De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Die Geest getuigt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Die Geest getuigt

8 minuten leestijd

'Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.' (Rom. 8 : 16)

Paulus stelt twee geesten tegenover elkaar. De geest van het knechtschap en de Geest van het kindschap. De eerste leidt tot vrees en angstgeschreeuw. De tweede tot de Abba-roep. De Heilige Geest is immers de Geest der aanneming tot kinderen, door welke wij roepen: Abba, Vader. Let erop, dat we niet eerst roepen: ik ben een kind van God. Nee, de Geest houdt zich én ons aan een onomkeerbare volgorde. Eerst leidt Hij via Christus — Hét Kind — tot de Vader. En pas in de weerkaatsing uit Zijn vriendelijke Vaderogen, lezen wij onze adoptie tot zonen af. Christus en de Vader, zij zijn de spiegel van ons kindschap. Wij eigengereide en zelfbeschikkerige lieden draaien dat altijd om. Eerst willen we klaarheid krijgen hoe wij er op onszelf voorstaan. Daarna willen we ook nog wel in God en Zijn Zoon geloven. Dwaasheid. Alsof we in de spiegel van onze eigen ziel zouden kunnen ontdekken dat God mijn Vader is. Zo werkt niet de Heilige Geest, maar ónze verdorven geest. De Heilige Geest voert ons juist finaal van onszelf af. Maar dan wel op een paradoxale manier. Wie namelijk door Gods Geest van zijn eigen 'leven' wordt beroofd en verlost, die wordt maar niet eenvoudigweg ontkend alsof hij er nooit geweest was. Nee, daarvoor neemt de Geest ons verloren bestaan veel te ernstig. Wij worden veeleer tevoorschijn geroepen.
Zijn machtswoord ontdekt en ontluistert ons tot op de naakte werkelijkheid. Hij begint niet met ons géén gedachten over onszelf te geven, nog minder met ons goede gedachten over onszelf te geven, maar kwade. Hij fluistert ons het kindschap niet in de oren, maar vonnist ons tot ontaarde en verloren zonen. Al onze eigendunk krijgt de genadeslag. Ja, genadeslag. Maar toch een slag. Heel de bloesemtooi van mijn levensboom wordt afgesnoeid. Omdat de boom niet deugt. De tak niet en de wortel niet. Zó voert de Heilige Geest mij van mezelf af. Juist door me tot mezelf te brengen: Heere, ik ben niet meer waard Uw kind te zijn. Is zo niet de constante windrichting van de Heilige Geest: van dood naar leven, van oordeel naar genade? Niet maar eens eenmaal, maar telkens en herhaaldelijk. De Geest spreekt met twee woorden: Wet en Evangelie. De Geest waait telkens onstuitbaar door al mijn vermeende aanspraken en aanmatigingen heen. En Hij wervelt ze op een grote hoop, waar ze in vlammen opgaat. Daar zorgt Hij voor als de Geest van uitzuivering en uitbranding. De Geest maakt geen gearriveerde mensen, maar zonen die het vaderhuis zijn kwijtgeraakt en Vader niet meer onder ogen kunnen komen en toch naar huis verlangen. Twee zinnetjes wellen afwisselend op: O God, wees mij de zondaar genadig, en: Abba, Vader. Of anders, en toch eender: Vader, ik ben geen kind meer, maar geef me Uw Kind. Zo gaan het on-eigenlijke werk van de Geest en zijn eigenlijke werk hand in hand. Een verlorene wordt gevonden, de gevondene is de verlorene.
Misschien voert uw weg vandaag door de laagvlakten. (Uw weg? Dan kwam u nooit op de hoogvlakten. Gods weg!) Zijn Geest getuigt onderweg, zodat we ons dikwijls geheel onverwachts op de bergkammen weten en roepen: Abba, ik ben Uw kind. Die Geest getuigt. Geen andere! Waar haalden we anders de moed vandaan? Het is die Geest die de Vadernaam voor komt spellen. En die Vadernaam is de spiegel van de kindernaam.

Getuigen! Wat is dat? Het is onweerlegbaar, onweersprekelijk te berde brengen. Zoals een getuige in een rechtszaak onder ede de waarheid betuigt. Zó is de Geest met overtuigend en overstelpend bewijsmateriaal bezig te getuigen in het gerichtshandelen dat prediking heet. Wat moesten we in die rechtszaal beginnen als de hemelse Advocaat er niet bij was? Worden wij in dat gericht niet in staat van beschuldiging gesteld? Wie heeft houvast aan enige kenmerken van kindschap? Wie bespeurt de kindertrekken? Verborgen en bestreden ligt het kindschap zonder het getuigenis van de Geest. Ik ben niet meer waard! Maar nu komt de Geest te hulp. Middenin ons aangevochten zieleleven, middenin de gebrokenheid van ons bestaan, treedt Hij voor in als eersteling-gave en onderpand. Hoewel wij nog niet Thuis bij Vader zijn, komt Hij toch reeds als het hemelse zegel en Gods betrouwbare garantie onze verslagen harten troosten. Niet op een afstand. Maar binnenskamers. Daar wakkert Hij onze geest aan en fluistert het ons voor: Abba. En tweestemmig en toch eensluidend klinkt het getuigenis van Gods Geest en onze geest, dat we kinderen Gods zijn. Ja maar, zegt u, ik mis ten enenmale ieder kinderrecht. Alle kenmerken van een duivelskind vertoon ik. Uit de vader der leugenen! Wel, zie dan eens op het bewijsmateriaal van de Heilige Geest. Het bestaat maar uit vijf letters: Jezus. Doch 33 jaar lang was Hij kind van de Vader. Voor verloren zonen. In hun plaats. Gehuld in hun verlorenzijn. Toen er niemand meer Vader zei noch kind was, gaf de Vader Zijn eigen Kind. Opdat deze in één leven en sterven en herleven aan zou brengen wat wij verspeeld hebben. Zo werd Gods Zoon de Zoon van Maria. De Zoon van Adam. Vlees is Hij geworden. Onder ons heeft Hij gewoond. Rechtgeaard Kind onder ontaarden. Alle ontberingen leed Hij van zonen en dochters die hun vaderhuis eraan gaven. Toen dat Kind huilde in de kribbe, was het God aangenaam. Uit de mond van die zuigeling is lof bereid. Dat kind wies op en vond genade bij God en mensen. Dat Kind worstelde tot in de allerdiepste versmaadheid en helle-angst om Vaders wil Wet te laten wezen. Niet mijn wil maar de Uwe geschiede. En dat Kind is verbrijzeld onder onze ongehoorzaamheid. De stokslagen van de vertoornde Vader ving Hij op. De kastijdingen striemden Hem het lichaam. Ploegers hebben op Zijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang getogen. Sporen van mijn ongehoorzaamheid! Ruwe balken schaafden Hem de schouders. De toorn van de Vader trof dit Kind. Kind was Hij, maar Hij liet zich geselen als een weggelopen slaaf. Buiten de deur gezet. Uit het huis gejaagd. Geen steen om het hoofd op neer te vleien. Een vloekhout slechts. Verlaten en verloren. Mijn God, mijn God, waarom ...? Wilde en moest Hij daar de Vadernaam niet ontberen, opdat wij kinderen van de Vader zouden zijn? Wat dunkt u van deze Middelaar? Wat dunkt u ervan nu de Geest Hem uitschildert in het kleed van Zijn bloed. Zijn naaktheid en Zijn wonden? Nu deze Schoonste der Mensenkinderen met één hand ons, verloren mensen, omvat en met de andere hand Zijns vadershand omklemt? Zulk een Middelaar betaamt ons. Hoor maar: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Vader, Abba, riep Hij. Loof de Heere, mijn ziel. De vadernaam is uitgeroepen. De kindernaam is duur verworven. Vader is vader gebleven. Christus is Zijn Kind. Plaats is er in het Vaderhart en vaderhuis. Voor weglopers, slaven, verslaafden, ontheemden, doorbrengers. Is uw naam hiermee gemoeid? Is uw naam hiermee genoemd? Hier, getuigt de Geest, een nieuwe naam. Kind van God. Alle van verrestaanden en vreesachtigen, treedt toe. Kom maar heel dichtbij. De Geest getuigt.
Stem in. Zeg maar na: Vader en Zoon horen bij elkaar. Ja, zegt de Zoon: Ziet hier Ik en de kinderen die Gij Mij gegeven hebt. Kom, hebt u die gekruiste Zoon van God lief? Wordt ons hart niet brandende? Doet de Geest het Woord niet zo klinken en zingen, dat het in onze harten gaat resoneren? En de roep: 'Abba' krijgt als echo: 'Ik zijn kind'. En de roep: 'Deze is mijn Liefste' krijgt als nagalm: 'Ik zijn liefste'. Wel, bedroef de Heilige Geest niet. Blust Hem niet uit, door het profetische Woord te verachten. De Geest wekt, wint in en overwint. En voor ik het weet ga ik Hem naspreken, ga ik mee getuigen. Hij werkt zo aanstekelijk. Ik kan het niet meer tegenhouden. En het gaat jubelen: Kinderen Gods! Nee, niet uitbazuinen op straat. Daar is het Abba-Vader voor. Dat moet gehoord! Dat wordt geroepen! Publiekelijk ook. Maar de roep van het kindschap klinkt binnenshuis. Het juicht en het ruist wel, maar in de gewelven van onze ziel. Niet mee te koop lopen. De Geest loopt ermee te koop, om niet. Van binnen. Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Vader: om mijns Zoons wil zijt gij mijn kind. Zo waarachtig als mijn bloed gevloeid heeft, zegt de Zoon: om mijnentwil zijt ge Vaders kind. Zo waarachtig als Ik getuig, zweert de Geest: om Jezus' wil zijt ge zwart doch lieflijk. En mijn geest? Wat buigt g'u neder, o mijn ziel? Zo waarachtig als de Geest getuigt, dus waarachtiger dan dat ik in mijn hart gevoel, zo waarachtig getuig ik mede: dank U, Vader, voor Uw Kind en voor mijn kindschap.
Tholen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Die Geest getuigt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's