarvergadering van de Geref. Bond op 15 mei jl. in Utrecht).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 mei 1974
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 mei 1974
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's