De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

8 minuten leestijd

Septuagesimo Anno, Theologische opstellen aangeboden aan prof. dr. G. C. Berkouwer; 324 blz., ƒ 35, —; Kok, Kampen, 1973.
Op 12 oktober 1973 nam prof. dr. G. C. Berkouwer afscheid als hoogleraar aan de theologische faculteit van de VU. Nu is het woord 'afscheid' erg betrekkelijk, want Berkouwer is er de man niet naar om stil te gaan zitten, en als God hem de kracht verleent, zullen we zeker nog menig publikatie mogen verwachten van zijn hand. Maar het afscheid betekent toch wel, dat Berkouwer zijn leeropdracht aan de VU sinds oktober vorig jaar beëindigd heeft, om in die functie opgevolgd te worden door dr. J. Veenhof.
Bij dit afscheid is hem een feestbundel aangeboden waarin een aantal leerlingen die tevens collega's zijn geworden doordat zij in binnen- of buitenland een leerstoel bezetten, hun leermeester eren met een theologische verhandeling over een onderwerp uit hun vakgebied. Dergelijke feestbundels zijn niet alleen voor de jubilaris een waardevol cadeau, maar voor ieder die in de theologie geïnteresseerd is. Wij krijgen in zo'n bundel menigmaal een waardevolle doorsnee door de theologie. Zo ook in de 13 opstellen uit deze bundel. Uit de zeer gevarieerde inhoud doe ik een enkele greep.
Prof. dr. J. T. Bakker behandelt de politieke theologie van Metz, het eschatologisch voorbehoud dat deze maakt, de betekenis van de memoria, nl. het in herinnering houden van het lijden, de dood en de opstanding van Christus. Interessant is de vergelijking tussen Noordmans en Metz. Bakker is van oordeel dat de angst voor een speculatieve verlossingsleer Metz verhindert aan het verkondigingsaspect van het 'gedenken' recht te doen. Dr. Hartveld gaat in op de zin van het tweede gebod, beeldenstorm, beeldvorming en de problemen van de vertolking. Een boeiend opstel waarin de kerkhistorie ter sprake komt en vooral ook het hermeneutisch probleem van de dogmatische beeldvorming. Dr. W. D. Jonker, enkele jaren in Kampen werkzaam geweest en thans in Stellenbosch schrijft over de plaats van de Schrift in de theologie van Berkouwer. Hij laat zien dat Berkouwer niets anders wil zijn dan Schrifttheoloog, bijbelse theologie bedrijft in zijn boeken, en zich wil hoeden voor speculaties. De correlatiegedachte zou bij Berkouwer begrensd worden door de Schriftgebondenheid van zijn theologie. Niet de gelovende mens heerst over de Schrift, maar de Schrift heeft over de gelovende mens het hoogste en laatste woord. Jonker wijst de kritiek van Berkhof op Berkouwer dan ook af. Wel geeft hij toe dat er in de Dogmatische Studiën van Berkouwer plaatsen zijn die tot de gedachte aanleiding zouden kunnen geven dat de Schrift onderworpen wordt via de correlatiegedachte aan een existentialiserende reductie. Ook erkent Jonker dat de nieuwe theologie mogelijk wel de correlatiemethode wil overnemen, maar Berkouwers Schriftbeginsel afwijst. Het is een boeiend opstel dat m.i. toch vragen oproept. Zeker, het bijbels gehalte van Berkouwers boeken is groot. Dat maakt zijn boeken juist voor de prediking ook vruchtbaar. Maar toch vragen we ons af: heeft Jonker voldoende oog voor de toch ingrijpende verschuiving die Berkouwer aanbrengt inzake de aard van het Schriftgezag? Komt het formele aspect nog wel tot zijn recht? Is er in Berkhofs kritiek, met name ook als we b.v. denken aan Berkouwers visie op de kerk, haar belijden en de tucht, toch niet meer waar, dan Jonker zegt? Is met name de wetenschappelijke bijbelkritiek ten aanzien van b.v. Genesis 1—3, de eschatologie, de erfzonde-leer door Berkouwer in de loop der jaren niet steeds positiever opgenomen in zijn boeken? Overigens is het een goede zaak er door Jonker aan herinnerd te worden dat Berkouwer toch in de gereformeerde traditie wil staan als dogmaticus en dat dat — bij alle vragen die men kan stellen — blijkt uit de plaats die de Schrift inneemt in zijn dogmatische bezinning.
Kuitert schrijft in deze bundel over de discussie tussen Pannenberg en Ebeling over de evidentie van het ethische, de vragen naar de relevantie van het christelijk geloof, de relatie tussen religie en moraal. In dit bijzonder knappe opstel maakt Kuitert dan een aantal opmerkingen over de relatie tussen heil en cultuur, die als ik hem goed begrijp toch alleen maar verstaanbaar zijn als men uitgaat van de gedachte dat het heil een binnenwereldse zaak zou zijn. Het gaat Kuitert om een theologie van menselijk handelen waarin de vraag beantwoord moet worden wat God en Zijn eschatologisch heil met de handelende, zijn 'Umwelt' veranderende mens te doen heeft. God verandert mens en wereld door middel van de handelende mens. In die zin, aldus Kuitert, kan men zeggen, dat in de menselijke cultuur eschatologisch heil ligt, en ook dat een mens zonder christen te zijn aan het heil deel kan heb­ben. Voor een goed begrip van de huidige visie op kerk en wereld, heil en ethiek is dit een belangrijk artikel. Immers bij deze visie van Kuitert vraagt men zich af: wat is hier nog het specifiek christelijke? Komt men hier niet uit bij een radicale humanisering van het heil?
Een opstel van dr. Runia over discussies rondom de Petrus-dienst stelde me wat teleur. Boven een inventarisatie van meningen komt de auteur niet uit. De brochure van prof. Van Itterzon geeft m.i. meer en is fundamenteler in zijn kritiek op Küng e.a. Dr. Schreuder geeft een aantal overwegingen bij een theologie van het apostolaat. Knap en zeer boeiend beschreven. Maar opvallend is ook hier de gemakkelijke wijze waarop Moltmann hier binnengehaald wordt. Gemakkelijk, in de zin van onkritisch. Juist van een theologe aan de VU mag men toch een kritisch geluid verwachten vanuit de reformatorische belijdenis. Dr. Schreuder schrijft op een bewogen wijze over het pastoraat aan hen die lijden, maar ik kan toch niet aan de indruk ontkomen dat alles te veel gezet wordt op de kaart van de solidariteit. Tenslotte noem ik nog het opstel van dr. W. H. Velema dat ook ingaat op de nieuwe theologie. Velema vergelijkt de nadruk op de praxis bij iemand als Schillebeeckx met de in zondag 32 van de Catechismus en in de D.L. voorkomende figuur van de syllogismus practicus, waarbij de vruchten van het geloof kunnen dienen als middel tot geloofszekerheid. Het grote verschil tussen de visie van Schillebeeckx cs. en de belijdenis inzake de syllogismus practicus zit met name in de visie op het heil. Terwijl in de gereformeerde theologie verwerving en toepassing uiteengehouden en onderscheiden werden wordt in de nieuwe theologie ons handelen een aanvulling van wat Christus gedaan heeft. Velema's opstel is m.i. een goed voorbeeld van confrontatie van de gereformeerde belijdenis met de eigentijdse theologie.
Een boeiende bundel, die vele vragen oproept, maar ook stimuleert tot verdere studie. De opstellen zijn op academisch niveau geschreven. D.w.z. de auteurs veronderstellen wel het een en ander aan kennis van exegese, historische theologie, wijsbegeerte en dogmatiek.
Utrecht                                                       A.Noordegraaf

Prof. dr. N. H. Rldderbos: De psalmen, deel 2, Korte Verklaring der Heilige Schrift; 272 blz. ƒ 22, 50; Kok, Kampen, 1973.
Er behoort m.i. wat moed toe om in onze tijd een commentaar op de psalmen te schrijven. De literatuur over dit gedeelte van de Schrift is immers overstelpend groot, zodat het voor de oudtestamenticus niet eenvoudig is hierin zijn weg te vinden. De Amsterdamse oudtestamenticus aan de VU is al een aantal jaren geleden begonnen met een totaal nieuwe commentaar in de bekende serie Korte Verklaring. Thans ligt het tweede deel voor ons, waarin de psalmen 42—60 becommentarieerd worden. Als men bedenkt dat destijds prof. Noordzij in twee betrekkelijk dunne deeltjes een verklaring gaf van het Psalter, terwijl nu in een boek van meer dan 250 blz. nauwelijks twintig psalmen behandeld worden, dan zegt ook deze omvang al iets van het gewicht van de taak. Men kan nauwelijks meer van een korte verklaring spreken. Wie daarom meent dit boek te kunnen gebruiken om zich snel te kunnen oriënteren en enkele kanttekeningen te kunnen plaatsen, zal in de opzet van Ridderbos' commentaar zich moeilijk kunnen vinden. Maar wie de tijd en de rust neemt de uitvoerige inleiding tot elke psalm en de even uitvoerige verklaring vers voor vers te volgen, zal door dit boek ongemeend verrijkt kunnen worden.
De auteur geeft vele tekstverwijzingen, gaat diepgaand op de tekst in en geeft in de inleidingen ook verwijzingen naar de situatie van de nieuwtestamentische gemeente. Deze verwijzingen kunnen als homiletische opmerkingen goede diensten bewijzen aan wie uit de psalmen wil preken.
Een enkele opmerking: ten aanzien van Ps. 45 kiest Ridderbos voor de opvatting dat de koning hier als type van de Messias gezien wordt. Waarom het in de psalm bezongen huwelijk dan niet een type is van de verhouding van de Messias tot Zijn volk is mij niet duidelijk geworden.
Bij Ps. 49: 16 tekent Ridderbos aan, dat voor de psalmist de band tussen hem en zijn God ook door het sterven heen zal blijven bestaan en dat hij, ook na het sterven, op welke wijze dan ook, de gunst van zijn God genieten zal. Bij Ps. 51 schrijft de auteur: er is geen reden deze voorstelling (nl. dat de psalm door David gedicht zou zijn, A.N.) niet als juist te aanvaarden. Terecht wijst Ridderbos erop dat hoewel in Ps. 51: 6 de heilbrengende zijde van de rechtvaardigheid niet uitgesloten is, de straffende zijde toch vooropstaat. Belangrijk in de huidige discussies rondom de verzoening. Zo zou er meer te noemen zijn. Met dankbaarheid en instemming nam ik van dit keurig uitgegeven werk kennis. De prijs is niet gering, maar men ontvangt dan ook waardevol studiemateriaal. Moge het de auteur, die vele malen met instemming de grote commentaar van zijn vader, prof. dr. J. Ridderbos, citeert, gegeven zijn, zijn werk af te maken. Met verlangen zien we naar een vervolg uit.
Utrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's