Minder bekende oude schrijvers
Adrianus Hasius en zijn Geestelyck Alarm 2
Hasius' levensloop
Toen Hasius op die meidag in 1648 zijn gebed, waaruit wij het een en ander naar voren hebben gebracht, besloot met een bede om vrede ook in de ure des doods, heeft hij niet kunnen vermoeden dat ook voor hem die ure heel spoedig zou aanbreken. En toch is dat het geval geweest; nog ruim 2 jaar heeft hij geleefd; op 14 september 1650, op de vroege morgen, het was 6 uur, ging hij in in de eeuwige rust. Hij is maar 49 jaar geworden, hij is n.l. geboren in 1601. De omstandigheden waaronder hij stierf waren wel van zeer droeve aard. In augustus 1650 was hij beroepen van Leeuwarden naar Rotterdam. Het beroep werd door hem aangenomen. De Magistraat wilde hem echter niet zomaar laten gaan en maakte derhalve bezwaren. Er bleef voor Hasius niet veel anders over dan een beroep te doen op de Classis. Terwijl deze zaak nog hangende was, vertrok hij reeds naar Rotterdam. Hij had nog geen afscheid gepreekt te Leeuwarden en ook nog geen intree gepreekt te Rotterdam, en zie, toen overviel hem de dood. Vooral voor zijn vrouw, Adriana Gerrits Holthuysen, schiep dit plotseling overlijden grote problemen; ineens stond zij zonder inkomsten; wij weten niet hoe kerkelijk deze zaak geregeld is.
Of Hasius meer dan één kind gehad heeft is ons onbekend; wel is zeker dat hij althans één zoon had, hij heette Gerardus. Deze is later ook predikant geworden; eveneens in het Friese land; zijn enige standplaats is Beetgum geweest, waar hij in 1655 kwam maar reeds in 1668 overleed, nog maar 37 jaar oud. Ook deze Gerardus had een zoon die predikant werd, hij heette naar zijn grootvader, dus ook Adrianus; hij werd predikant te Cubaard, in 1681, hij overleed aldaar in 1707. Tot slot, het schijnt dat Hasius pas op latere leeftijd is getrouwd, toen hij al enige jaren predikant was.
Leeuwarden is Hasius' vierde gemeente geweest, Rotterdam zou, als de dood niet tussenbeide was gekomen, de vijfde zijn geweest. Wat hem vooral getrokken zal hebben naar Rotterdam is het feit, dat hij daar oorspronkelijk vandaan kwam, hij was een Rotterdammer van geboorte.
Al vrij vroeg, te weten op 22 jarige leeftijd, was Hasius predikant geworden. Zijn eerste gemeente was Kralingen. Deze gemeente was in 1586 gesticht, Hasius was haar 5e predikant. Vier jaren is Hasius hier gebleven, in 1627 vertrok hij naar Poortugaal; deze gemeente was veel jonger; zij was gesticht in 1605. Hasius heeft hier 9 jaar gearbeid.
In 1636, toen hij dus 35 jaar was, in de kracht van zijn leven, vertrok hij naar de veel grotere gemeente te Den Briel. Hij werd hier de opvolger van een in menig opzicht merkwaardig man. Omdat diens wederwaardigheden een beeld geven van wat er algemeen in de kerk van die dagen omging willen wij er wat langer bij stilstaan.
Opvolger van Willem Crijnsze
Vanaf 1600 stond in Den Briel als predikant Theophilus Rijckewaert; een man die zeer gevoelig was voor remonstrantse invloed. Eerst liet hij er niet veel van merken maar toen hij in 1613 naast zich kreeg Cornells Burgvliet, die al eerder openlijk tot het remonstrantisme overhelde, werd dat anders. Als derde predikant van Den Briel stond in die tijd tegenover twee remonstranten Willem Crijnsze. Hij was geboren in Delft, was eerst schoolmeester geweest en toen predikant geworden. Hij stond vanaf 1604 in Den Briel. In 1613 toen hij twee remonstrantse predikanten tegenover zich kreeg werd zijn positie erg moeilijk. De Magistraat en de beter gesitueerden waren op de hand van de remonstrantse predikanten, de kleine luiden waren zeer gesteld op Crijnsze. Crijnsze heeft getracht het zo lang mogelijk uit te houden, van een afscheiding wilde hij niet weten. Toch kon hij niet voorkomen dat hij in 1614 door de magistraat eerst werd geschorst en toen afgezet. Vanaf die tijd dateert in Den Briel een Dolerende kerk; Crijnsze zelf ging er in voor. Het gaf heel wat rumoer in het betrekkelijk toch kleine stadje. De overheid zag het met lede ogen aan en ging na enige tijd zelfs zo ver dat zij Crijnsze verbande. Vanaf dat ogenblik hadden de remonstranten in Den Briel geheel vrij spel. Deze situatie heeft geduurd tot 1617, toen kwam er gelukkig verandering, en wel door het persoonlijk ingrijpen van Prins Maurits. Hij zelf kwam naar Den Briel en bracht er andere heren aan het bewind. Crijnsze is dan weer in de stad; de remonstranten moeten het veld ruimen. Een jaar later treffen wij Rijckewaert aan op de Dordtse Synode als een der remonstrantse gedaagden. Crijnsze is dan weer volop predikant in Den Briel, hij was een man van singuliere gaven (dr. C. Veltenaar), die een stempel gedrukt heeft op het kerkelijke leven in Den Briel, zelfs nog na zijn heengaan met emeritaat in 1636. Van deze predikant nu, deze krachtige figuur, is Hasius in Brielle de opvolger geweest. Ook Hasius was, evenals zijn voorganger, een Dordts theoloog, rechtzinnig en een bekwaam man.
Na zo zijn doopceel te hebben gelicht willen wij nu over gaan tot een bespreking van een der boeken die hij ons heeft nagelaten, zijn Geestelyck Alarm, geschreven 2 jaar voor zijn dood, n.l. in 1648.
Geestelyck Alarm
Hasius' boek is opgedragen aan Willem Frederik, dezelfde die hij op de dankdag 31 mei 1648 in het openbaar heeft aangesproken, en aan de Heren Gedeputeerde Staten van Friesland. In deze Opdracht vertelt Hasius allereerst hoe hij ertoe gekomen is zijn boek uit te geven. Ik kan niet ledig zijn, zegt hij; heb ik eens een paar uren vrij, dan ga ik wat schrijven. Na veel wikken en wegen is hij ertoe gekomen hetgeen hij schreef het licht te doen zien. Ik schrijf, zegt hij vervolgens, en daarmee onthult hij zelf wat de bedoeling van zijn boek is, tegen de papisten en tegen de sectariërs, maar ook tegen de openbare goddeloosheid en tegen de zorgeloosheid. Hoevele atheïsten zijn er niet, mensen die leven alsof er geen hel en geen hemel is. Er is veel verachting van Gods Woord, er is veel dronkenschap, er is veel onkuisheid, er is veel gierigheid, er is veel haat en nijd. Aangezien de Heere mij geroepen heeft om zijn Woord te verkondigen hoop ik dat dit mijn boek een predikant in uw huis zal zijn om in de tempel van uw memorie te verlevendigen hetgeen gij aangaande de zaligheid in de kerk zo vaak gehoord hebt. Ik hoop dat gij en allen die het lezen door dit boek zullen gesterkt worden in de kennis der waarheid en bewogen tot de betrachting der ware godzaligheid.
Hasius heeft zich er dus toe geroepen gevoeld als predikant alarm te slaan, de klok te luiden. Vanwege de zorgeloosheid, vanwege het atheïsme, en hij blijkt daar het praktisch atheïsme mee bedoeld te hebben; vanwege allerlei gangbare zonden, als dronkenschap en onkuisheid. Laten wij nu eens horen hóe hij dat gedaan heeft.
Het missen van de vrede
De tekst van Hasius' eerste verhandeling is Jes. 57: 21: De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede'. Eerst gaat de schrijver uiteen zetten wie met 'goddelozen' zijn bedoeld. Men kan denken aan mensen die openbare vijanden zijn van alle religie en een zeer zondig leven leiden; men zal echter ook aan anderen moeten denken, aan mensen die wel netjes leven maar God niet kennen, Hem niet dienen in geest en waarheid, dus in feite eveneens zonder religie zijn. Van al deze mensen geldt dat zij van binnen 'askuilen' vol onreine lusten zijn, akkers vol distels en doornen. Het zal hen op de duur vergaan, zoals in een der Psalmen staat, als kaf, dat verdwijnt voor de wind.
Een van de ergste dingen in het innerlijke leven van de goddelozen is hun geweten. Breedvoerig en met gebruikmaking van allerlei treffende beelden zet Hasius uiteen wat 's mensen geweten is en hoe het werkt. De Schrift noemt het geweten van een zondaar, een knagende worm. Deze worm knaagt aan de wortel van ons bestaan, zodat ons leven verwelkt, gelijk de wonderboom van Jona verwelkt is. Het geweten is ook te vergelijken bij een notaris, en dan nog wel bij een zeer vaardige en snelwerkende notaris; steeds zit hij met de pen in de hand; niets ontgaat hem, zelfs geen woord, geen gedachte, alles wordt opgetekend, op hetzelfde ogenblik dat het gedaan, gezegd of gedacht wordt. En om een ander beeld te grijpen, het geweten kan ook vergeleken worden bij een snelle bode, alles wordt onmiddellijk door deze bode overgebriefd, te weten aan God. En tot slot, bij de goddelozen is het geweten ook te vergelijken bij een onstuimige zee; wie daarop ronddobbert vindt nergens rust; men zie Kaïn, men zie Judas, om slechts deze twee te noemen.
Het goede en het kwade geweten
Hasius stelt ze tegenover elkaar, het goede en het kwade geweten. Men moet onderscheid maken, zegt hij, tussen het wezen (essentia) en de werking (operatio) van het geweten; alleen met het oog op het laatste, de wérking van het geweten, kan er gesproken worden van een goed en een kwaad geweten. Met het geweten is het als met de bode, die, in last van de farao, het gevangenhuis binnenkwam, waarin Jozef, de zoon van vader Jakob vertoefde, en ook de schenker en de bakker; de schenker kwam hij de vrijheid boodschappen, de bakker kwam hij het doodsvonnis overbrengen.
Welk een rijk bezit, een goed geweten; het blijft de mens bij in leven en sterven; het geeft hem innerlijke blijdschap, het is de bron van de ware vrede. Maar ach, 'de goede consiëntie, die is ten huydigen dage, God betert het, een kruyt dat in de hoven en herten van weynig menschen wast'. En hoe komt dat? Wel, omdat men van de zonden niet meer een gewetenszaak maakt. Neem b.v. de dronkenschap, men vindt haar heel gewoon. Evenzo is het met de gierigheid, met de onkuisheid, de hoogmoed, het liegen en bedriegen; men houdt het alles voor slechts kleine zonden.
Het enige wat hier tegen helpt is dat men tot zelfonderzoek komt. Met grote aandrang houdt Hasius zijn hoorders en lezers voor, Christus te aanvaarden als de hemelse Leermeester, en dan acht te geven op eigen geweten. Hij zegt het in de taal van zijn tijd aldus: 'Laat ons het binnenste Cabinet onser zielen ontsluyten, en besien hoe 't daar gestelt is, ja besien hoe onse saken al staan tusschen ons en dien grooten God; seker, so gy dit niet en doet, gy en hebt geen vrede met God, noch met uwe consiëntie te verwachten, ja gy en kont niet weten of uw saken voorwaarts of achterwaarts gaan by dien grooten God'. Houd de zeeman niet het compas in de hand, om te voorkomen uit de koers te geraken? en voelt een arts niet de pols om te weten hoe het met de zieke gesteld is? — gij dan, onderzoek uzelf!
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 mei 1974
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 mei 1974
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's