De jongeren van de gemeente
Toen ik enige tijd geleden op een jongerenbijeenkomst sprak werd opgemerkt, dat er bij de gemeente vaak te weinig aandacht voor het jeugdwerk was. Nu is dat een stelling, die gemakkelijker uitgesproken dan concreet gemaakt kan worden. Wat bedoelen we als we zeggen dat de gemeente meer moet meeleven met de jeugd en het werk onder de jeugd? Is het niet zo, dat we zeggen moeten dat het gemeenteleven allerlei kringen en sectoren kent die samen het gemeenteleven bepalen? Het kan immers niet de bedoeling zijn, dat de hele gemeente op de jeugdsamenkomsten komt, zoals men ook niet verwachten kan dat de jongeren op bejaardenmiddagen komen? Men kan immers ook stellen: is er wel voldoende belangstelling van de jongeren voor het werk onder de ouderen, of voor de zorgen van de bejaarden in de gemeente? Die kant moeten we met de vragen maar niet op. We moeten het eerder zo zien, dat er in de gemeente jeugdwerk is, waarvoor een aantal mensen in de gemeente zich inzetten, zo óók vrouwenwerk, mannenwerk, bejaardenwerk en meerdere takken van arbeid en dat we dan maar niet teveel moeten stellen, dat er zo weinig aandacht vanuit de gemeente voor is. Niet ieder kan met alle werk in de gemeente meeleven.
Maar intussen laat die opmerking over aandacht voor het jeugdwerk me toch niet los. Want wanneer het gaat over het jongerenwerk dan gaat het óók om het geven van leiding, om het bezig zijn met diegenen, die vaak in een Sturm-und-Drangperiode leven. En daarvoor mag in de gemeente wel gróte aandacht zijn. Het zijn tenslotte de jongeren, die als het goed is een keer de fakkel overnemen van de ouderen! Welke leiding is er dan van de ouderen uitgegaan? Dan mag de vraag worden gesteld of wel voldoende beseft wordt, dat de arbeid onder de jongeren een eerste opdracht is in de gemeente en geen stiefkind mag zijn. De catechese en het vormen van de jongeren in de verenigingen zijn uiterst belangrijke zaken.
Nu mogen we dankbaar zijn, dat in de meeste van onze gemeenten de catechese nog in ere is en functioneert, al verneem ik ook meer dan eens, dat het voor de predikanten vaak een hele toer is om de catechese op een verantwoord niveau te brengen, omdat bij vele jongeren het kennis-element van huis uit ook gering is.
Verder mogen we óók dankbaar zijn, dat in vele plaatsen het jeugdwerk nog functioneert en zelfs groei vertoont. We hebben dezer dagen weer de Bondsdag van de HGJB meegemaakt in de Doelen te Rotterdam en kunnen constateren, dat in een tijd, waarin het jeugdwerk aan alle kanten kwijnt, een schare jongeren bijeen was op Hemelvaartsdag rondom het Woord van God, terwijl zovele duizenden van die dag een ontspanningsdag maken, waarin het werelds vermaak centraal staat.
Er staat in onze kerk door Gods genade nog weer een generatie van jongeren aangetreden, die straks de kern van de gemeente zullen vormen en zich nu op de verenigingen voorbereiden op taken, die zij straks van de ouderen zullen overnemen. Een jonge generatie, die het bij het Woord zoekt en daaraan zijn levenskoers wil oriënteren. Maar we beseffen ook dat het slechts een déél van onze jeugd is, die daar is of op de verenigingen zelf.
Jeugdprobleem
Er ligt namelijk óók in onze gemeenten een groot stuk jeugdproblematiek en er is in dit opzicht vaak grote nood in de gezinnen. Telkens weer krijg ik daarvan in brieven de voorbeelden onder ogen. Het is inderdaad een déél van de jeugd, dat de catechisaties bezoekt maar een ander deel is er niet of niet meer, hetzij door onverschilligheid van de ouders, maar vaak ook omdat jongeren er op een bepaald moment zelf een punt achter zetten, en dat gebeurt in de beste gezinnen. Ze zullen zélf hun weg wel vinden. En zo ligt het dan óók met de kerkgang. Eerst nog één keer — vaak ook omdat de ouders daarin voorgingen maar even zo vaak ondanks een ander voorbeeld — later eenmaal per veertien dagen en tenslotte helemaal niet meer. En dan kan er een stuk spanning komen in de gezinnen. Ik bedoel in die gezinnen, waar men niet op het standpunt staat, dat de kinderen vrij moeten worden opgevoed en zelf maar moeten beslissen, maar waar men beseft, dat onze jongeren de eeuwigheid tegemoet leven en dat het in dit leven tot een beslissing moet komen, waarbij het juist de verkondiging des Woords en de catechese zijn die onmisbaar zijn om jongeren en ouderen te onderwijzen in de weg der zaligheid.
Dan is men niet klaar met te zeggen dat de jeugd altijd al problemen heeft gegeven en is men er zeker niet mee klaar als men zegt, dat het toch altijd wel weer goed gekomen is. Men kan soms horen zeggen, dat de kerkeraadsbanken gevuld zijn met personen, die in hun jeugd óók al problemen hebben gegeven. Dat zal in z'n algemeenheid niet opgaan. Maar zelfs als het incidenteel genomen wel het geval is dan zegt dit alleen maar alles over de genade Gods, die door onze ontrouw heenschittert. Zulke opmerkingen bieden op zichzelf dan ook geen houvast aan ouders, die hun kinderen de wereld zien intrekken en zien dat ze weggetrokken worden in een sfeer van roes en rage. Dan is er de vraag, de bange vraag: wat komt er van mijn kinderen terecht, is er een definitieve keuze gevallen, die beslissend is voor hun leven en dat van hun nageslacht? Want hoevelen zijn niet weggegaan en nóóit meer teruggekomen? Als we deze nood op ons in laten werken dan mag de gemeente wel als een muur om de jongeren staan om ze vast te houden en al het mogelijke te doen om ze op een verantwoorde wijze bijeen te brengen rondom het Woord. Dan heb ik respect voor die ouderen, die hier hun tijd en krachten aan geven, vaak op de zaterdagavonden, waarop men toch ook weer graag in het gezin zou willen zijn. Maar het mag wel een gemeenschappelijke zorg van ons allen zijn om de jongeren van de gemeente te begeleiden en op te vangen, juist ook hen die niet helemaal of helemaal niét willen zoals we dat graag zouden willen zien.
Kritisch
En als de jongeren dan kritisch zijn of in gedragswijze anders zijn dan we zouden willen? Me dunkt dat dan de christelijke deugd van het geduld wel zeer beoefend mag worden. Achter kritische opmerkingen kan een vragend hart zitten. Achter een ander gedragspatroon kan een stuk levensonrust zitten, waarachter vragen liggen, die om een antwoord schreeuwen. Het kan — ik weet het — wrevel wekken als we zien hoe talloze jongeren, ook binnen de gemeente, zich kleden en zich wat het uiterlijk betreft toetakelen. Daaraan kunnen ouders lijden, als het hun kinderen betreft. Maar dan zullen zij — en wij met hen — altijd nog blij zijn wanneer die jongeren mét dat uiterlijk, mét die kleding in de kerk zijn. Geduld en liefde zullen hier meer kunnen bewerken dan wrevel en harde hand.
Achter de sjofele kledij en het slordige uiterlijk zit, bij de één bewust en bij de ander — de meesten — onbewust, een protest tegen de maatschappij van weelde, welvaart, consumptie en commercie. Ik weet dat deze protesthouding vanuit een verkeerde achtergrond in onze ontkerstenende samenleving wordt gevoed. Maar vele jongeren bevinden zich in die greep en ik geloof, dat de enige houding, die daartegenover past en respect zal afdwingen, is een houding, een leven, waarin getoond wordt, dat we niet terwille van de welvaart en ons bezit leven maar bewust van allerlei dingen afzien, ook van vermeerdering van geld en goed, terwille van de dienst des Heeren.
Ik kreeg dezer dagen twee brieven tegelijk van moeders, die zo de nodige zorg kenden en kennen om hun kinderen. De één schreef: 'Wordt ook onder ons kerkmensen de god van de welvaart en eerzucht, in weelde en afgunstige jaloezie niet gediend? Zelfs tot in de kerk en veel pastorieën toe? Dat is 't ergste. Dat kan toch niet samengaan met het waarachtig geloof van onze belijdenis, dat lege bedelaars maakt? Jonge mensen doorzien dit heel scherp ...' En de andere schreef: Laten we niet ons hart op al het aardse zetten. Onze mooie auto? Weet dat het maar blik is, en dat we zo een ongeluk kunnen hebben en voor God moeten verschijnen. Ons mooie huis? Ik lees: in het huis mijns Vaders zijn vele woningen. Is dat niet meer dan onze woning? Onze dure kleding? Hij, Christus wil ons overkleden met Zijn gerechtigheid. Stel op de Heer in alles uw vertrouwen. Betracht uw plicht, bewoon het aardrijk, leer uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen, verlustig u met blijdschap in de Heer. Dan zal Hij u met liefde en gunst aanschouwen, u schenken wat uw hart van Hem begeer.'
Inderdaad mag de vraag worden gesteld of het Woord van God ons ganse leven doortrekt en het duidelijk mag zijn, dat ons leven er zowel 's zondags als in de week door wordt bepaald. Echte godsvrucht heeft ook te maken met ons geld en bezit, met onze dingen en onze beesten (als we die hebben). Dat hebben we ook de jongeren voor te leven.
Verenigingen, groepen, kringen
Niet alle jongeren uit de gemeente krijgt men zoals gezegd op de verenigingen. Integendeel! Maar wat we wel zien gebeuren in onze tijd is, dat jongeren, die men niet op de verenigingen krijgt, opeens soms wel gegrepen worden door evangeliserende groepen of vrije kringen, die niet kerkelijk gebonden zijn. Het mag tekenend genoemd worden, dat in een tijd, waarin het kerkelijk jeugdwerk in de meeste kerken en kringen op retour is — in de Gereformeerde Kerken was er op de jaarlijkse toogdag een laagterecord van vierhonderd deelnemers, terwijl er een tijd geweest is dat er veertienduizend waren — de jongerendag Mayday in de Rotterdamse Ahoyhallen met zevenduizend jongeren de meeste bezoekers trok. Het is onmogelijk om hier zwart-wit te gaan redeneren. Er zijn jongeren tot een wezenlijke ommekeer in hun leven gekomen door de aanraking met bepaalde evangelisatiekringen of evangeliserende groepen. Dan hebben we dankbaar te zijn en te beseffen, dat de Heilige Geest soms andere wegen gaat dan wij denken. En als zulke jongeren dan hun plaats (her) vinden in de gemeente — en dat móét, wil het echt zijn — en daarin bewust bezig willen zijn, ook in de omgang met anderen rondom het Woord van God, dan is dat méér reden tot dankbaarheid dan wanneer jongeren wel kerkelijk zijn maar daarbij toch in onverschilligheid voortleven. Wanneer jongeren dan bijeen zijn in gebed en Schriftstudie dan is dat heel wat waard in een tijd als de onze, waarin nauwelijks plaats meer is voor het gesprek rondom het Woord. En dan zou ik willen zeggen, dat alle jongerenwerk zich wel zou mogen concentreren op dit eigenlijke: gebed en Schriftstudie. Want dit mogen we van de evangelisatiekringen leren, dat ze zich willen terugtrekken op het eigenlijke, op het louter bezig zijn met het Woord en dan ook het getuigend uitdragen daarvan naar buiten. Het mag toch niet zo zijn dat een geestelijk gesprek op de verenigingen een vreemde zaak zou zijn, dat het persoonlijke daar geen plaats heeft? Al mag het anderzijds ook niet zo zijn dat het persoonlijk spreken en 'getuigen' als een wet wordt opgelegd aan jongeren die zelf de weg van God met en in hun leven niet of nog niet of nog slechts in beginsel kennen. Het geloof en het getuigenis zijn geen dingen die wij om zo te zeggen tot onze beschikking hebben. Maar al het werk in de gemeente, ook op de verenigingen, dient wel op het zaligmakend geloof en het getuigenis daarvan te zijn gericht.
Kritisch onderscheiden
Maar we moeten hier wel kritisch onderscheiden. Ik bemerk, dat hier een probleemveld aan het groeien is, dat in meerdere gemeenten spanningen geeft onder de jongeren en tussen ouderen en jongeren. Er liggen hier ook reële gevaren, waarom één en ander om een positieve begeleiding vraagt van allen, die aan de gemeente leiding hebben te geven.
Over enkele daarvan wil ik wat zeggen, al liggen ze in de onderscheiden kringen ook nog wel verschillend.
In de eerste plaats is er het gevaar, dat zich een geloofstype indringt, dat niet opkomt uit het eenzijdige van Gods genade maar uit een remonstrants gevoelen, waarin de mens zélf een aandeel heeft in het verkrijgen van het geloof. Het ware geloof is echter gekenmerkt door het belijden en beleven van wat Paulus in Romeinen 3 zegt: 'want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade door de verlossing die in Christus Jezus is'. Bij die belijdenis zullen we hebben te blijven en daarbij zullen ook de jongeren moeten blijven. Maar dan zal daarover ook telkens gesproken moeten worden. Het is dan ook, dunkt me, een goede zaak om telkens weer met jongeren preekbesprekingen te houden, om zó onder de leiding van de predikant, met de jongeren van de gemeente bezig te zijn. Er is namelijk een tendens, juist ook onder jongeren, om zich te verzetten tegen al wat riekt naar leerstelligheid en dogmatiek. En toegegeven, preken moeten geen dogmatische verhandelingen zijn al moeten ze wel dogmatisch verantwoord zijn, maar de leer van de kerk is toch van onschatbare betekenis, en daarover kan juist ook in een preekbespreking gehandeld worden, en dan zó, dat het alles is toegespitst op het persoonlijk geestelijk leven.
In de tweede plaats is er het gevaar, dat het institutaire van de kerk met de ambten, de sacramenten, de belijdenissen en de tucht betrekkelijk wordt gesteld en dat toch een min en meer sektarisch denken zich meester maakt, een denken dat wel de broederschap der christenen maar niet de gemeente als zichtbare gestalte daarvan, ook in de ambten en ordeningen, centraal stelt.
In de derde plaats zou ik willen wijzen op het gevaar, dat men vormen en inhoud gaat verwarren. Onlangs zei iemand me, dat het de sfeer in de groepen is die aantrekt en de sfeer in de kerk die afstoot. Maar wat is die sfeer? Als de sfeer bepaald wordt door lichtvoetige muziek met een bepaald ritme, terwijl óf geen woorden gezongen worden óf onverstaanbare dan zegt zo'n sfeer me niets. We kunnen ook hier de schema's van de wereld gaan aanleggen om sfeer te scheppen. Maar de sfeer moet niet worden bepaald door ritme of door gemoedelijkheid van kleine kring, maar door de boodschap van zonde en genade, waar de ergernis van het kruis — de joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid maar hen die geloven een kracht Gods tot zaligheid — niet verdoezeld wordt.
En tenslotte — en nu heel concreet — er is het heel reële gevaar, dat evangelisatiegroepen de jongeren brengen tot de vraag om herdoop. Ik erken, dat de kwestie volwassendoop of kinderdoop door de eeuwen heen vragen heeft opgeroepen (ook Bunyan was voor de volwassendoop) maar het is een diep bijbelse gedachte, dat de kinderdoop in de plaats van de kinderbesnijdenis is gekomen en dat met het vervallen van de kinderdoop daarom wel niet de kerk staat of valt maar wel het teken en zegel van de zaligheid van de jonggestorven kinderen van gelovige ouders. Maar ook al zeggen we, dat er in de kerk door de eeuwen heen altijd ruimte geweest is voor volwassendoop, met de herdoop ligt het anders. Ik aarzel niet te zeggen, dat dit een tegenstaan van de Heilige Geest is. Want het is toch heel wat als men néén zegt tegen het teken en zegel van Gods verbond, dat in onze kinderdagen over ons werd uitgesproken. Toen hebben de Vader en de Zoon en de Heilige Geest hun Naam over ons uitgezegd. Daartegen neen zeggen is tegenstaan van de Geest. We hebben hier dan ook op onze hoede te zijn en ervoor te waken dat vanuit kringen die op zichzelf goede bijbelse, geestelijke elementen bevatten geen geest binnenkomt, die vreemd is aan de bijbels reformatorische religie.
Begeleiding
Ik heb in het bovenstaande slechts enkele dingen kunnen aanstippen van een problematiek, die er ligt op het terrein van het werk onder, met en door jongeren. Het is nodig hier te begeleiden met liefde en geduld. Er mag dankbaarheid zijn als jon • geren waar dan ook en hoe dan ook aangeraakt zijn door het Woord en hun leven willen besteden in de dienst des Heeren en daarmee ook het werk onder de jongeren in de gemeente willen bezielen. Ook al ontbreekt er dan wel eens rijpheid, tact en een weloverwogen oordeel. Maar in die gevallen moet ieder maar denken, dat hij in zijn jeugd vaak vanuit eenzelfde onervarenheid heeft gehandeld en gesproken. Ook kan er een jeugdig enthousiasme zijn, dat vergeet, dat het leven, ook het geestelijk leven niet altijd een leven boven op de berg is, maar ook zijn tijden kent van donkerheid, van verlating, van afwezigheid (voor ons gevoel) van Gods gunst. Maar dan behoeven we daarom dat enthousiasme nog niet in te tomen.
En als jongeren dan soms zitten met de vraag, waarom er soms in de gemeente zo weinig uitkomt van geloof, hoop en liefde, dan is dat een vraag die gesteld mag worden. Ik schrijf hier over wat een moeder mij schreef:
'Er is niet altijd begrip voor, thuis en op de jeugdvereniging, als ze hier ook zo met het Woord en gebed willen leven ... Zelf zijn ze in jeugdig enthousiasme soms ontactisch en gevaar van botsingen is aanwezig. Wie wil de minste zijn? Een jongen zei: 'ze doen hier net of deze geloofsbeleving iets heel vreemds is. Maar iedereen moet dit toch kennen? Bij onze eigen dominee hoor ik nu ook dezelfde geloofszaken. Waarom hoor je daar haast nooit iets over van al die kerkmensen? Jezus moet toch persoonlijk gekend worden, Zijn liefde alles voor je worden?'
Daar sta je dan als ouderen aangeklaagd. En er is veel schuld te belijden, gezien de vele voorrechten geschonken als gemeente. Zoveel roepstemmen en dan zo beneden de maat te leven. Waarom is het onder ons normaal geworden, dat er weinig of geen vrucht gezien wordt op een Schriftuurlijk zuivere prediking ? Het is niet goed als dit predikant en gemeente niet aanklaagt.'
Deze dingen mogen we ons laten gezeggen, ook door jongeren, ook al loopt er door hun opmerkingen wel eens een draad, die niet helemaal recht en billijk is, met name wat betreft de vruchten van de prediking en het normaal vinden van het ontbreken daarvan. Maar tegelijk moeten we in het geheel van de gemeente, vanuit het Woord en de belijdenis van de kerk, de jongeren begeleiden opdat ze de juiste koers houden, kerkelijk en geestelijk. Voorop sta bij dit alles de bewogenheid en aandrang om zo mogelijk allen te behouden. Allen, dat wil zeggen, de meelevenden, bij wie het toch geen echt leven is, de meelopers, de tegenstrevers, de jongeren die in de wereld leven. Vanuit de liefde die in Christus is. En er is in die liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten (1 Joh. 4: 18).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's